Back

Artikel

Home

Wanneer voelt de verhoging van de AOW-leeftijd als diefstal?

27 feb 2017
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen

De AOW-leeftijd is de afgelopen jaren versneld verhoogd en die verhoging heeft gezorgd voor de nodig ophef. Oudere werknemers die dicht tegen hun pensioen aanzitten voelen zich danig bedrogen. NIDI-onderzoekers De Beer, Van Dalen en Henkens nemen deze boosheid serieus en ontrafelen de krachten die daarachter schuil kunnen gaan. Zij laten zien dat de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd danig uit de pas loopt met de toename van de levensverwachting van generaties. Deze verhoging mag op macroniveau als een dubbel dividend worden gezien, op microniveau voelt de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd als een 'overval' voor de generaties die deze versnelling treft.

Verhoging AOW-leeftijd

Van tal van kanten is de sfeer omgeslagen op het terrein van de AOW. In de aanloop naar de hervorming van de AOW (uit 2012) waarbij werd besloten de AOW-leeftijd stapsgewijs te verhogen kon men her en der nog instemmende geluiden horen. Langer leven maakt langer doorwerken onvermijdelijk, zo luidde de consensus. Het waren echter crisistijden en in de loop van de tijd begonnen plannen te schuiven. In het pensioenakkoord (in 2011) werd nog afgesproken om geleidelijk de AOW-leeftijd te verhogen naar 67 in het jaar 2025. Het wetsontwerp uit 2012 ingevoerd onder minister Kamp liet ook een geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd zien maar daar werd 67 jaar in het jaar 2023 bereikt. Maar toen kwam ook het besef dat de overheidsfinanciën uit het lood waren geslagen en de staatsschuld sterk zou toenemen als er niets gedaan zou worden. Er werd iets gedaan. Een discussie over versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd vond plaats en kreeg zijn beslag in een wet aangenomen op 4 juni 2015 waarbij de AOW-leeftijd van 67 jaar al in 2021 bereikt moet worden.[1] Zoals de regering het zelf bekendmaakte in 2015:

“De verhoging van de AOW-leeftijd is nodig omdat mensen steeds ouder worden en daarom langer een AOW-uitkering nodig hebben. Daarnaast staat de betaalbaarheid van ons stelsel onder druk door de economische crisis van de afgelopen jaren.”

De eerste zin van het bovenstaande citaat legt wel uit waarom een verhoging van de AOW-leeftijd nodig is, maar geeft geen reden voor de versnelling van de verhoging. En in een toelichting van staatssecretaris Klijnsma wordt ook duidelijk dat het niet is ingegeven door nieuwe prognoses van de levensverwachting (hoewel persberichten van de Rijksoverheid die indruk wel wekken): "De versnelde verhoging van de AOW-leeftijd is een beleidsmatige keuze die niet is ingegeven vanuit een plotseling sterke stijging van de levensverwachting ten opzichte van de situatie die gold ten tijde van invoering van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd."

De tweede zin geeft wel de ware reden achter de beleidswijziging. Aangezien de AOW de kern van het Nederlandse pensioenstelsel is, is een verschuiving van de AOW-leeftijd niet alleen positief voor de staatskas, het heeft ook een uitstralingseffect naar het aanvullend pensioenstelsel omdat vroeg of laat ook de balansen van pensioenfondsen door deze verschuiving van de pensioenleeftijd positief worden beïnvloed.

Kortom, in een tijdsbestek van vier jaar schuift de AOW-leeftijd van 67 jaar 4 jaar in de tijd naar voren. En vanaf 2022 wordt de stijging van de AOW-leeftijd automatisch gekoppeld aan de levensverwachting op 65-jarige leeftijd. Figuur 1 brengt tot uitdrukking hoe hoog het tempo van hervormingen was voor de verschillende generaties. De generaties geboren tot 1951 werden nog enigszins uit de wind gehouden, maar de generaties daarna moesten het staatsblad goed in de gaten houden om te weten wanneer ze precies hun AOW konden verwachten. Wie van deze generaties in slaap viel en dacht dat er niet veel gebeurde op dit vlak kon wel eens bedrogen uitkomen en ontdekken dat hij of zij nog een jaar langer door moet werken.

Figuur 1: Van geleidelijke verhoging naar versnelde verhoging AOW-leeftijd

De laatste verhoging van de AOW-leeftijd (het laatste horizontale blauwe streepje in figuur 1) voor de generatie geboren tussen 31 december 1954 en 1 oktober 1955 is in feite al een gevolg van de koppelingsregel die het kabinet in de wet heeft vastgesteld:de verhoging van de AOW-leeftijd moet volgens de wet vijf jaar voor de inwerkingtreding bekend worden gemaakt. Daarom werd deze verhoging 31 oktober 2016 bekend gemaakt.

Verwarring

Dat deze versnelde verhoging van de AOW-leeftijd tot verwarring kan leiden blijkt als de burger wordt ondervraagd door krant of tv. Zo interviewde de NOS vorig jaar een aantal leraren met als kop ‘Drie maanden extra op 42 jaar werken, dat red ik ook nog wel' . Dat is correct, maar bij het aantreden van kabinet Rutte was dat reeds veranderd en moest men 1 jaar en 3 maanden langer doorwerken. In het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ van kabinet Rutte II staat letterlijk: “De AOW-leeftijd wordt geleidelijk (onze cursivering, red.) verhoogd tot 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021 en vervolgens gekoppeld aan de stijging van de levensverwachting.” (Let wel, in de financiële bijlage spreekt men wel over versnelde verhoging van de AOW-leeftijd). De aankondiging was juister geweest door in de hoofdtekst te spreken over een versnelde verhoging. Dat deze complexe verschuiving aan veel mensen voorbij gaat bewijze de peiling van Wijzer in Geldzaken waaruit blijkt dat 69 procent van de mensen verwacht eerder AOW te krijgen dan werkelijk het geval is.

Boosheid

Het NIDI heeft in 2015 de opvattingen van ruim 6.000 oudere werknemers (60-plus) gemeten en in het kort komen die er op neer dat vooral laag- en middelbaar opgeleide werknemers ‘not amused’ waren (zie figuur 2). Boosheid en het gevoel dat men met deze maatregel werd overvallen gaan hand in hand. Een ruime meerderheid van lager opgeleiden is erg boos tot heel erg boos over de hogere pensioenleeftijd en voelt zich er zeer door overvallen. Deze negatieve emoties zijn veel minder aanwezig bij universitair geschoolden. Dat verschil heeft voor een groot deel te maken met de dienstjaren die werknemers hebben en de belasting waar zij in hun werk mee te maken hebben. Henkens et al. (2016) laten zien hoe vooral onder de werknemers met 45 of meer dienstjaren de boosheid hoog kan oplopen. Luister bijvoorbeeld naar deze medewerker van de technische dienst bij een ministerie (63 jaar) die zijn ongenoegen noteerde over dit onderwerp: “Ik werk onafgebroken vanaf mijn zeventiende. Eerst kon ik stoppen op mijn 61ste jaar. Dat is verhoogd naar 62, daarna naar 65, en nu naar 66 jaar. Ik heb er eerlijk gezegd wel genoeg van. Wanneer houdt dit op?”

Figuur 2: Boosheid over versnelde verhoging van pensioenleeftijden, naar hoogst genoten opleiding werknemers van 60 jaar en ouder

De vraag waarop deze uitkomsten gebaseerd zijn luidt: “Pensioenleeftijden zijn snel hoger geworden. In hoeverre voelt u zich daar boos over [antwoordcategorieën: niet, tamelijk, erg, heel erg]. Eenzelfde vraag met als antwoordcategorieën [niet, tamelijk, erg, heel erg overvallen].

Bron: NIDI Pensioensurvey (2015)

Generatie ‘versnelling’ voelt de pijn

Hervormingen die aanzetten tot langer doorwerken zijn natuurlijk nooit erg populair, maar de boosheid bij 60-plussers over de recente pensioenhervorming vragen toch om nadere verdieping. Om de boosheid beter te begrijpen kan figuur 3 behulpzaam zijn. Hierin is per geboortejaar van burgers - van 1947 tot 1970 - in kaart gebracht met welke AOW-leeftijd men te maken heeft. Voor de allereerste transitiegeneraties (van 1947 tot 1951) ging de verhoging van de AOW-leeftijd nog min of meer gelijk op met het tempo van de stijging van de levensverwachting. Cohorten na 1950 worden gekort op hun pensioenjaren doordat de verhoging van de AOW-leeftijd sneller gaat dan op basis van de ontwikkeling van de levensverwachting logisch zou zijn. Daardoor ontstaat de situatie dat mensen steeds langer leven, en ook naar verwachting langer werken, maar uiteindelijk minder pensioenjaren hebben dan de oudere cohorten. Cohorten van 1950 en daarna zijn door de versnelde verhoging pensioenjaren ontnomen en die krijgen ze ook nooit meer terug doordat de AOW-leeftijd voor de toekomst is gekoppeld aan de levensverwachting (en let wel: de formule op basis waarvan de regering de koppeling vaststelt maakt een neerwaartse bijstelling onmogelijk). Ter illustratie, het geboortecohort 1950 kreeg een AOW-uitkering vanaf de leeftijd van 65 jaar en 3 maanden, terwijl generatie 1955 pas twee jaar later AOW krijgt.

Uiteraard kan men zeggen dat jongere generaties ook langer te leven hebben en dat dit een ‘eerlijke’ zaak is. Een verhoging van de AOW-leeftijd die in lijn is met de levensverwachting zou niet meer dan rechtvaardig zijn. Maar de AOW-leeftijd stijgt voor generatie 1955 veel harder dan de levensverwachting. Het gevolg is dat generatie 1955 bijna één jaar minder AOW zal krijgen dan generatie 1950. Wat de figuur duidelijk maakt is dat dit verlies van bijna een pensioenjaar ook voor de generaties daarna geldt.

Figuur 3: Versnelling AOW-leeftijd leidt tot minder pensioenjaren gegeven de levensverwachting

Noot: de onderbroken lijnen zijn gebaseerd op CBS prognoses die gemaakt zijn over de AOW-leeftijd.

Verwachtingsmanagement

In de ogen van de beleidsmaker is de AOW-verhoging een zogenaamd dubbel dividend of een mes dat aan twee kanten snijdt: door de verschuiving van de pensioendatum neemt de belastingbasis met één jaar toe, en tegelijkertijd neem de uitkeringslast met één jaar af. Waar men zich op verkijkt in het beleid en vooral in de communicatie is dat het dubbele dividend voor de partij die het aangaat – de burger - toch vooral als diefstal wordt gevoeld. Men moet niet alleen langer werken, men moet ook een jaar pensioen missen.

Iedere hervorming kent aanpassingskosten en in dit specifieke geval zijn het de generaties die de versnelling van de AOW-leeftijd meemaken die de aanpassingskosten ‘ophoesten’. 

Een houdbare AOW is een groot goed, waar beleidsmakers en politici een fout maken is door in het debat alleen maar over houdbare overheidsfinanciën te spreken en niet over de gepercipieerde rechtvaardigheid van lusten en lasten. Iedere hervorming kent aanpassingskosten en in dit specifieke geval zijn het de generaties die de versnelling van de AOW-leeftijd meemaken die de aanpassingskosten ‘ophoesten’. De kans is bovendien bijzonder groot dat wanneer er weer nieuwe sterfteprognoses zijn en weer nieuwe AOW-leeftijden worden vastgesteld de ophef iedere keer heftig zal zijn. De kunst zal dan vooral ook zijn om zoals Ambachtsheer (2015) aanstipte - voor de casus van het aanvullend pensioen - om veel meer aandacht te besteden aan verwachtingsmanagement in pensioenzaken. Zoals uit figuur 2 blijkt zijn het vooral de laagopgeleiden (en de facto de mensen met 45 of meer dienstjaren) die zich overvallen voelen door de wetswijziging. In het regeerakkoord van Rutte II werd bijvoorbeeld nog over een geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd gesproken terwijl men een versnelling bedoelde.

Conclusies

Een van de zaken die economen in de loop van de tijd uit het oog hebben verloren zijn de ‘animal spirits’ waar Keynes het graag over had. In hun boek Animal Spirits (2010) laten Nobelprijswinnaars Akerlof en Shiller zien hoe belangrijk het is om het publieke sentiment te begrijpen. Een van die sentimenten slaat op het rechtvaardigheidsgevoel dat mensen hebben. Dat rechtvaardigheidsgevoel zou ook een grote rol kunnen spelen hoe de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd wordt beleefd. De facto komt het erop neer dat de huidige werkende generaties de aanpassingskosten moeten maken omdat in het verleden is verzuimd om de AOW-leeftijd aan te passen aan de toegenomen levensverwachting (zie ook Van Dalen et al., 2006). De consensus over het verhogen van de AOW-leeftijd heeft politieke partijen in slaap gesust en men vergat na te denken wat een ‘redelijke’ verhoging van de AOW-leeftijd had kunnen zijn. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Voetnoot:


[1] Bij de stemming in de Eerste Kamer gaven vooraf de SP en PVV stemverklaringen af waarin zij voluit tegen de versnelde verhoging, de PvdA en Groen Links stemden voor maar wel met de kanttekening dat men zorgen had voor de laagste inkomensgroepen en D66 was voluit voor omdat deze wetswijziging ook volledig overeenstemde met hun verkiezingsprogramma (zie EK, 19 mei 2015 ).

Referenties:

Akerlof, G. A., en Shiller, R.J., 2010,  Animal spirits: How human psychology drives the economy, and why it matters for global capitalism . Princeton University Press.

Ambachtsheer, K., 2014, Taking the Dutch pension system to the next level: a view from outside Toekomst voor aanvullende pensioenen, Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde , 17-45.

Dalen, H.P. van, F. W. A. van Poppel, en H. van Solinge, 2006, Langer leven, later met pensioen? Demos: bulletin over bevolking en samenleving 22.2 (2006): 9-13.

Henkens, K., H. van Solinge, M. Damman en E. Dingemans, 2016, Langer doorwerken valt nog niet meeDemos, 32 (2), 1-4.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2019 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik