Artikelen
Japanse crisisles: voorkom een zombie-economie
Jan Bouwens - 02 mrt 2009 - Financiële markten, Macro-economische politiek - 1330 keer bekeken - 3 reactiesWie de crisis wil bestrijden en wil weten hoe het niet moet kan zijn licht het beste opsteken bij Japan, aldus de Tilburgse econoom Jan Bouwens. Japan liet aan het begin van dit millennium een recessie achter zich die meer dan tien jaar duurde. De Japanse depressie nam zo veel tijd in beslag omdat banken verliesgevende bedrijven aanhoudend financierden. Particulier initiatief werd hierdoor gesmoord.
Zachte heelmeesters in crisistijden..
Begin jaren negentig daalden de Japanse prijzen van aandelen en grond met 60 respectievelijk 50 procent. De banken stonden toen voor een soortgelijk dilemma als banken nu wereldwijd staan: hun geld zit in insolvabele bedrijven, terwijl de waarde van het onderpand ver onder het hoofdbedrag van de lening duikt. Wat te doen?
De leningen vervroegd laten aflossen veroorzaakt pijn bij banken en bedrijven omdat er dan onmiddellijk grote verliezen aan het licht komen. Leningen als risicovoller dan voorheen aanmerken was onaantrekkelijk omdat de vermogenseisen volgens het Bazel I-akkoord dan op zouden lopen. Hiermee zou de leencapaciteit van de banken aangetast worden. Om elke pijn te mijden besloten de banken om de noodlijdende bedrijven te redden. Japanse banken gaven insolvabele bedrijven daartoe: opschorting van rentebetalingen, gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld, omzetting van schuld in eigen vermogen of aan bedrijven werden nieuwe leningen verstrekt. Het aandeel bedrijven dat door banken werd ondersteund steeg van 2% 1991 naar 16% in 1996. Uiteraard was de hoop van de banken erop gericht dat de comateuze bedrijven zouden ontwaken. Quod non! Vanaf midden jaren 90 bleken de leningen onhoudbaar en moesten alsnog enorme bedragen afgeschreven worden. Figuur 1 geeft een indicatie van de daarmee verbonden bedragen. Zo werd alleen al in 1996 104 miljard euro afgeschreven op leningen bij insolvabele bedrijven.
Figuur 1: Verliezen op leningen Japanse commerciële banken, 1994-2008

…maken een zombie-economie
De ongezonde bedrijven zagen hun verkoopprijzen verder eroderen terwijl de prijs van arbeid kunstmatig hoog werd gehouden omdat onproductieve bedrijven hun werknemers behielden. Gevolg was dat de markt waarin deze zombiebedrijven opereerden volledig verstopt raakte. Uiteindelijk moest de Japanse overheid de banken de facto overnemen. De daarmee gepaard gaande staatsteun verzwakte de economie nog verder omdat de overheid eigenaar werd van juist de banken die de ongezonde bedrijven hadden gesteund. Uiteindelijk moesten de belastingen worden verhoogd om de overheidsfinanciën te redden. De Amerikaanse economen Ricardo Cabellero Takeo Hoshi en Anil Kashyap (2008) verslaan deze ontwikkelingen en tonen in hun onderzoek “Zombie Lending and Depressed Restructuring in Japan” ook empirisch aan wat de effecten zijn van deze ondersteuning: een depressie die langer duurt dan noodzakelijk is.
Hoe gaat dat in zijn werk?
We gaan ervan uit dat bestaande bedrijven tegen een bedrag van 100 euro producten en diensten produceren. Daarnaast dienen zich toetreders aan die tegen 90 euro de zelfde producten en diensten kunnen voortbrengen. Wanneer de bestaande bedrijven geen ondersteuning krijgen is duidelijk wat gebeurt. De toetreders investeren waarbij bestaande bedrijven verdwijnen. Maar wat gebeurt er als bestaande bedrijven banksteun ontvangen? In dat geval lijken de zittende bedrijven tegen zeg 95 euro te produceren waardoor er minder toetreders hun inefficiënte productie kunnen overnemen. Het gevolg hiervan is dat er marktbederf optreedt want de verkoopprijs van de producten van de inefficiënte bedrijven zijn kunstmatige laag, terwijl de prijs van arbeid te hoog is. Onproductieve bedrijven ontslaan immers hun werknemers in lagere hoeveelheden zo lang de bank ze steunt. Een tweede effect is dat het geld maar een keer kan worden uitgeleend door de banken waardoor toetreders ook nog een financieringsprobleem hebben. Potentiële toetreders worden dus op twee manieren tegengehouden: (1) marktbederf doordat werknemers te duur blijven terwijl verkoopprijzen kunstmatig laag zijn en (2) ontzegging van krediet.
De effecten die inefficiënte bedrijven achter laten zijn in de werkelijkheid van de Japanse economie enorm geweest. Zowel de arbeid als de productiviteit leden aanzienlijk. Met name in de sectoren die op banksteun konden rekenen, zoals de detail- en groothandel, de zakelijke dienstverlening en de bouw, zien we het aantal banen afnemen. De afgeschermde sectoren bevatten bedrijven die hun producten voornamelijk op de Japanse markt aanbieden. Anderzijds gold voor de ongesubsidieerde bedrijven behorend tot de maakindustrie –elektronica en auto-industrie- een veel geringer banenverlies. We zien ook dat de creatie van banen het grootst is in de maakindustrie en het laagst in de afgeschermde sectoren. Tevens zien we de productiviteit in de beschermde sector dalen. Naarmate het percentage zombiebedrijven toeneemt van 2 naar bijna 20 procent, loopt de productiviteitgroei in deze sector terug van +2 naar – 5%!
Wat kunnen we leren van de Japanse recessie?
Banken en de overheid moeten niet in de verleiding komen inefficiënte bedrijven te redden. Van de recessie zal een louterende werking uitgaan doordat zieltogende bedrijven afvallen ten gunste van levensvatbare bedrijven en toetreders. We kunnen op basis van de Japanse crisis volgende aanbevelingen aan overheid en banken geven:
Niet verplicht krediet verstrekken
Banken moeten niet verplicht worden geld uit te lenen. Als de overheid al wil sturen dan zou zij erop moeten letten dat aan opkomende bedrijven leningen worden verstrekt. Maar ja, weet de overheid wat opkomende bedrijven zijn? De overheid kan zich het beste onthouden van ingrepen in het kredietbeleid dat banken voeren.
Steun geen stervende bedrijven
Centrale banken moeten erop toezien dat commerciële banken geen zieltogende bedrijven redden. Commerciële banken zouden we ervan willen weerhouden bedrijven te redden ter voorkoming van pijnlijke afschrijvingen op uitstaande leningen. Zo gauw commerciële banken op bedrijfstakniveau interestverplichtingen opschort of delen van leningen kwijtschelden moet de centrale bank de betrokken bankbesturen ter verantwoording roepen en een onderzoek instellen naar de onderliggende risico’s op uitstaande leningen. De onderliggende leningen zouden dan wel eens risicovoller kunnen blijken te zijn dan de commerciële bank wil doen vermoeden.
Hou vast aan sanering kredietportefeuille
Overname van banken door de overheid vergt sanering van de kredietportefeuille. Als banken moeten worden overgenomen door de overheid is het gevaar levensgroot dat de overheid het bankbeleid bewust of onbewust voortzet. Het probleem voor de overheid is op zo’n moment dat ontslagen binnen bedrijven meestal een massaal verloop laten zien, terwijl de banengroei zich meer geleidelijk manifesteert. De overheid maakt zich makkelijker populair door uit te leggen dat massaontslag werd voorkomen dan met de uitspraak dat door massaontslag toe te staan geleidelijke maar standvastige banengroei te verwachten is.
* Dit is een uitgebreide versie van een artikel dat in de Volkskrant van 2 maart 2009 is verschenen.
Referentie:
Caballero, R.J., T. Hoshi, en A.K. Kashyap. 2008. Zombie Lending and Depressed Restructuring in Japan. American Economic Review, 98(5): 1943–1977.
Citeer dit artikel als:
Jan Bouwens, 2009, "Japanse crisisles: voorkom een zombie-economie", Me Judice, jaargang 2, 2 maart 2009.
Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice
3 maart 2009 9:56 -
Piet Keizer
Wat ik begrijp uit de reactie is dat we – ook in moeilijke tijden – de marktdynamiek in stand moeten houden. Ik kan me daar zeker in vinden. Maar ik blijf wel vinden dat Japan in een andere situatie zat dan wij ons nu bevinden, namelijk in een mondiale depressie, en dat betekent dat ook bedrijven die tot voor kort zeer gezond waren, nu met dikke verliezen hebben te maken. Een flinke daling van de vraag - wat niet hetzelfde is als een geringere gevraagde hoeveelheid - kan binnen korte tijd het eigen vermogen sterk uithollen. En op dit moment zijn de financiele markten niet in staat om kapitaal te lenen aan bedrijven. Banken moeten het dus doen. Maar zij zitten zelf in de problemen. Dus een overheidsbank moet het daarom doen. Daar Nederland maar een kleine open economie heeft, moet de Europese Unie dit dus eigenlijk gaan doen. Op dat niveau zouden regels moeten worden ontwikkeld die het onderscheid maken tussen ‘gezonde’ en ‘ongezonde’ bedrijven. Uit het voorbeeld van het Nederlandse versus het Belgische bedrijf maak ik op dat solvabiliteit een kandidaat is om het verschil te maken. Het punt in mijn reactie was: gewoon kijken naar de actuele winstcijfers lijkt me niet adequaat. Dan zullen vele bedrijven bankroet gaan, terwijl er geen Belgisch bedrijf is, die de produktie en werkgelegenheid kan overnemen. Die is inmiddels ook failliet gegaan.
2 maart 2009 22:37 -
Jan Bouwens
Innovatief vermogen van bedrijven met eigen vermogen is groter
Als het gaat om de vraag of bedrijven wel of niet moeten worden gered, kunnen we het volgende zeggen. Bedrijven die totaal met eigen vermogen werden gefinancierd hebben een sterker basis dan bedrijven gekenmerkt door krediet. Laatstgenoemde bedrijven zijn kwetsbaarder. Neem AVR als voorbeeld. In 2006 nam CVC Capital Partners AVR over. Het bedrijf werd hoofdzakelijk gefinancierd met vreemd vermogen. Wat moet een bank doen die tegen een verliesgevend AVR aankijkt dat zijn rente niet kan betalen? We zouden geneigd zijn te zeggen: Redden. Maar wat nu als een Antwerps bedrijf de activiteiten kan uitvoeren van AVR en dit bedrijf geen problemen heeft aan de financieringsovereenkomst te voldoen? Moeten we dan AVR redden en de Antwerpse concurrent de toegang tot Nederland ontzeggen? We zouden wederom geneigd zijn ja te antwoorden als AVR de diensten goedkoper levert dan de Antwerpse concurrent. Maar AVR heeft een onmogelijke financiering waardoor elke negatieve omzetbeweging of kostenstijging de onderneming in gevaar kan brengen. Dit maakt het erg onwaarschijnlijk dat het bedrijf kan experimenteren om te vernieuwen. De concurrent kan wel experiment waarmee een eventuele achterstand op AVR snel kan worden ingehaald. De verwachte toekomstige winstgevendheid van AVR zal daardoor naar verwachting achter blijven bij de concurrent die wel met eigen vermogen werd gefinancierd. Een kapitaalinjectie door de bank kan dan uitblijven terwijl het effect gelijk is. Bedrijven die hun verplichtingen niet na kunnen komen omdat ze zijn geconfronteerd met krimp, moet steun worden onthouden opdat bedrijven met een gezonder financiering hun plaats in kunnen nemen. Laatstgenoemde bedrijven hebben dankzij het aanwezige eigen vermogen de mogelijkheid om negatieve bewegingen op te vangen en ook te innoveren om de toekomst zeker te stellen. Brown et. al. (2009) laten zien dat eigen vermogen en zelf gegenereerde cash flow in belangrijke mate R&D investeringen uit de jaren negentig verklaren. Kapitaal dat de banken overhouden door noodlijdende bedrijven failliet te laten gaan, kan dan besteed worden aan bedrijven met een sterke eigen vermogensbuffer. Mogelijke toetreders en meer efficiënte blijvers worden hiermee beloond voor hun prudentie.
Brown, J., S. Fazzari, and B Petersen, Financing Innovation and Growth: Cash Flow, external Equity, and the 1990s R&D Boom, The journal of finance vol. lxiv, no. 1, February 2009
Jan Bouwens- 2 maart 2009 10:53 -
Piet Keizer
De Japanse economie bleef in de jaren negentig erg lang in een depressie steken, terwijl haar internationale omgeving zich niet in een depressie bevond. Jan Bouwens geeft een plausibele verklaring voor dit fenomeen.Echter is de vraag welke les we daaruit kunnen trekken voor de actuele situatie. De mondiale economie laat een forse vraaguitval zien. De westerse economieen zijn de laatste decennia zeer gezond geweest (statistieken laten een structurele stijging van het winstinkomen zien voor de OECD-landen). De empirische indicatoren van winst en produktiviteit helpen ons nu niet om de ongezonde bedrijven van de gezonde te scheiden. Moeten in een dergelijke situatie banken - om hun eigen problemen op te lossen - nu-verliesgevende bedrijven aanschrijven en hun leningen opzeggen? Een louter microeconomische benadering heeft niet het vermogen om een typisch macro-fenomeen te analyseren en op waarde te schatten. Dat betekent dat een louter micro-economische redenering tot verkeerde beleidsadviezen leidt. Kort geleden trok Harry Garretsen in een mejudice bijdrage de geschiedenisles dat de dip 2-3 jaren zal duren. Jan Luiten van Zanden trok de geschiedenisles dat de Nederlandse overheid de neiging heeft om de vorige crisis aan te pakken Met andere woorden: nu moeten we keynesiaans zijn!. Nu weer een les - anders en strijdig i.vgl.m. de voorgaande lessen. Naar mijn oordeel kan de geschiedenis alleen dienen om onze interpretaties van de werkelijkheid te toetsen en aan te scherpen. Daarbij blijft dan de hoofdvraag: hoe komt het dat eenzelfde werkelijkheid zoveel verschillende interpretaties oplevert? Voorlopig antwoord: omdat het empirische deel van de werkelijkheid onvoldoende in staat is op als scherprechter op te treden.



ShareThis




