Artikelen
Een agenda voor hervorming van de arbeidsmarkt
Pieter Gautier, Bas van der Klaauw - 24 jun 2010 - Arbeidsmarkt - 1113 keer bekeken - 4 reacties Het grote aantal zelfstandigen dat het bijna zonder sociale zekerheid moet redden laat zien dat de arbeidsmarkt ongewenste wegen baant als het beleid zich niet tijdig aanpast. Het is tijd voor een hervorming van de overheidsregels voor de arbeidsmarkt, stellen de Amsterdamse hoogleraren economie Pieter Gautier en Bas van der Klaauw. Het grote overheidstekort vormt hiervoor een goede aanleiding: een beter functionerende arbeidsmarkt is een relatief pijnloze manier om de openbare financiën te verbeteren. De belastinginkomsten gaan omhoog, uitkeringskosten omlaag en de productiviteit stijgt omdat mensen sneller terecht komen op de plekken waar ze het meest nodig zijn.
Problemen op de Nederlandse arbeidsmarkt
Ten opzichte van andere westerse economieën scoort Nederland nog goed. De werkloosheid is laag, in het bijzonder onder jongeren, maar daar staat tegenover dat de langdurige werkloosheid relatief hoog is en dat de arbeidsparticipatie van ouderen nog steeds laag is. Ook de arbeidsparticipatie onder vrouwen is niet zo hoog als bijvoorbeeld in de Scandinavische landen en veel vrouwen werken in deeltijd. De afgelopen jaren is het aantal zzp-ers erg snel toegenomen en steeds vaker zitten zzp-ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Ten slotte zitten er veel mensen in de WAJong (arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jongeren) en dit zullen er in de toekomst alleen maar meer worden.
Ontslagbescherming
Vergeleken met andere OESO landen is het in Nederland relatief kostbaar om mensen te ontslaan. Dit komt voornamelijk door allerlei procedurele kosten. Waarschijnlijk is dit ook de oorzaak van het snel stijgend aantal zzp-ers. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt ontstaat hierdoor een kwetsbare groep, omdat zzp-ers nauwelijks gedekt worden door sociale zekerheid. Het uitbreiden van sociale zekerheid, zodat ook zzp-ers hierop aanspraak kunnen maken is echter symptoombestrijding. Het is veel beter om de kwaal (de strikte ontslagbescherming) aan te pakken. Een illustratief voorbeeld van wat de gevolgen van strikte ontslagbescherming doet met een arbeidsmarkt is Spanje. Spanje heeft een duale arbeidsmarkt, aan de ene kant zijn er de permanente banen die extreem goed beschermd zijn terwijl vooral jongeren aangewezen zijn op banen met tijdelijke contracten die in tijden van crisis alle klappen opvangen. De jeugdwerkloosheid in Spanje is inmiddels opgelopen tot 40 procent.
Het beperken van de ontslagbescherming zorgt er voor dat bedrijven meer risico zullen nemen bij het aannemen van werknemers. Ook kwetsbare groepen (de outsiders) zullen zo meer kansen op de arbeidsmarkt krijgen. Dit verkleint de langdurige werkloosheid, die in Nederland traditioneel hoog is (als fractie van het aantal werklozen). Tot slot remt ontslagbescherming vooral baancreatie in innovatieve en risicovolle sectoren, zie Bartelsman, Gautier en de Wind (2010).
Dus beperk de ontslagvergoeding en maximaliseer deze bijvoorbeeld op drie maanden loon van de werknemer. Het extra belasten of maximeren van de enorme vertrekpremies in de top van het bedrijfsleven is ook een goed idee. Een falende manager zoals bij BP moet weggestuurd kunnen worden zonder dat dat miljoenen kost. Hoge vertrekpremies werken nog verstorender dan hoge bonussen. Ook is het wenselijk om de ontslagvergoeding in mindering te brengen op de uitkering van de werknemer. Dit is de ideale manier om mensen die werkloos dreigen te worden te stimuleren om snel werk te vinden. Nu is het nog erg aantrekkelijk om te wachten op daadwerkelijk ontslag voordat actie wordt ondernomen om nieuw werk te vinden. Tot slot zouden de procedures moeten worden versimpeld, zeker als het om regulier ontslag gaat. Vanzelfsprekend moeten werknemers wel beschermd blijven tegen opportunistisch gedrag van werkgevers die bijvoorbeeld klokkenluiders of kritische werknemers willen ontslaan.
Hoge maar korte uitkeringen
Er bestaat overtuigend bewijs uit empirisch onderzoek dat de periode van werkloosheid langer duurt naarmate de uitkeringduur langer is (zie bijvoorbeeld Lalive, 2008). Het beperken van de maximale WW-duur lijkt dus effectief beleid om langdurige werkloosheid tegen te gaan. Omdat in een normale arbeidsmarkt ongeveer 50 procent van de instromers in de WW binnen 16 weken werk vindt, lijkt een maximale ww-duur van een jaar voldoende. Met een beperking van de ontslagbescherming is de huidige hoogte van de uitkeringen geen probleem. Wel is het verstandig om hoge uitkeringen te koppelen aan streng beleid. Dus verplicht werklozen om meer te solliciteren en leg strafkortingen op de uitkering als werklozen zich onvoldoende inspannen om een baan te vinden. Abbring, Van den Berg en Van Ours (2005) geven empirisch bewijs dat strafkortingen op de uitkering de werkhervatting stimuleert van zowel WW-ers als bijstandgerechtigden. Recente empirische studies laten zien dat zelfs voor ouderen de verplichting om te solliciteren tot een significant snellere werkhervatting leidt (zie Bloemen, Hochguertel en Lammers, 2010).
Voor werknemers in de publieke sector bestaan nog steeds allerlei bovenwettelijke regelingen die uitkeringen verhogen, maar vooral de uitkeringduur sterk verlengen. Het ligt voor de hand om deze regelingen zo snel mogelijk af te schaffen zodat dezelfde prikkels gelden voor werknemers uit de publieke sector als voor werknemers in de private sector.
Verhoog de AOW-leeftijd
Gemiddeld ging de Nederlandse man eerder met pensioen dan de Griekse man bleek uit recente OESO cijfers, zie OESO (2010). Tegenstanders claimen dat nu nauwelijks iemand tot 65 werkt. Veel ouderen hebben echter zelf voldoende financiële mogelijkheden om twee of drie jaar te overbruggen tussen stoppen met werk en de start van het pensioen/AOW. Echter het afschaffen van de fiscale voordelen van het vroegpensioen heeft er al voor gezorgd dat de arbeidsparticipatie onder ouderen is toegenomen. Dat betekent dus dat financiële prikkels belangrijk zijn bij de uittredingsbeslissing. Het verhogen van de AOW zal er dus toe leiden dat mensen langer door werken. Het invoeren moet gefaseerd gebeuren, maar het is belangrijk om niet te laat te beginnen. De last van de vergrijzing komt anders volledig op de schouders van de jongere generatie terecht en kan een probleem worden voor de solidariteit tussen generaties.
Overdraagbaarheid van heffingskortingen en kinderopvang
De arbeidsparticipatie onder vrouwen is de afgelopen jaren toegenomen maar wordt nog steeds gefrustreerd door beleid. De overdraagbaarheid van de heffingskortingen (aanrechtsubsidie) zorgt er nog steeds voor dat voor sommige vrouwen werk niet loont. Bosch en Van der Klaauw (2009) laten zien dat de arbeidsparticipatiebeslissing van vrouwen wel degelijk afhankelijk is van financiële prikkels. Daarnaast wordt het tijd om de tegemoetkoming voor kosten in de kinderopvang volledig conditioneel te maken op het daadwerkelijk werken van beide partners. Investeren in de kwaliteit van kinderopvang kan ook geen kwaad. Zeker in vergelijking met de Scandinavische landen waar het arbeidsaanbod van vrouwen veel hoger is, is de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland erg laag.
Eigenlijk geldt het bovenstaande voor alle inkomensafhankelijke subsidies en premies. Deze creëren net zoals de overdraagbaarheid van de heffingskortingen een armoedeval aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt werkt daarom veel efficiënter als inkomenspolitiek loopt via de belastingschijven.
WAJong
Momenteel zijn er 170,000 mensen met een WAJong uitkering. De verwachting is dat dit aantal zal stijgen tot 400,000 in 2025. Dat is veel te veel. Er zit nog voldoende arbeidspotentieel in de WAJong. Niet alleen zal kritisch moeten worden gekeken naar de instroom in de WAJong, maar het is ook belangrijk dat mensen met een lichte handicap gestimuleerd worden om mee te doen aan het arbeidsproces.
Activerend arbeidsmarktbeleid
In Nederland wordt relatief veel geld uitgegeven aan activerend arbeidsmarktbeleid. Van veel programma’s die hieronder vallen is nauwelijk bekend wat de effectiviteit is. En de programma’s waarvoor wel iets bekend is, blijken vaak geen positief effect te hebben (zie Van der Klaauw, 2010). Een kritische blik op de uitgaven aan activerend arbeidsmarktbeleid is daarom vereist.
Minimumloon
Het minimumloon lijkt in Nederland weinig problemen te genereren. Een te hoog minimumloon genereert structurele werkloosheid omdat de productiviteit van sommige individuen lager is dan het minimumloon. In vergelijking met andere OESO landen is de werkloosheid en met name de jeugdwerkloosheid echter laag. Dat duidt erop dat er nog geen urgente aanleiding is om het minimumloon te verlagen.
Een hoog minimumloon hoeft ook niet tot veel baanverlies te leiden als werkgevers aan de onderkant van de arbeidsmarkt relatief veel onderhandelingsmacht hebben. In dat geval kan het zelfs de participatie verhogen. Een hoog minimumloon heeft echter ook het risico dat werkgevers dat zullen proberen te vermijden, bijvoorbeeld door mensen in een zzp-constructie te laten werken in plaats van via een regulier arbeidscontract.
Conclusie
De Nederlandse arbeidsmarkt is de afgelopen jaren al veel dynamischer geworden. Werknemers veranderen steeds vaker van baan en de baan voor het leven bestaat nauwelijks meer. De Nederlandse instituties lopen echter nog ver achter bij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Dat heeft geleid tot onwenselijke uitkomsten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de zzp-ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt die nauwelijks gedekt worden door enige sociale zekerheid. Het wordt daarom tijd om de instituties te moderniseren. Dat betekent niet alleen dat politieke partijen hun oude dogma’s achter zich moeten laten, maar ook dat vakbonden zich constructief moeten opstellen. Dit zal leiden tot een meer dynamische arbeidsmarkt waarin er meer banen komen en minder mensen afhankelijk zijn van sociale zekerheid. In een dynamische arbeidsmarkt worden werkgevers gedwongen goed voor hun werknemers te zorgen omdat deze anders snel weer vertrekken en wordt de“last” van het werkloos zijn niet bij een kleine groep gelegd. Als de overheid zorgt voor de juiste instituties, dan worden alle partijen daar beter van.
Referenties:
Abbring, J.H., G.J. van den Berg, en J.C. van Ours (2005), The Effect of Unemployment Insurance Sanctions on the Transition Rate from Unemployment to Employment, Economic Journal , 115 (2005), 602–30.
Bartelsman, E.J., P.A. Gautier en J. de Wind (2010) ,Ontslagbescherming en houdbare overheidsfinanciën, ESB, 95 (4586).
Bloemen, H., S. Hochguertel en M. Lammers (2010), The effect of job search requirements for the older workers, Vrije Universiteit, Mimeo.
Bosch, Nicole en Bas van der Klaauw, 2009, Analyzing female labour supply evidence from a Dutch tax reform, CEPR Discussion Paper 7337.
Klauw, Bas van der, Minder uitgeven aan re-integratie werklozen is geen ramp, Me Judice, jaargang 3, 15 maart 2010.
Lalive, R. (2008), How do extended benefits affect unemployment duration? A regression discontinuity approach, Journal of Econometrics 142, 785—806
OESO (2010), Economic Survey of the Netherlands, Parijs.
Te citeren als:
Pieter Gautier en Bas van der Klaauw, “Een agenda voor hervorming van de arbeidsmarkt”, Me Judice, jaargang 3, 24 juni 2010.
Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice
- 8 juli 2010 15:10 -
R Pal
@Bas van der Klauw
1. Dank u voor uw reactie.
2. Ik denk dat u met het AOW voorbeeld mogelijk wel het grootste probleem aansnijdt. De nationale discussie lijkt zich meer de focussen op Pensioen en participatie van mn Vrouwen, maar dat lijkt mij toch meer een achterhoede gevecht.
Mensen met een uitkering zijn veel duurder dan mensen die weliswaar niet of beperkt werken, maar geen uitkering hebben. Dit probleem oplossen levert 2 voordelen op meer opbrengsten (en dekking potentiele arbeidsmarkttekorten) en minder kosten.
De WAO ed is natuurlijk nog steeds een gedrocht, je kunt in het buitenland niemand wijsmaken dat in NL (op momenten) meer dan 10% invalide is, met een van de gezondste bevolkingen ter wereld.
De Wajong lijkt er imho op te wijzen dat het WAO-probleem nog steeds niet onder controle is. Zoals u ook meldt.
3. Aangezien over deze groep maar heel weinig wordt gediscusieerd lijkt het er wat op dat er weer een groep permanent uitgeslotenen wordt gecreeerd.
4. Onderkant van de arbeidsmarkt.is volgens mij een veel structureler probleem dat je met versoepeling maar heel beperkt zult opvangen. In de US zijn de inkomsten hier de laatste 10 jaat 30-40% afgenomen en dat gaat mi ook in Europa gebeuren of er komt een gigantische aanwas van structureel werklozen. - 29 juni 2010 11:29 -
Bas van der Klaauw
Bij deze een korte reactie op de twee reacties op ons stuk. We beweren niet dat het droevig gesteld is met de Nederlandse arbeidsmarkt. Nederland heeft de afgelopen jaren goed gepresteerd en staat er momenteel in vergelijking met andere landen goed voor.
De recente geschiedenis laat wel zien dat instituties vaak achter arbeidsmarktuitkomsten aan lopen. Het belangrijkste voorbeeld is waarschijnlijk de WAO, waarbij eerste een aantal keer bijna de grens van 1 miljoen uitkeringsontvangers moest worden bereikt voordat er echt ingegrepen werd. Ik denk dat in sommige gevallen instituties wel wat sneller aangepast kunnen worden. Wij geven in ons stuk aan waar wij denken dat instituties verbeterd kunnen worden.
Ik zie huizen (en auto's) toch voornamelijk als consumptie, al ben ik het met Merijn Knibbe eens dat er ook andere aspecten aan zitten. Een eigen huis is een investering en maakt het vaak makkelijker om geld te lenen. Maar ik zie niet helemaal waarom het belang van thuisproductie aan de waarde van duurzame consumptiegoederen zou moeten gerelateerd. - 25 juni 2010 15:58 -
R Pal
Een gedegen verhaal zoals de heer Kribbe opmerkt en ook een gedegen reactie van de heer Kribbe overigens.
1. Nederland heeft gelukkig de relative luxe dat het er eigenlijk in vergelijking met veel zo niet de meeste andere landen heel behoorlijk voorstaat. Dat moet mi niet betekenen dat het op de lauweren gaat rusten, maar dat het tijd heeft de nodige maatregelen goed te overdenken en niet in allerhande noodscenario's zoals in Zuid-Europa verzeilt hoeft te raken.
2. Ik zie mn 4 aandachtpunten:
a.-flexibilisering (zoals ruim besproken).
b.-activerend arbeidsmarktbeleid. Dit is imho nu rampzalig. Er moet iets gebeuren om deze steeds groter wordende groep niet structureel buiten de boot te laten vallen.
c.-minimumloon. De laagstbetaalden zijn veel te duur om te kunnen concurreren op de wereldmarkt. Er zal steeds meer werk worden overgeheveld naar goedkopere landen. Alleen geografisch gebonden werk in deze loongroep zal overblijven.
d. daarnaast veel 'verborgen' werkloosheid in andere regelingen (teveel uitkeringen dus). Dit zorgt internationaal voor een heel hoge feitelijke belasting-/premie-druk. Of dit erg lang kan worden volgehouden is op zijn minst een punt van discussie.
3.Mn ook omdat de groep kansarme immigranten daarin sterk oververtegenwoordigd is. U spreekt van solidariteit tussen generaties, maar die tussen sociaal-econ. groepen is natuurlijk een veel groter vraagteken. Iedereen wordt oud en de meeste mensen hebben nog ouders, maar weinig goedverdieners kennen veel slechtverdieners.
Nog belangrijker is mi dit tussen diverse etnische groepen. In NL is bij een groot gedeelte van de bevolking de solidariteit met kansarme immigranten en dan vooral het Islamitische gedeelte daarvan erg laag of totaal afwezig. Als deze groep steeds kansarmer wordt aangezien de matschappij waarschijnlijk steeds hogere opleidingseisen gaat stellen en daarnaast nog de nodige andere spanningen, is dat nu al een serieus probleem. Mensen die het over kopvodden en tentkleding hebben zullen imho weinig of geen solidariteit met deze groepen voelen.
Een oplossing zou kunnen zijn voor b. en c. (falend actief integrerend beleid (arbeidsmarkt) en hoogte minimumloon) en ook vwb participatie van immigranten op de arbeidsmarkt.
(Het lijkt mij als het enigzins kan beter om inkomsten onder minimumloon niveau te vermijden, ook om andere sociale problemen te vermijden), maar bijvoorbeeld langdurige werklozen een lager min. loon geven (eventueel aangevuld met een uitkering) lijkt mij nog niet zo'n slechte oplossing. Voorkomt denk ik ook wegvloeien van dit soort banen.
De ervaring in de US laat zien dat er heel wat banen zo bijkomen. McDonald-banen, maar beter voor de maatschappij veel McDonaldbanen dan veel uitkeringen. - 24 juni 2010 19:42 -
Merijn Knibbe
Beste Pieter en Bas,
een gedegen verhaal. Ik wil er toch graag een vraag bij stellen: als het zo droevig gesteld is met de institutionele kant en de dynamiek van de Nederlandse arbeidsmarkt hoe verklaren we dan dat de banengroei in Nederland tussen 1980 en 2010 van alle OESO landen met in 2000 meer dan 4 miljoen banen vijwel het hoogst is geweest (en het verschil van 2% met Zuid-Korea is eigenlijk niet significant), zie tabel 1. Let ook op Spanje en Polen! Opvallend is op basis van de OESO gegevens de daling van het aantal banen na 2000 in bijvoorbeeld de V.S. en Japan. Ook in de periode 1960-1980 deed Nederland het in Europees perspectief trouwens erg goed, hoewel de 'western offshoots' destijds wel veel beter presteerden dan wij.
Tabel 1. Index van het aantal banen in OESO-landen in 2008 op basis van 1980 = 100. Bron: OESO, Bureau of Labor Statistics.
Polen 91
Zweden 109
Italie 112
Japan 115
Verenigd Koninkrijk 116
Belgie 120
Frankrijk 120
Portugal 125
Turkije 133
Griekenland 138
Zwitserland 142
Verenigde Staten 143
Canada 155
Spanje 166
Australie 170
Nederland 170
Zuid-Korea 172
Verder nog een inhoudelijk punt: de helft van de waarde van de Nederlandse kapitaalgoederenvoorraad bestaat uit de waarde van woningen. Wanneer we daar, wat eigenlijk zou moeten, ook nog eens de waarde van auto's in bezit van huishoudens en de inventaris van huizen bij op zouden tellen (wat in het V.K. en de V.S. wel gebeurt, zij het niet in het kader van de Nationale Rekeningen) dan zou blijken dat verreweg het grootste deel van de Nederlandse kapitaalgoederenvoorraad wordt ingezet voor wat Pieter 'thuisproductie' noemt. Is het werkelijk altijd maar weer wenselijk arbeid vanuit de thuisproductie naar de monetaire sector te 'prikkelen'? Of geeft de relatief zeer grote hoeveelheid kapitaal die voor thuisproductie wordt ingezet juist aan dat daar veel van de werkelijke prioriteiten van de Nederlandse bevolking liggen?
En ook nog een persoonlijke anekdote over de 'starheid' van de Nederlandse arbeidsmarkt. Begin jaren tachtig studeerde ik in Groningen. Via de ASA (Algemeen Studenten Arbeidsbureau) had ik een baantje bij de melkfabriek. De eerste keer dat ik daar moest werken klaagde mijn baas bij mijn aankomst dat het wel anderhalf uur geleden was dat hij gebeld had en dat er nu pas iemand was. Ik vertelde ik dat ik laat was wegens een lekke band (de wat beschamender werkelijkheid was overigens dat ik te laat was omdat Groningen destijds twee melkfabrieken had...). Waar het om gaat: volgens de lessen die ik volgde was de Nederlandse arbeidsmarkt star en inflexibel. Mijn werkgevers gingen er kennelijk echter - en terecht - vanuit dat in ieder geval bepaalde soorten van arbeid totaal flexibel inzetbaar waren. De economen die mij les gaven waren kennelijk toch althans een tikkeltje bijziend - een aandoening die je, zoals we allen weten, krijgt van te veel in je bureaustoel zitten. Er zijn in Nederland inderdaad grote starheden op de arbeidsmarkt - probeer maar eens iemand met een vaste baan in het hoger onderwijs te ontslaan. Maar dat hoeft dynamiek niet tegen te houden. Naast de starheden is er nu ook al sprake van elementen van grote flexibiliteit, net zoals dat in de jaren tachtig al het geval was. Tussen 2004/2005 en 2007/2008 steeg het aantal mensen dat van beroep veranderde, volgens het CBS, van 600.000 naar bijna 900.000. Een niet onaanzienlijke stijging, vind ik zelf, die blijkt geeft van een aanzienlijke dynamiek op de arbeidsmarkt (CBS, 'Minder mensen van beroep veranderd in 2009', webmagazine 21 juni 2010). Overigens daalde dit aantal in het crisisjaar 2008/2009 weer tot 773.000 (maar ook dat is nog bijna 10% van de beroepsbevolking).
Samenvattend: Nederland heeft de afgelopen jaren echt buitenmodaal gepresteerd als het op extra banen (en dus op arbeidsmarktparticipatie) aankomt. En het valt te bestrijden dat de Nederlandse arbeidsmarkt volstrekt sclerotisch, suf en verkalkt is. Daarnaast zijn we het natuurlijk allemaal eens met professor Heertje dat er naast de monetaire sector van de economie en naast markttransacties (gedefinieerd als een situatie waarin mensen, vanuit een gegeven insititutionele situatie, inkomens en bezit, voorafgaande (!) aan een transactie althans ten dele expliciete afspraken maken over prestatie en tegenprestatie) ook nog een andere economie is (nogmaals: meer dan de helft van onze kapitaalgoederenvoorraad wordt ingezet in deze andere economie). En dat we er daarom voor moeten waken alle priorteit te geven aan de markteconomie - en helemaal aan het laten voldoen van de 'reeel bestaande markteconomie' aan de normen van vaak iterst beperkte economische modellen. Is het echt een goede zaak als, wat steeds meer gebeurt, de kinderen met de taxi naar school of van school naar de BSO worden gebracht?
Merijn Knibbe



ShareThis




