De economische magie van de Olympische Spelen

De economische magie van de Olympische Spelen image

Afbeelding ‘Olympic Stadium Main Entrance’ van IK's World Trip (CC BY 2.0)

25 jul 2008 | | 14985 keer bekeken
De Olympische Spelen in Bejing kosten 20 tot 30 miljard dollar en de vraag is of die investeringen zichzelf terugverdienen. De opbrengst lijkt op het oog in een economische groei-impuls te schuilen maar dat is toch in hoge mate schijn. De echte economische magie van Olympische spelen schuilt in de functie van aanjager van investeringen in infrastructuur en het creëren van een brede sportcultuur.

In Beijing beginnen op 8 augustus aanstaande de Olympische Zomerspelen. De Zomerspelen zijn, met het WK Voetbal, het grootste internationale meerdaagse sportevenement en trekken derhalve wereldwijde aandacht. De organisatie van de Zomerspelen is een kostbare zaak geworden; schattingen van de kosten van de Spelen in Beijing lopen tussen de 20 en 30 miljard US dollar uiteen. Dit grote bedrag leidt tot de vraag of het economisch gezien verantwoord is om als land de Spelen te organiseren of dat het meer gaat om de spreekwoordelijke eer of het oppoetsen van een imago. In Nederland is deze vraag de laatste jaren ook weer actueel, nu NOC*NSF een plan gelanceerd heeft om de Zomerspelen in 2028 naar Nederland te halen.

Extra economische groei?

Economische lessen uit het verleden van de Olympische Spelen laten een gemengd beeld zien. De edities van de Zomerspelen in München, Montreal en waarschijnlijk ook Moskou waren bedrijfseconomisch gezien geen succes. Het animo om de Spelen te organiseren zakte in de jaren zeventig van de vorige eeuw dan ook tot een minimum. De kentering kwam met de particulier uitgevoerde editie van Los Angeles in 1984. Sinds die editie zijn de Spelen weer winstgevend en hebben zij een positieve uitstraling op de organiserende stad en regio en in een enkel geval op de ontwikkeling van het land. Sinds 1960 hebben landen die de organisatie van de Zomerspelen op zich genomen hebben gemiddeld een tijdelijke bovennormale groei van 1 à 2 procent-punt laten zien in een raam van ongeveer 6 jaar rond het jaar van organiseren. Hierbij dient opgemerkt te worden dat achter deze groei-injectie een selectie-effect schuil gaat, omdat landen met betere economische vooruitzichten zich in het verleden ook eerder kandidaat als organisator gesteld hebben. Dit zijn vaak landen geweest die, net als China nu, in een periode van economische opleving aanbeland waren; denk aan Japan in 1964, Korea in 1988 en Spanje in 1992. Voor landen als de Verenigde Staten geldt dat de nationale invloed van de Spelen, gegeven de omvang van de economie, uiteraard minder groot is.

De bron van economische magie

Waar zit dan de economische magie van de Spelen in? Het is dan goed om twee deelproblemen te onderkennen: wat gebeurt er tijdens het evenement zelf en wat zijn de opbrengsten buiten die 16 Olympische dagen? De opbrengsten tijdens het evenement zijn tegenwoordig ruim kostendekkend. De inkomsten uit met name TV-rechten en reclame zijn zo groot dat ticketverkoop tot echte winst kan leiden. Het toerisme leidt ongetwijfeld ook tot meer lokale bedrijvigheid. Maar de totalen van de toeristenomzet tijdens de Spelen wegen niet op tegen de investeringskosten. Investeren gaat tegenwoordig volgens het erfenisprincipe van het IOC: er dient iets nuttigs achtergelaten te worden als het gaat om het hergebruik van de Olympische faciliteiten.

Aanjager investeringen infrastructuur

Het lijkt belangrijker dat sommige steden of stedelijk gebieden de organisatie van de Spelen benutten om die grote projecten (bijvoorbeeld stadsvernieuwing en nieuw metrosysteem) een extra impuls te geven. Een belangrijk voorbeeld is Barcelona, waar men na 1992 de boulevardregio weer een nieuw leven ingeblazen heeft. Ook kan een architectonisch hoogtepunt, zoals het Vogelnest-stadion in Beijing, tot een blijvend grotere stroom toeristen leiden. Dus het grote belang voor China is, naast de public relations van het goed volbrengen van de organisatie, het aanleggen van een goede infrastructuur in Beijing, het leren leven naar de Olympic legacy (alle schoolkinderen krijgen les in de geschiedenis van de Olympische Spelen), en het op gang brengen van een grotere toeristenstroom.

…en brede sportcultuur

Nog belangrijker dan de Olympische winstgevendheid lijkt de rol van de sportcultuur te zijn. Dit geldt niet alleen voor de periode na afloop van de Spelen, maar ook voor de bieding om de Spelen te mogen organiseren. Landen die de Spelen willen organiseren, moeten zich in grote meerderheid achter de organisatie scharen en het IOC onderzoekt zelf of dit ook daadwerkelijk zo is. Ook dient sport in een zekere Olympische breedte beoefend te worden. Nederland dient zich voor een succesvolle bieding in 2021 voor de Spelen van 2028 meer als sportland te ontwikkelen om kans te maken. Het falen van de 1992 bieding in de jaren tachtig om de Spelen naar Amsterdam te halen, mede door het initiatief van Saar Boerlage, ligt nog altijd vers in het geheugen en moet voorkomen worden. Wat betreft dit onderdeel dient men te beseffen dat sport een steeds belangrijkere positie in onze samenleving inneemt. In Nederland zijn er bijvoorbeeld ruim 27 duizend sportverenigingen, bijna twee miljoen mensen lid van een fitnessclub en ruim 1,5 miljoen mensen vrijwilliger in de sport (zie Ministerie van Economische Zaken, 2008). De bijdrage van sport in 2007 aan het bruto binnenlands product bedroeg een ruime 2,5 procent en was goed voor 118 duizend fte’s aan werkgelegenheid. Ook in termen van aandacht is sport ruim bedeeld: meer dan 15 procent van de ruimte in grote kranten wordt besteed aan sportonderwerpen. Nederland staat hier niet alleen in: in alle ontwikkelde economieën is de vraag naar vrije tijd gestegen en heeft de stijging van de arbeidsproductiviteit een nadere arbeidsspecialisatie en werkverdeling sportbeoefening steeds beter mogelijk gemaakt. Sporteconomie is op dit gebied arbeidseconomie: de arbeidsspecialisatie staat meer professionele sportbeoefening toe en hierdoor worden ook successen in de sport kansrijker. Sportsuccessen hebben op hun beurt weer invloed op de omvang van de sportbeoefening en in een enkel geval zelfs tijdelijk op de economische ontwikkeling via bijvoorbeeld een teneming van het consumentenvertrouwen (een fraai voorbeeld is de Franse economie tijdens en net na het succesvolle WK voetbal in 1998). Belangrijk in dit verband is dat de invloed van topsport door vooral de commercialisering van TV-rechten op processen in de samenleving vele malen groter geworden is dan voorheen.

Met Hollandse zakelijkheid kom je er niet

Maar toch mist er wat in de Nederlandse sportcultuur om gelijk Olympisch succesvol te zijn. We zijn vooral enthousiast over successen in het voetbal en schaatsen, maar niet in de volle sportbreedte. Misschien komt dit door de geringe rol die sport in het basis- en middelbaar onderwijs speelt. Sport wordt nog steeds als vermaak gezien en slechts mondjesmaat als investering. Investeringen in sport zijn investeringen in de gezondheid van de samenleving, in nutsverhogende besteding van vrije tijd en wellicht ook in het verhogen van de groei van de arbeidsproductiviteit en economische groei. Het is wellicht een idee dat sport dezelfde financiële aandacht als cultuur in de Rijksbegroting krijgt. Dat laatste heeft het in China al lang gekregen: we wachten in spanning af of China het medailleklassement gaat winnen.

Referentie:

Ministerie van Economische Zaken, 2008, De Economische Betekenis van Sport in Nederland, Den Haag.

Te citeren als

Elmer Sterken, “De economische magie van de Olympische Spelen”, Me Judice, 25 juli 2008.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.