Mijn economiemuseum

Mijn economiemuseum image

Afbeelding ‘'Rembrant is Watching'’ van Chris Ford (CC BY-NC 2.0)

26 jan 2016 |

'Volksfilosoof' Bas Haring gaat op Me Judice de komende tijd zijn licht werpen op de wondere wereld van economie. Gedreven door nieuwsgierigheid en behept met een scherpe blik probeert hij als buitenstaander de inzichten die de economische wetenschap tot dusver heeft opgeleverd te doorgronden en voor een breed publiek inzichtelijk te maken. Het idee is om een museum met economische inzichten in te richten. In deze eerste bijdrage legt hij zijn motivatie en eigen spelregels uit.

Leren over economie

Het liefst had ik gezien dat er een echt economiemuseum kwam. Daar is er in de wereld slechts één van. In Mexico-Stad. Er zijn wel geld-musea. Tientallen zelfs. Maar ik heb slechts één museum kunnen vinden dat bezoekers uitlegt over markten, welvaart, prijzen, werkloosheid enzovoort. Een economiemuseum is voor nu en voor mij, als buitenstaander, misschien wat te hoog gegrepen. Maar ik hoop wel dat ik met deze tekst en vooral met de hierop volgende teksten, plus filmpjes, illustraties, spelletjes en wat al niet, een kleine opmaat kan vormen voor zo'n toekomstig museum. Een digitaal, of virtueel museum. Waar mensen kunnen leren over wat economie is, en vooral over wat de economische wetenschap voor hen kan betekenen.

Ikzelf ben, zoals ik al zei, een buitenstaander. Ik ben filosoof en ik heb zelfs op de middelbare school nog nooit een les economie gehad. Indertijd kon ik economie pas kiezen in de vierde klas, maar dan was het wel direct een examenvak. Dat vond ik nogal een risico; ik kon me niks bij economie voorstellen. Fietsend van school naar huis heb ik een jongen uit de vijfde gevraagd wat voor vak het was. "Een mix van wiskunde en aardrijkskunde," antwoordde hij. Dat hielp niet veel. Het leek me een belachelijke mix, en ik heb economie maar niet gekozen.

Nu ben ik er, sinds al weer een tijdje, bijzonder door geboeid. En ik heb mij voorgenomen om een kleine collectie aan te leggen van "zaken" die economische inzichten goed uitleggen: filmpjes, objecten, foto's. Geen bestaande "zaken", maar speciaal voor de gelegenheid gemaakt. Ik weet nog niet wat er allemaal in die collectie zal gaan zitten, maar hopelijk zal het samen een beetje voelen als een mini-economiemuseumpje.

Waarom is er eigenlijk geen economie-museum?

Het stikt van de musea die in het verlengde liggen van een academisch vakgebied. Alleen al in Leiden, waar ik werk, staat Naturalis, oftewel het biologie-museum. Plus Boerhaave; het museum van de exacte wetenschappen en de geneeskunde. Volkenkunde hoort bij de antropologie; en het Rijksmuseum van Oudheden is het archeologiemuseum. Sinds kort kent Leiden kent zelfs een taalmuseum. Een virtueel museum weliswaar, zonder gebouw.

Economie is wel een wat lastig vakgebied. In tegenstelling tot de biologie heeft het geen dinosaurus-skeletten die kunnen worden tentoongesteld. De natuurkunde heeft spectaculaire experimenten die bezoekers zelf kunnen uitvoeren; antropologen hebben boeiende voorwerpen van mensen van ver weg; archeologen hun potten en scherven, maar wat hebben de economen? Toch vind ik dat geen goed excuus. Dan moeten de economen maar wat beter hun best doen om hun verhaal te vertellen aan een breed publiek. Bovendien heeft de economie iets wel dat de meeste andere vakgebieden niet of minder hebben: de link met ons dagelijks leven. Het moet toch mogelijk zijn een collectie aan te leggen van objecten, spellen, beelden, filmpjes die belangrijke kerninzichten uit het vakgebied inzichtelijk maken aan een breed publiek?

Dubbele functie

Het aanleggen van zo’n collectie lijkt me niet alleen goed voor dat brede publiek, maar ook voor economen zelf. Ik weet niet goed hoe een doorsnee-econoom zich in de regel voelt – als er al zoiets als een doorsnee-econoom bestaat – maar ik moet steeds denken aan een geoloog die ik ooit als gids had tijdens een wandeltochtje in de Alpen. In de regel loop ik niet in groepen en al helemaal niet met een gids, maar één dagje heb ik dat wel gedaan. Al wandelend vertelde de geoloog over metamorfe gesteentes, dagzomen en felsische intrusies. Bijzonder interessant. Helaas zat er in het groepje een eigenwijze man die steeds de gids becommentarieerde: "Ik geloof er niks van dat de Alpen ontstaan door plaattektoniek. Volgens mij zat dat met de Alpen anders." De gids was gelukkig een professional die zijn geduld kon bewaren, maar allicht was het ergerlijk. Een dergelijke ergernis, lijkt me, moeten economen regelmatig ervaren.

De meeste leken hebben meningen over economische onderwerpen zonder iets van economie te weten. Ik heb vrienden die vinden dat rente verboden moet worden zonder te weten wat rente is of waar het vandaan komt. Andere vrienden willen dat het basisloon wordt ingevoerd – van anderhalf duizend euro per maand – zonder zich af te vragen wie of wat dat moet betalen. En zelf heb ik ook mee gedaan aan het onwetend mening-ventileren. Over groei bijvoorbeeld. Dat leek me onnodige onzin. Waarom zouden we nog meer moeten hebben? Is het nog niet genoeg dan? Nu ik iets meer van economie weet is niet per se mijn mening veranderd, maar realiseer ik me wel dat mijn vorige mening vooral ondoordacht was. Ergernis over al die onwetendheid is een goede reden om eens aan zo'n economie-museum te gaan denken.

Er is iets raars aan de hand met het vakgebied van de economie. De onderwerpen van het vakgebied raken iedereen. Pak een willekeurig lesboek en de meeste onderwerpen die er in voorbij komen zijn voor een groot publiek toch interessant. Maar het publiek kent het begrip "economie" vooral van de economische berichten in kranten en journaals. Terwijl het daar hoofdzakelijk gaat over bedrijvigheid en cijfers. De academische inzichten, ideeën en overwegingen in het vakgebied lijken te verliezen van tijdelijke en lokale onderwerpen als de aandelenkoers van een tapijtenfabrikant.

Economisme

En als men al iets weet over economie, dan is het oordeel over het vakgebied vaak toch een beetje negatief. Getuige de kreet "economisme" die onlangs door Jesse Klaver in het Nederlands werd geïntroduceerd. (Hoewel het Engelse "economism" al lang bestaat.) Wat Klaver precies met economisme bedoelde is niet helemaal duidelijk, maar vermoedelijk iets in de richting van "het overdreven zakelijk alles wat van waarde is vertalen naar economische begrippen." In een interview illustreert Klaver zijn punt door te stellen dat gezondheid en milieu niet gereduceerd moeten worden tot een geldbedrag. Alsof je gezondheid en milieu bij elkaar op zou kunnen tellen.

Ik herken het gevoel van Klaver wel, maar toch denk ik dat hij zich vergist. Dat werd me duidelijk toen ik een tijdje terug een enquête onder ogen kreeg over de waarde van natuur. De natuur in Nederland zit in de verdrukking vanwege land- en stedenbouw en één van de argumenten ten gunste van de natuur is een economisch argument. De natuur doet van alles voor ons: je kunt er wandelen, er groeien bijzondere planten en dieren, en bomen maken de lucht schoon. Gratis en voor niets. Deze diensten die de natuur verzorgt zijn toch geld waard? Niet iedereen voelt zich plezierig bij dit soort economische argumenten pro natuur en vandaar die enquête.

"Vindt u het terecht dat we de waarde van natuurgebieden uitdrukken in economische termen?" Dat was de centrale vraag die in verschillende vormen herhaald en gespecificeerd werd. Ietsje concreter zou de vraag lezen als: "Vindt u het terecht dat we een prijskaartje hangen aan de Waddenzee?"

Mijn eerste reactie was "nee", in lijn met Jesse Klaver. Waarom zou je de waarde van de Waddenzee willen kwantificeren met een geldbedrag? Die zee kan toch ook waardevol zijn zonder een concreet bedrag te noemen? Maar waarschijnlijk was die reactie een gevolg van de vraagstelling. Wat als de vraag de volgende was geweest: "Vindt u dat we de waarde van de Waddenzee mogen vergelijken met de waarde van andere belangrijke zaken? Zoals voedsel en gezondheid." Natuurlijk! Had ik dan geantwoord. Waarom niet? Ik vind het onplezierig om een concreet bedrag te noemen bij de waarde van de Waddenzee, maar allicht mag je de Waddenzee vergelijken met andere dingen die er toe doen. Maar feitelijk is die tweede vraag dezelfde als de eerste. Een prijskaartje dat aan de Waddenzee hangt is niets meer dan een manier om uit te drukken hoe belangrijk dat natuurgebied is ten opzichte van andere zaken. Bovendien is een prijskaartje een stuk minder vrijblijvend dan vage uitspraken als "heel erg waardevol" of "ietsje minder waardevol".

Uiteindelijk is er dan toch weinig mis met economisme. Je hoeft slechts twee vragen te beantwoorden: (i) "Vindt u dat de waarde van alles vergeleken mag worden met de waarde van het al het andere?" En (ii): "Vindt u het tevens oké om waarde concreet te maken middels een getal?" Bij twee keer "ja" ben je een economist. Ik ben er een. Onder één voorwaarde, dat dan weer wel: dat getal moeten we niet té serieus en té precies nemen. Als mij iets 130 euro waard is, dan is het ongeveer even waardevol als iets waar ik 120 of 140 euro voor overheb. En bovendien kan het morgen weer net iets anders zijn. Waarde is vaag en veranderlijk, en we moeten niet doen alsof dat niet zo is. Maar naast deze kanttekening is er uiteindelijk weinig mis met economisme. Me dunkt.

Sterker nog, het leuke van economie is nou net het rationeel omgaan met de zaken die er voor ons toe doen. En wat is het alternatief? Op een irrationele manier met waardevolle zaken omgaan?

Mijn museum

Wat wil ik nou met dat vakgebied? En wat wil ik op Me Judice plaatsen? Komend halfjaar wil ik iedere drie weken iets maken dat een kwartje doet vallen. "Iets" dat in een denkbeeldig economie-museum niet zou misstaan. Er zijn wel voorbeelden die passen bij wat ik voor ogen heb. Milton Friedman die in zijn eigen tv-serie uit de jaren zeventig in slechts twee minuten en aan de hand van niets meer dan een potlood uitlegt dat duizenden mensen hebben meegewerkt aan de totstandkoming van dat potlood. Waarmee hij direct de meerwaarde van specialisatie invoelbaar maakt.

Of de parade van Pen. Iedere lezer van MeJudice zal hem kennen, maar ik kende hem niet. Volgens Jan Pen zelf is die parade zijn belangrijkste bijdrage aan de economische wetenschap, terwijl het feitelijk niets meer is dan een grafische voorstellingen van data. Maar wel een die één oogopslag iets leert over inkomensongelijkheid. Het is best bijzonder dat een hoogleraar zijn trots niet haalt uit een nieuw model of uit een doorwrochte analyse, maar uit een grafische presentatie. Ik hou daarvan. En ik vind die Jan Pen een inspirerende wetenschapper.

Maar naast filmpjes of beelden mogen er ook nog hele andere zaken bij de collectie. Zelf ben ik een groot fan van de Phillips machine (of de moniac). Ik neem aan dat iedere lezer van Me Judice hem kent: er staat er een in de economiefaculteit van de Erasmus Universiteit. Maar de Phillips machine voldoet niet echt aan mijn criteria. Daar is-ie toch te ingewikkeld voor. Het schijnt dat de moniac economen heeft geholpen bij het beslechten van inhoudelijke discussies en hen tot bepaalde inzichten heeft gebracht, maar ik denk dat de leek, voor wie het denkbeeldige museum bedoeld is, weinig leert van het machien. Maar machines, of andere fysieke objecten mogen er ook bij.

En spellen. Monopoly is ooit bedacht om het één-belasting-systeem van de Amerikaanse econoom Henry George te illustreren. Ik zie niet in hoe monopoly zijn ideeën mogelijkerwijs zou kunnen uitleggen, maar de poging om via een spel een kwartje te doen vallen is prijzenswaardig. En ook spellen horen thuis in het virtuele economie-museum. Maar dan wel spellen die wat korter duren dan monopoly, en spellen die wel kwartjes doen vallen.

Komend half jaar dus iedere drie weken één ding voor in de collectie. Het maken van die dingen kost wat tijd, dus het kan zijn dat de eerste dingen slechts schetsen voor toekomstige dingen zijn. Dat lijkt me niet zo'n punt: als met de zomer de mini-collectie van economische uitleg-dingen maar klaar is. Ieder ding gaat gepaard met een tekst. Een tekst als deze.

Eén vraag nog: Waarom zou ik dit doen? Ik ben geen econoom. Omdat ik het leuk vind. En omdat het mijn werk is om ingewikkelde dingen helder te maken voor een breed publiek. Ook hier vind ik ondersteuning en inspiratie bij Jan Pen. "Ik vind het plezierig om te schrijven," heeft hij ooit eens in een interview gezegd. "Omdat het me helpt zaken beter te begrijpen. En gelukkig stellen anderen mijn schrijfsels op prijs."

In lijn met Jan Pen hoop ik over een half jaar dingen ook wat beter te begrijpen. En ik hoop tevens dat u mijn werk zult waarderen.

Te citeren als

Bas Haring, “Mijn economiemuseum”, Me Judice, 26 januari 2016.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.