Ombudsman voorkomt obstakels voor toetreding van innovatieve bedrijven

Ombudsman voorkomt obstakels voor toetreding van innovatieve bedrijven image
20 jun 2012 | | 1328 keer bekeken
Het topsectorenbeleid van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is een speeltje van grote bedrijven dat innovatie eerder belemmert dan stimuleert, stelt Bart Nooteboom. De grote bedrijven hebben er immers alle belang bij radicale innovaties van nieuwe, kleine bedrijven te beteugelen. De overheid kan zich beter richten op het bestrijden van deze tegenwerking en het uit de weg ruimen van obstakels die zij zelf creëert. Dit kan door het aanstellen van een ombudsman voor ondernemers.

Tegenwerking

Het innovatiebeleid zit met de topsectoren op een verkeerd spoor, zoals al verschillende keren op dit discussieforum is beweerd. Wat werkt dan wel? We moeten het hebben van ‘echte’ ondernemers die meestal buiten de gevestigde orde opereren. Zij lopen vaak op tegen allerlei obstakels, deels vanwege belangen van (grote) gevestigde bedrijven, de rol daarin van de overheid, in casu het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I), competentievraagstukken tussen overheden, en bestaande praktijken, procedures, standaards en marktstructuren.

Tegenwerking vanuit bestaande belangen is veelvuldig en evident. Ik ken een aantal gevallen, en promovenda Magda Smink in Utrecht bouwt een dossier op. De verhalen over tegenwerking zijn overtuigend maar moeilijk juridisch hard te maken tegenover een rechter. Daar zijn de tegenwerkers handig genoeg voor. Een onafhankelijke ombudsman is nodig om de obstakels en de tegenwerking te onderzoeken, in kaart te brengen, te rapporteren en aan de orde te stellen.

Het is nuttig een onderscheid te maken tussen enerzijds verbeteringsinnovaties die weinig bedreiging vormen voor bestaande investeringen, competenties en posities, en anderzijds radicale innovaties die dat alles doorbreken. Beide soorten innovaties hebben hun waarde en hun plaats. Beleid wordt pervers als het door ondersteuning van verbeteringen obstakels creëert of toelaat voor de meer radicale innovaties. En dat gebeurt in het topsectoren beleid.

Centrale planning

Het topsectorenbeleid gaat uit van centrale planning. We doen net alsof we een markteconomie hebben, maar er worden politbureaus ingesteld die per sector plannen moeten maken. Vanwege eerdere protesten dat kleine ondernemers niet aan bod komen zijn enkele daarvan aan die commissies toegevoegd, maar zij hebben daar geen invloed.

De ironie is dat de overheid verstandig genoeg is om in te zien dat zij niet zelf inhoudelijke keuzen moet maken, en dat die moeten komen uit ‘het’ bedrijfsleven (lees: grote bedrijven) maar dat leidt ertoe dat gevestigde partijen alle ruimte krijgen om de innovatie te beteugelen tot verbeteringen die het bestaande niet te veel bedreigen. Dat is niet nieuw. Het ministerie van EL&I loopt al vele jaren aan de leiband van dat grote bedrijfsleven. Vele jaren geleden was er het RSV schandaal over bescherming van de scheepsbouw, en dergelijke bescherming werd toen afgezworen, maar de bescherming neemt nu de vorm van het beteugelen van bedreigende innovatie.

Als een commissie van alle belangrijke bestaande partijen het vooraf eens moet worden over een plan dan kan het al haast geen echte innovatie meer zijn. Dat probeert te vast te leggen wat op de weg naar het onbekende niet vooraf te bepalen is. Vaak zijn andere dan de bestaande spelers nodig. Officiële commissies erkennen hun fouten niet want dat gaat gepaard met verlies van prestige van minister of ministerie. Voorts treden innovaties vooral op over de grenzen van bestaande sectoren heen, zodat de binding aan sectoren ook averechts werkt.

Prisoners dilemma

Het probleem wordt verdiept door het feit dat vaak, bijvoorbeeld ten aanzien van milieu en klimaat, bestaande grote partijen in een prisoners dilemma zitten. Persoonlijk en ideëel willen ze misschien graag nieuwe, meer duurzame wegen inslaan, maar dat vergt veranderingen die geld kosten, en opportunity costs doordat bestaande investeringen en andere middelen waarde verliezen, en dat geeft elke initiatiefnemer verlies tenzij alle concurrenten meegaan. Iedereen redeneert zo en dus gebeurt er niets wezenlijks. De overheid aarzelt om een oplossing te forceren en op te leggen, ook al zouden betrokkenen daar heimelijk blij mee zijn.

Een voorbeeld van hoe interventie door de overheid in een prisoners dilemma in het voordeel van betrokkenen kan zijn is de beperking van tabaksreclame. Daardoor stegen de winsten van de tabaksfabrikanten. Uitgaven aan reclame vergrootten de omzet niet maar waren voor ieder nodig om tegenover de concurrenten het marktaandeel op peil te houden, maar iedereen deed het zodat er geen effect was, anders dan weggegooid geld.

We zullen het voor innovatie moeten hebben van buitenstaanders en nieuwelingen die niet in die patstelling zitten. Ik pleit voor een beleid dat daarop inspeelt en ruimte geeft. De overheid moet centrale planning van innovatie laten vallen en inhoudelijke keuzen overlaten aan individuele ondernemers, uit welke sector dan ook, die zelf geschikte partners zoeken die complementaire middelen kunnen bieden, veelal uit andere sectoren dan de hunne. Vervolgens moet de overheid zich er op concentreren om obstakels voor de ontwikkeling en implementatie van innovaties uit die bron te elimineren. Daarvoor is een ombudsman nodig. Die kan niet alleen helpen om obstakels te verminderen, maar biedt ook inzicht in waar de obstakels liggen, wie daar bij betrokken zijn, en in welke mate dat wordt toegestaan en door beleid wordt bevorderd. Het geeft ook meer inzicht in hoe innovatieprocessen lopen.

Bart Nooteboom is hoogleraar innovatiebeleid aan de Universiteit van Tilburg, en was hoofdauteur van het WRR-advies voor innovatiebeleid van 2008.

Bron foto: Flickr.

Te citeren als

Bart Nooteboom, “Ombudsman voorkomt obstakels voor toetreding van innovatieve bedrijven”, Me Judice, 20 juni 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.