Zuid-Europa niet gediend met einde loonmatiging Noord-Europa

Zuid-Europa niet gediend met einde loonmatiging Noord-Europa image
Zuid-Europa schiet er niets mee op als Nederland en Duitsland afscheid nemen van een beheerste loonontwikkeling, een idee gelanceerd door economen van het CPB en de Rabobank. Dit stellen Raymond Gradus en Roel Beetsma. Het idee is dat de concurrentiekracht van Zuid versus Noord door een loonstijging hier verbetert, maar een afname van economische activiteit hier kan ook ongunstig uitpakken voor de economie daar. De voordelen voor Zuid-Europa zijn ook beperkt, omdat Europa geen gesloten economie is. Beter is het als Zuid-Europese landen zelf maatregelen nemen om hun concurrentiekracht te verhogen. Dat kan bijvoorbeeld door maatregelen gericht op een verruiming van het effectieve arbeidsaanbod.

Beproefd recept

Ons land kent een lange traditie van beheerste loonontwikkeling, die ons volgens velen geen windeieren heeft gelegd. Het zorgt voor een gunstige prijsconcurrentiepositie die ons in staat stelt veel te exporteren. Volgens Rabobank-economen en het Centraal Planbureau werkt dit recept in deze Europese crisis niet meer. Die crisis zou juist verdiept worden doordat onze loonontwikkeling en die van onze oosterburen de bestedingen drukken, wat ten koste zou gaan van de economische activiteit in de Zuid-Europese tekortlanden. Zij pleiten dan ook voor een versnelling van de loonstijging.

Een extra versnelling van de loonstijging in Nederland of Duitsland helpt volgens ons Zuid-Europa van regen in de drup. Op de eerste plaats vormt loonvorming de uitkomst van marktkrachten. De prijs van arbeid hangt, net als andere prijzen, af van vraag en aanbod. Als Nederland een hogere loonstijging wil realiseren, zijn dus beleidsinspanningen vereist die het effectieve arbeidsaanbod beperken. Denk bijvoorbeeld aan verhoging van de belastingen op arbeid. Ook aanscherping van de ontslagbescherming en verlenging van de maximale duur van de WW-uitkering komen dan in aanmerking, want beide maatregelen leiden tot een geringer effectief ¬arbeidsaanbod.

Het valt niet in te zien dat Nederland of Duitsland met een hogere loonstijging Zuid-Europa een plezier zou doen. Wanneer ze de teugels bij de loonvorming laten vieren, pakt dat immers ongunstig uit voor hun economische activiteit. Dat blijft uiteraard niet zonder gevolgen voor Zuid-Europa, want een geringere productie in deze landen leidt tot een afname van hun importen. Daar staat wel tegenover dat Zuid-Europese landen een verbetering van hun prijsconcurrentiepositie realiseren ten opzichte van de overschotlanden. Bedenk daarbij wel dat die verslechtering van overschotlanden niet alleen kansen biedt voor de huidige tekortlanden, maar ook voor Oost-Europa, Azië en Latijns-Amerika. De Europese Unie is immers geen gesloten economie.

Zelf maatregelen nemen

Ten tweede gaat het pleidooi voor een hogere loonstijging in Nederland of Duitsland eraan voorbij dat niets Zuid-Europese landen verhindert om de eigen economie structureel te versterken door het effectieve arbeidsaanbod te verruimen. Denk aan flexibilisering van de arbeids- en productmarkten en een neerwaartse loonaanpassing om hun producten meer concurrerend te maken. Zulke maatregelen leiden, via een drukkende invloed op de arbeidskosten, tot een sterkere werkgelegenheidsgroei. De economische problemen van bijvoorbeeld Griekenland komen in hoge mate door stijgende arbeidskosten per eenheid product, sterker dan bij de concurrenten.

De bovenmatige loonstijging in Zuid-Europa in het eurotijdperk komt mede doordat een aanpassing van de koers van de nationale munt niet meer mogelijk is. Vóór de euro slaagden ze erin om het verlies aan concurrentiekracht binnen de perken te houden via een geleidelijke waardedaling van hun munt. De daardoor relatief hoge inflatie beperkte de stijging van de reële lonen. Zolang vakbonden en werknemers daar blijven lijden aan die geldillusie, maakt de gemeenschappelijke munt het lastiger om de werkloosheid op een acceptabel niveau te houden.

Spaaroverschot

Afscheid nemen van een beheerste loonontwikkeling vermindert, volgens CPB- en Rabobank economen ook het vermaledijde spaaroverschot. In een vergelijkbare redenering moeten overschotlanden de economie stimuleren omdat anders een permanente onderbesteding zou dreigen. Ook dat is een misvatting, omdat ze er dan er ten onrechte aan voorbijgaan dat de spaaroverschotten een productieve aanwending kunnen krijgen in andere landen. En juist het versterken van het groeivermogen door flexibilisering van product- en arbeidsmarkten en versterking van het innovatieve vermogen trekt buitenlandse investeerders aan. Extra loonstijging of een andere stimulering bij ons werkt averechts uit, omdat het de noodzaak van deze structuurversterking minder acuut kan maken. Zuid-Europese landen moeten nu fors inzetten op structuurversterking, de enige manier om de crisis permanent te boven te komen.

Dit artikel is tevens verschenen in Het Financieele Dagblad van 16 februari 2012.

Referenties

J.H.M. Donders (2012). Het nationale spaaroverschot van Nederland, Tijdschrift voor Openbare Financien, 44 (1), 2-14.

Bron foto: Flickr.

Te citeren als

Roel Beetsma, Raymond Gradus, “Zuid-Europa niet gediend met einde loonmatiging Noord-Europa”, Me Judice, 16 februari 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.