De gevolgen van Israëls beleid voor de Palestijnse economie

De gevolgen van Israëls beleid voor de Palestijnse economie image
30 jun 2010 | | 3362 keer bekeken
Het beleid van Israel is omgeslagen van het integreren van de Palestijnse productiemiddelen in de Israëlische economie tot het marginaliseren en isoleren van de economie van de Palestijnse gebieden, betoogt econoom Ad van de Gevel. Dit heeft geresulteerd in een sterk verminderde Palestijnse productiebasis. De Palestijnen zijn hierdoor niet meer in staat zich soeverein te ontwikkelen.

De eerste Intifada van 1987 tot 1993

De eerste Intifada was een ongecoördineerde breed gedragen uitbarsting van geweld tegen de Israëlische aanwezigheid in de Westelijke Jordaanoever. De aanleiding was een dodelijk verkeersongeval tussen een Israëlische vrachtwagen en een Palestijnse taxi op de Gazastrook, maar de onderliggende oorzaak was de impasse waarin de strijd voor de Palestijnse bevrijding en onafhankelijkheid zich bevond.

De eerste Intifada is geëindigd met het Oslo Akkoord van 1993 tussen Israël en de Palestijnse Bevrijdings Organisatie (PLO), dat de sinds 1967 bestaande douane unie tussen Israël en de Bezette Palestijnse Gebieden formaliseerde. Dit akkoord met al zijn gebreken is nog steeds van kracht. Een van de belangrijkste miskleunen was dat alle Palestijnse importen via het Israëlisch douane systeem moesten lopen. Israël zou de indirecte belastingen en douanerechten op Palestijnse importen uit of via Israël incasseren en overmaken aan de Palestijnse Autoriteit (PA). Dit maakte de PA in grote mate afhankelijk van Israëls overdrachten. Het Akkoord gaf geen garantie voor de onbeperkte Palestijnse toegang tot de arbeidsmarkt van Israël en gaf Israël het recht om de condities daarvan eenzijdig te bepalen. Het Oslo Akkoord heeft in feite het ongunstige pad van afhankelijkheid van de Palestijnse economie van Israël vastgelegd en bestendigd. Daarmee heeft het Akkoord de Palestijnse economie voor lange tijd in gijzeling genomen.

Tweede Intifada van 2000 tot 2004

Op 28 september 2000 ging het Israëlisch-Palestijnse conflict een nieuwe fase in na het bezoek van Ariel Sharon (toenmalig minister van Defensie van Israël) aan de Tempelberg. Sharon’s bezoek was niet de oorzaak maar slechts de aanleiding voor het begin van de Intifada. De gewelduitbarsting was in feite al in de zomer van 2000 door de Palestijnse leiding gepland na de Camp David topontmoeting tussen de Amerikaanse president Clinton en de Israëlische en Palestijnse leiders waarbij Arafat resoluut de Amerikaans-Israëlische vredesplannen afwees.

Aan Palestijnse zijde vielen ruim vier keer zoveel slachtoffers als aan Israëlische zijde met name doordat herhaaldelijk via de Palestijnse media oproepen werden uitgezonden aan burgers om aan demonstraties mee te doen of om zich als menselijk schild op te werpen tegen Israëlische bulldozers die op zoek waren naar wapensmokkeltunnels tussen de Gazastrook en Egypte. In het kader van Israëls afsluitingspolitiek zijn strenge Israëlische restricties op het goederen- en personenverkeer een permanent kenmerk geworden van het Palestijnse economische leven.

Implicaties van de afsluitingspolitiek

De particuliere sector in Palestina is niet in staat gebleken het hoofd bieden aan de door Israël ingestelde afsluitingspolitiek. Dit is toe te schrijven aan de Israëlische mobiliteitsrestricties, het verlies aan vruchtbare landbouwgrond in de West Oever en Gaza en de gebrekkige toegang tot de overblijvende landbouwgrond. De Palestijnse landbouw is niet langer in staat gebleken om werk te verschaffen aan arbeiders met een lage productiviteit zoals dat sinds 2000 het geval was. De PA kon als ”employer of last resort” geen banen creëren.

De in 2002 begonnen constructie van de Afscheidingsmuur resulteerde in de confiscatie van ongeveer een vijfde van de meest vruchtbare landbouwgrond in de West Oever en dwong 3500 ondernemingen tot het sluiten van hun zaak en verstoorde de toegang tot weg- en waterbouwkundige netwerken. Visserij is alleen toegestaan binnen een kleine afstand van de kust wat resulteert in uitputting van de visgronden.

Voor Palestijnse bedrijven wordt de keuze om goederen te produceren voor de binnenlandse of buitenlandse markten niet meer bepaald door comparatief voordeel, maar door de kosten van Israëlische veiligheidsmaatregelen. Dit werkt vernietigend voor de kleine Palestijnse bedrijven met hun producten van lage toegevoegde waarde en leidt tot een verlies van schaalbesparingen.

Tussen 2000 en 2008 is cumulatief het reëel per capita BNP gedaald met 34 procent. De armoede onder de Palestijnen heeft zich verbreed en verdiept.

De kosten van de tweede Intifada

Voor de tweede Intifada heeft Paul de Boer de kosten van Israëls bezetting voor Palestina voor de jaren 2000, 2001 en 2002 berekend. Hij ging daarbij uit van een door het IMF en Wereldbank gegeven hypothetische groeivoet zonder Intifada van 3 procent en een inflatie van eveneens 3 procent en heeft deze vergeleken met de werkelijke groeicijfers. Op deze basis bleken de kosten van de tweede Intifada $5422 miljoen te bedragen. Het beschikbaar bruto inkomen (na inkomensbelasting) per hoofd van de bevolking daalde met bijna een kwart van $1938 tot $1469, terwijl volgens het groeiscenario het per capita inkomen zou stijgen van $1938 naar $2059. De berekende kosten zijn gelijk aan het bruto nationaal inkomen van 1999, zodat het lijkt alsof gedurende de Intifada periode de Palestijnen een jaar lang niet gewerkt hebben.

Macro-economische effecten

Over de periode 2000-2005 heeft UNCTAD een macro-economische studie gemaakt waarin twee scenario’s de revue passeren. Het basisscenario gaat er vanuit dat er geen wijziging komt in Israëls afsluitingspolitiek. Het tweede scenario toont aan hoe de Palestijnse economie zich zou hebben gedragen bij een minder restrictieve afsluitingspolitiek, dat wil zeggen bij een afsluiting voor slechts 40 dagen per jaar en bij ontvangst van lagere buitenlandse transfers (primair donor hulp). Hierbij is geen rekening gehouden met de Afscheidingsmuur. Als dat wel het geval zou zijn geweest zouden de kosten van de afsluitingspolitiek veel hoger zijn geweest.

Een vergelijking van de twee scenario’s geeft aan dat de binnenlandse Palestijnse werkgelegenheid daalt met meer dan 311.000 arbeidsplaatsen op jaarbasis en dat de Palestijnse werkgelegenheid in Israël daalt met 325.000 arbeidsplaatsen per jaar. Dit brengt het totale Palestijnse werkgelegenheidsverlies over 2000 -2005 op 636.000 arbeidsplaatsen op jaarbasis. Dit is meer dan het totaal aantal banen dat in Palestina in 2005 bestond.

De productiecapaciteit van de Palestijnse economie ondervindt de nadelige gevolgen van de vernietiging van de infrastructuur en particuliere en overheidseigendommen. Het Palestijnse kapitaalverlies is over 2000-2005 geschat op $3,7 miljard, wat een derde is van de $11,2 miljard kapitaalvoorraad van vóór 2000. Hier ligt de verklaring voor de aanzienlijke productiviteitsdaling en de daarmee samenhangende daling van de reële lonen. De lange termijn vooruitzichten hiervan zijn niet rooskleurig, immers minder kapitaal leidt tot lagere groei, lagere arbeidsproductiviteit en daarmee tot lagere reële lonen en minder besparingen.

Producenten worden gedwongen om de bestaande voorraad kapitaalgoederen intensiever te gebruiken. Importen voor onderhoud en herstel van de bestaande kapitaalgoederen worden geblokkeerd of vertraagd, zodat deze sneller aan veroudering onderhevig zijn.

Het cumulatief productieverlies over 2000 tot 2005 is geschat op $8,4 miljard, wat tweemaal de grootte van het BNP was in 1999. Er is sprake van een structuurverschuiving ten nadele van de landbouw en industrie en ten voordele van de dienstensector. Dat laatste is niet het gevolg van een toegenomen vraag naar diensten, maar is een reactie op de acute werkloosheid waarbij diensten fungeren als een toevluchtsoord voor werkloosheid.

De voortdurende versnelde productiedaling en de lagere reële lonen maken het vanwege de lagere belastingopbrengsten moeilijk voor de PA om de inkomensoverdrachten aan de marginale en arme delen van de bevolking te vergroten.

Samenvattend, de economische situatie van de Palestijnse economie is sinds de tweede Intifada en de instelling van de mobiliteits- en toegangsrestricties in 2000 aanmerkelijk verslechterd. Terwijl de reële groei van het BNP gemiddeld 8,5 procent was gedurende 1995-99, daalde deze feitelijk tot nul over de periode 2003-05. Sinds 2000 is het reële BNP beneden haar potentieel.

De verwoesting van Gaza

Nadat in juni 2007 na correct verlopen verkiezingen Hamas de macht kreeg in de Gazastrook, heeft Israël vanaf september 2007 een blokkade van alle grensovergangen in en uit de Gazastrook ingesteld. Het afvuren van raketten op de Israëlische burgerbevolking door Hamas en het voortdurende gevangenschap van de Israëlische korporaal Gilad Shalit vormen voor Israël een voldoende rechtvaardiging voor de voortdurende blokkade waarmee de gehele burgerbevolking van de Gazastrook gestraft wordt. Hiermee is economische ontwikkeling in Gaza onmogelijk geworden. Door de afsluiting hebben 95 procent van de particuliere ondernemingen moeten sluiten waarmee ongeveer 100.000 banen zijn weggevallen. Importen in Gaza zijn alleen mogelijk voor goederen die essentieel zijn voor het humanitaire minimum en grondstoffen behoren daar niet bij volgens Israël. Bijvoorbeeld kleine hoeveelheden margarine voor huishoudelijk gebruik mogen geïmporteerd worden, maar grote hoeveelheden wijzen op een industriëel gebruik waarop een importverbod rust.

De blokkade vindt plaats tegelijk met telkens terugkerende cycli van geweld en schendingen van mensenrechten. Het doel van Operatie Gegoten Lood (Cast Lead) die Israël van 27 december 2008 tot 18 januari 2009 in de Gazastrook uitvoerde was het uitschakelen van de militaire infrastructuur van Hamas die raketten op Israël afvuurde en om de tunnels tussen de Gazastrook en Egypte voor de smokkel van o.a. wapens te vernietigen.

Drie jaren van blokkade in Gaza hebben geresulteerd in de verwoesting van het levensonderhoud, toenemende voedselonveiligheid, fysieke persoonlijke onvrijheden, onmogelijkheid tot reconstructie, een voordurende energiecrisis, verslechtering van water en hygiënische infrastructuur, een zorgelijk gezondheidssysteem en een ondermijnd onderwijsstelsel.

De tunneleconomie in Gaza

De economie van Gaza drijft bijna volledig op salarissen van de PA en enige humanitaire hulp. De particuliere sector in Gaza is ineengestort en er rest slechts luttele activiteit met behulp van goederen die binnenkomen via de 400 tot 600 tunnels onder de grens met Egypte. Deze worden grotendeels gereguleerd door de Hamas en bieden toegang tot goederen die anders niet beschikbaar zouden zijn. Allerlei soorten goederen komen via tunnels Gaza binnen, inclusief bouwmaterialen, levende have, kasgeld, voedsel en wapens. Duizenden mensen inclusief kinderen zijn tewerkgesteld in het overbrengen van goederen door de tunnels en in de constructie en onderhoud ervan. De tunnels vormen een groot veiligheidsrisico voor degenen die daarin zijn tewerkgesteld. De tunnels bieden geen duurzaam alternatief voor de hervatting van het goederenverkeer via de officiële kanalen met Israël.

Herstelplannen voor Gaza wachten op uitvoering

Tijdens de internationale conferentie van Sharm El-Sheikh van 2 maart 2009 hebben donoren $4,5 miljard toegezegd voor de reconstructie van Gaza. Maar de daadwerkelijke uitkering van die verplichtingen moet nog beginnen en de meeste donoren hebben voorwaarden daaraan gesteld in de vorm van politieke ontwikkelingen in Gaza. Gaza’s economie is nog steeds onder blokkade en wacht op het begin van reconstructie.

Vergelijking tussen Westoever en Gaza

Terwijl de macro-economische situatie in de West Oever verbeterd is, blijft de situatie in Gaza ten gevolge van de blokkade moeilijk. Sinds 2008 is er een duidelijke verslechtering in Gaza ten opzichte van de Westoever. In de eerste helft van 2009 was de werkloosheid 18 procent in de West Oever en 37 procent in Gaza. De nominale lonen per dag in de particuliere sector stegen in de Westoever van NIS (Nieuwe Israëlische Shekel) 75 in 2007 tot NIS 81 in 2008-3, wat neerkomt op een reële stijging van 2 procent. In Gaza daalden de lonen per dag van NIS 53 tot NIS 41 ofwel met 30 procent in reële termen.

De inflatie is voor de Palestijnen scherp gedaald ten opzichte van haar piek in midden 2008 voornamelijk ten gevolge van de daling in de wereldprijzen van voedsel en olie. De invloed daarvan op de inflatie is sterker dan in Israël omdat voedsel een hoger gewicht heeft in het consumptiemandje van de Westoever en Gaza. In Gaza is de inflatie hoger dan in de Westoever vanwege de blokkade.

De banksector is slechts beperkt blootgesteld aan de globale financiële markten ten gevolge van strenge regulering en conservatieve bankkredieten. Terwijl het bankkrediet in de Westoever daalde met 13 procent tot september 2008, was deze daling in Gaza 57 procent. Gaza heeft duidelijk te lijden van een tekort aan kasgeld. De banken in de Westoever worden beperkingen opgelegd om hun filialen in Gaza van kasgeld te voorzien. De informele economie is opgebloeid wat vergezeld gaat van een inefficiënte ruil in natura.

De versterking van de blokkade op Gaza leidde in 2008 tot een scherpe daling van de importen en de door Israël geïnde btw-opbrengsten, waarvan een deel (65 procent) ten laste komt van Gaza, terwijl deze voor de Westoever stegen met 20 procent.

De financiële positie van de PA blijft precair. Om de begrotingsdoelstelling te realiseren moeten de inkomsten stijgen en de uitgaven dalen. Beide posten blijven in feite achter bij de begrotingsdoelstelling zodat een overheidstekort resulteert van 20 procent, inclusief Gaza zelfs van 25 procent. Het financieringstekort moet worden opgevangen door binnenlandse leningen van banken en grotere buitenlandse hulp.

Recente ontwikkelingen en versoepeling blokkade

Begin 2009 heeft Israël een aantal stappen genomen om in de Westoever de toegangsrestricties en de veiligheidsmaatregelen te versoepelen. Maar deze maatregelen zijn slechts een lapmiddel gegeven de voortdurende groei van de nederzettingen en Israëls controle van 60 procent van de West Oever. Israël handhaaft de blokkade van Gaza.

Het huidige geringe Palestijnse groeiherstel wordt meer aangedreven door de enorme instroom van donorfondsen die de consumptie stimuleert en niet door verbetering van het investeringsvertrouwen. Het gevaar is derhalve dat het herstel niet duurzaam is. Er zijn geen tekenen die wijzen op herstel van de particuliere investeringen en de overheidsinvesteringen van $250 miljoen bedragen slechts 5 procent van het BNP.

Op 9 juni 2010 heeft Egypte de grens voor onbepaalde tijd geopend, maar Israël weigert dit zolang Hamas het geweld niet afzweert. Wel gaf Israël op die dag toestemming een aantal levensmiddelen in de Gazastrook door te laten, zoals sap, chips, frisdrank en fruitsalade, maar Hamas wilde dit niet toestaan zolang Israël de blokkade volhoudt. De fabrieken in Gaza kunnen deze producten best zelf maken als Israël maar zou toestaan dat grondstoffen worden ingevoerd.

Conclusie

De Palestijnen zijn er tot nu toe niet in geslaagd stabiele instituties te creëren en economische ontwikkeling tot stand te brengen; hun dagelijks bestaan is afhankelijk van de goede wil van donoren; zij zijn blootgesteld aan gewelddadige dood, verwondingen, gevangenneming en deportatie alsmede aan onteigening van grond en schade aan eigendommen; zij lijden van hoge werkloosheid; vele jonge mensen worden verhinderd te gaan studeren; er is armoede onder brede lagen van de bevolking; voedsel is onveilig en dagelijks ondergaan zij vernederingen in hun huizen, op straat en bij wegblokkades.

De economie van de Westoever en Gaza hebben tot dusver nauwelijks te lijden gehad van de globale economische crisis. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de afwezigheid van sterke bancaire en handelsrelaties met de rest van de wereld en de isolatie die het gevolg is van Israëlische mobiliteits- en toegangsrestricties in de Westoever en de blokkade van Gaza. Desalniettemin kan de globale recessie de groei in Israël verminderen wat de Palestijnse export negatief beïnvloedt. Deze is momenteel echter slechts 15 procent van het Palestijnse BNP zodat het negatief effect beperkt is. Bovendien kan de globale recessie de bereidheid en het vermogen van donoren om financiële assistentie te verlenen negatief beïnvloeden.

Zonder opheffing van de mobiliteits- en toegangsrestricties van personen en goederen is er weinig vooruitzicht voor een duurzaam Palestijns economisch herstel.

Onder normale omstandigheden toont de dynamica van integratie tussen twee ongelijke economieën een patroon van divergentie gevolgd door convergentie. In de initiële fase van integratie zal het grote land met de meer ontwikkelde industriële sector profiteren van schaalbesparingen die de kleinschalige ambachtelijke productie in het kleine land zal uitschakelen zodat de kloof tussen de twee economieën groter wordt. Maar in de latere fase zal een omkering in het dynamisch proces plaats vinden. Toenemende kosten in de grotere economie en negatieve externe effecten vanwege congestie overtreffen de voordelen van grotere efficiency. Investeringen in de kleine economie worden aantrekkelijk zodat het arme land sneller begint te groeien dan het rijke land en de kloof kleiner wordt.

Maar tussen Israël en Palestina gebeurde precies het tegenovergestelde. Gedurende de eerste twee decennia van de bezetting tot het einde van de zeventiger jaren was er sprake van een langzame convergentie waarbij de verhouding tussen de Palestijnse BNP per hoofd ten opzichte van dat in Israël steeg van 11 procent naar 14 procent. Maar van toen af daalde de verhouding bijna voorturend. In 2000 was de verhouding 9 procent en op het ogenblik is deze ratio 6 procent.

De reden voor dit abnormaal patroon is dat de bezettingsstrategieën in de loop van de tijd in intensiteit zijn toegenomen waardoor de effecten van polarisatie zijn versterkt en de spreidingseffecten zijn verminderd. De basisfout van de Oslo Akkoorden was dat de kwestie van de Palestijnse soevereiniteit niet adequaat is behandeld en niet is bezien als onderdeel van een uiteindelijke oplossing. Dit heeft geresulteerd in een ongunstige relatie van afhankelijkheid waarin de Palestijnen zwakker worden.

Het Oslo Akkoord was meer toegesneden op de wensen van de Israëlische economie dan op de ontwikkelingsbehoeften van de Palestijnse samenleving. Het Akkoord legde een ongelijke integratie vast van de Palestijnse economie met de meer geavanceerde Israëlische economie.Het Oslo proces was ten onrechte gebaseerd op het vredestraject van geleidelijkheid. Maar een benadering van “reverse engineering” waarin de twee partijen eerst overeenstemming bereiken over het einddoel en pas dan besluiten over het proces van realisatie biedt betere vooruitzichten. Geleidelijkheid heeft de vorm van incrementalisme waarbij slechts stap voor stap afgelegd wordt zonder overeenstemming over het eindresultaat.

Het Israëlisch-Palestijns conflict is een conflict tussen twee volken over één grondgebied. In principe zijn er twee mogelijke oplossingen: een Twee Staten schema, dat wil zeggen de verdeling van het grondgebied over twee staten en twee soevereine economische eenheden, ofwel een ”Een Staat” oplossing met de vestiging van een enkele politieke en economische eenheid. Als er geen overeenkomst tot stand komt, blijft natuurlijk de status quo gehandhaafd, die uiteindelijk negatief voor beide partijen zal uitpakken.

Beide volken zijn intern diepgaand verdeeld over deze oplossingen. Tijdens de Annapolis Conferentie in november 2007 bereikten de drie belangrijkste partijen – de Palestijnen (Fatah, maar niet de Hamas regering in Gaza), de Israëli’s en de Amerikanen – overeenstemming over een ontwerp voor onderhandelingen. Maar er bestaan nog grote verschillen van inzicht over details, zoals de status en grenzen van Jeruzalem en de Tempelberg, de grenzen van de toekomstige Palestijnse staat, de Israëlische nederzettingen in de West Oever, de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen, de opheffing van de blokkade van Gaza.

Doordat ook de internationale gemeenschap Hamas is gaan boycotten is de mogelijkheid verloren gegaan om invloed uit te oefenen op Hamas en daaruit putten radicale elementen in Gaza kracht. Bij een succesrijk vredesproces zal Hamas betrokken moeten worden. Verzoening tussen Fatah van de Westoever en de Hamas- regering zal daaraan vooraf moeten gaan. In Gaza houdt Hamas nog150 Fatah-leden gevangen en op de Westoever heeft Fatah 500 Hamas-leden opgesloten.

Het nieuwe Israëlische ”economische vredesinitiatief” van 2009 op basis van 25 maatregelen als een interim oplossing voor de Westoever heeft als doel om daarmee de grondslag te leggen voor toekomstige vredesbesprekingen. Hoewel economische vrede belangrijk is om uiteindelijke vrede te bereiken is het geen substituut voor vrede. Zonder vooruitgang op politiek gebied leidt het niet tot vrede. Het gevaar is niet alleen groot dat de aandacht verschoven wordt vanuit het politiek proces, maar ook dat teruggekeerd wordt naar de periode van Israëlische dominantie van de Palestijnse economie.

Nodig is een verschuiving uit het nominale bilateralisme van het Oslo Akkoord dat in feite het unilateralisme maskeerde van de Israëlische bezetting naar een multilateraal platform. De autonomie van de Palestijnse economie moet opnieuw verankerd worden binnen een multilateraal kader en niet in zo’n disfunctioneel bilateraal kader als van het Oslo Akkoord. Dit kan de kansen van het onaantrekkelijke huidige vooruitzicht van de status quo voor de Palestijnen aanzienlijk verbeteren. Ook Israël zou daarvan profiteren.

Referenties:

P. de Boer, Economische kosten van de tweede Intifada, ESB vol. 93 (4534), 2 mei 2008

IMF, Macroeconomic and Fiscal Framework for the West Bank and Gaza: Fourth Review of Progress, Staff Report for the Meeting of the Bad Hoc Liaison Committee, September 22, 2009

World Bank, A Palestinian State in Two Years: Institutions for Economic Revival, Economic Monitoring Report to the Ad Hoc Liaison Committee, September 22, 2009

R. Khalidi en S.Taghdisi-Rad, The economic dimensions of prolonged occupation: Continuity and change in Israeli policy towards the Palestinian economy, UNCTAD, August 2009

United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs occupied Palestinian territory (OCHA), The Humanitarian Impact of Two Years of Blockade on the Gaza Strip, August 2009

UNCTAD, Policy Alternatives for Palestinian Sustained Development and State Formation, 1 May 2009.

Te citeren als

Ad van de Gevel, “De gevolgen van Israëls beleid voor de Palestijnse economie”, Me Judice, 30 juni 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.