Dit pensioenakkoord vraagt om wantrouwen van deelnemers

Dit pensioenakkoord vraagt om wantrouwen van deelnemers image
4 jul 2011 | | 3147 keer bekeken
Het recente pensioenakkoord telt drie grote weeffouten die het vertrouwen er in ondermijnen, stellen Paul Tang en Sweder van Wijnbergen. Zo worden onrealistisch positieve verwachtingen over het pensioen niet gecorrigeerd, omdat het akkoord onduidelijk is over wat deelnemers precies kunnen verwachten. Ook wordt de rekening onevenredig zwaar bij jongeren en bij laagbetaalden neergelegd. Alleen met aanvullende en harde afspraken over het pensioen is het vertrouwen van deelnemers te herstellen.

Geen goed eindresultaat

Polderen blijkt geen garantie voor een goed resultaat. Het akkoord tussen sociale partners over AOW en pensioen bevat grote gaten. Daarmee bestaat het gevaar dat het pensioenstelsel overstroomd gaat worden door een golf van publiek wantrouwen.

Wel goed is dat de publieke discussie over het akkoord Nederlanders bewust maakt dat het pensioen minder riant en bovendien riskanter is dan ze verwachten. Een ruime meerderheid verwacht drie jaar voor de officiële pensioenleeftijd te kunnen stoppen met werken en dan zeker 70 procent van het laatst verdiende loon te krijgen. Die meerderheid moet uit de droom geholpen worden. Verder moet duidelijk zijn dat het pensioen onzeker is. Alleen zeker is dat het pensioen minder riant is dan wordt verwacht. Rentenieren is riskant, en moet dat zijn. Zonder beleggingen in aandelen zou de pensioenpremie grofweg moeten verdubbelen om op eenzelfde pensioenuitkering uit te komen. De reden is het forse rendementsverschil tussen aandelen en obligaties. Dit verschil is premie voor risico. Garanties zijn dan niet te geven.

Uitgangspunt van het akkoord is dat nominale garanties in het huidige stelsel worden ingeruild voor reële maar onzekere ambities in een nieuw stelsel. Dat uitgangspunt is goed. De nominale garanties bieden schijnzekerheid. Ze geven bovendien geen enkel inzicht in welk pensioen (als percentage van eerder verdiend loon) en welke onzekerheden deelnemers kunnen verwachten. Maar dat goede uitgangspunt heeft geen goed eindresultaat opgeleverd.

Publiek wantrouwen

En dat is wel nodig om publiek vertrouwen te herstellen. Dat heeft een knauw gekregen: in 2010 is het vertrouwen in pensioenfondsen nog lager dan dat in banken. Begrijpelijk: veel pensioenfondsen hebben voor de tweede keer in tien jaar maatregelen moeten nemen om hun vermogenspositie te verbeteren: vaak blijven de pensioenrechten achter bij de prijzen, soms worden premies hoger en heel soms worden pensioenuitkeringen verlaagd. Komt dat door onvoorziene tegenvallers of door wanbeheer van de pensioenfondsen? De gemiddelde deelnemer weet het niet maar vreest wel. Hij of zij vreest vooral alleen de rekening te moeten betalen. Jong denkt de rekening voor oud te betalen terwijl oud denkt die zelf te betalen. Dit is een teken van publiek wantrouwen.

Eén voorwaarde voor herstel van publiek vertrouwen is een betrouwbaar collectief. Betrouwbaar is een stelsel dat bestand is tegen schokken en trends, dat duidelijk is over te verwachten pensioenleeftijd en pensioeninkomen en dat ‘fair’ is volgens de deelnemers. Aan die voorwaarde voldoet het akkoord niet. Er zijn drie grote gaten.

Onrealistische verwachtingen

Ten eerste, de droom blijft in stand. Bij de presentatie van het akkoord zei Agnes Jongerius dat er ‘voor iedereen een goede oudedagsvoorziening’ komt. Zo’n uitspraak voedt de verwachtingen over het pensioen alleen maar terwijl de verwachtingen juist getemperd moeten worden. Maar het akkoord is niet duidelijk over welk pensioen deelnemers kunnen verwachten, zodat ze nog steeds te veel blijven verwachten.

Jong betaalt voor oud

Ten tweede, jong betaalt voor oud. Het akkoord belooft dat de pensioenen in het nieuwe stelsel sneller weer prijzen en lonen zullen volgen dan in het oude stelsel. Dit wordt bereikt via een hogere rekenrente om de toekomstige verplichtingen te waarderen. Tegelijkertijd worden pensioenfondsen niet verplicht om buffers aan te houden Zo begint een pensioenfonds op een piramidespel te lijken. Wie het eerst komt wie het eerst maalt. De oudere generaties kunnen hopen op hoger pensioen maar de jongere generaties hebben weinig te hopen. Zij moeten rekening houden met tegenvallers maar krijgen hiervoor geen voldoende compensatie door meevallers want die worden aangewend voor de snellere indexatie van pensioenen van ouderen. Verder start de verhoging van de AOW-leeftijd pas in 2020, zodat de baby-boomers ontzien worden.

Arm betaalt voor rijk

Ten derde, arm betaalt voor rijk. Terwijl de ‘battle of generations’ volop aandacht trekt, blijven de verschillen binnen generaties onbesproken. Dat is zeer onterecht. Zo zijn de verschillen in levensverwachting fors. Hierdoor is volgens het CPB een laagopgeleide man ruim een kwart van de ingelegde premies kwijt aan hoogopgeleiden (17%) en aan vrouwen (9%). Het is onbegrijpelijk dat deze vorm van perverse solidariteit steeds in stand blijft. Het maximeren van de pensioenopbouw zou de subsidies van arm naar rijk verminderen.

Met zulke gaten in het akkoord gaat het nieuwe stelsel niet tot vertrouwensherstel leiden. De sociale partners moeten begrijpen dat ze niet meer het vertrouwen genieten dat alsnog per fonds die gaten worden gedicht.

Zelfs als risico’s en hun gevolgen helder in een pensioencontract staan beschreven en duidelijk worden gecommuniceerd door de pensioenfondsen, blijven tegenvallers onaangenaam nieuws, zeker als het voldongen feiten zijn. Daarom moeten deelnemers het vermogen krijgen om op risico’s te reageren.

Zelf ingrijpen

Een andere voorwaarde voor herstel van publiek vertrouwen is daarom individuele regie:bij risico hoort reactie. Dat zou op zeker twee momenten in het leven moeten. Ten eerste, halverwege de loopbaan moet een deelnemer nog de mogelijkheid krijgen om bij te sparen binnen een collectieve regeling als het pensioen dreigt tegen te vallen. Ten tweede, aan het einde van de loopbaan moeten deelnemers kunnen kiezen om een tegenvallend pensioen te accepteren of om door te werken voor een beter pensioen. Die laatste is veruit de meeste effectieve reactie op risico.

Maar de keuze voor doorwerken of niet wordt veel oudere werknemers onthouden omdat bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd automatisch ontslag volgt. Het gevolg: werknemers en werkgevers tellen af tot de officiële leeftijd. Hierdoor verzuimen ze om te investeren in menselijk kapitaal en verzwakt de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers. Met name werkgevers zijn beducht om verplicht ontslag te schrappen. De druk om voor of op de officiële leeftijd te stoppen is groot, vrome verhalen over participatie ten spijt. Daarom zijn harde afspraken nodig om de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers te verbeteren. Zo zou het automatische ontslag pas op de maximumleeftijd moeten plaatsvinden, en niet op de spilleeftijd. Dat biedt een oudere werknemer een broodnodige keuze.

Het pensioenakkoord laat grote gaten open. Geloven dat sociale partners deze gaten per fonds gaan dichten alvorens de storm van publiek ongenoegen aanwakkert, vraagt veel vertrouwen, maar dat heeft juist een flinke knauw gekregen. Het akkoord had het herstel van vertrouwen moeten inleiden, maar aan de voorwaarden daarvoor is niet voldaan. Het zal niet slagen zonder aanvullende en harde afspraken.

Dit artikel is eerder verschenen in Het Financieele Dagblad van 3 juli 2011 en is gebaseerd op het rapport 'Risico van rentenieren' geschreven voor Paul Tang en Sweder van Wijnbergen.

Bron foto: Flickr.

Te citeren als

Paul Tang, Sweder van Wijnbergen, “Dit pensioenakkoord vraagt om wantrouwen van deelnemers”, Me Judice, 4 juli 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.