Een misverstand over kosten van collectieve pensioenvoorzieningen

Een misverstand over kosten van collectieve pensioenvoorzieningen image
9 jun 2009 | | 4771 keer bekeken
Eduard Ponds schreef onlangs in Me Judice het artikel “Conclusies van commercieel pensioenonderzoek zijn te koop”. PricewaterhouseCoopers (PwC) zou voor verschillende opdrachtgevers met volgens hem sterk tegenstrijdige uitkomsten komen. Vandaar zijn uitspraak dat ‘onderzoek te koop’ zou zijn. Zowel PwC als Ponds baseert zich op onjuiste of misleidende citaties uit onderzoek van DNB. DNB-econoom Jaap Bikker geeft uitleg waar het verschil in onderzoeksresultaten vandaan komt.

DNB-conclusie 1: kleine pensioenfondsen inefficiënt

Het DNB-onderzoek van de onderzoekers Bikker en De Dreu (2006) bevat twee boodschappen. Allereerst dat kleine pensioenfondsen kosteninefficiënt zijn. Zij missen schaalvoordelen waardoor de voornamelijk vaste kosten worden verdeeld over (te) weinig deelnemers. Ondernemingspensioenfondsen bleken verder minder kostenefficiënt dan bedrijfstakpensioenfondsen. De stichting voor Ondernemingspensioenfondsen (OPF) die veel kleine pensioenfondsen vertegenwoordigt, heeft een wetenschappelijke commissie gevraagd om naar de betrokken analyse van Bikker en De Dreu te kijken, maar dat leidde niet tot een andere conclusie. Verder hebben zij PwC gevraagd om een rapport. Daarin stond dat er in de beleving van de deelnemers van pensioenregelingen veel meer aspecten zijn ten aanzien van de pensioendienstverlening dan de kosten alleen. Niettemin heeft PwC de conclusie getrokken dat kleine pensioenfondsen waar mogelijk moeten fuseren, samenwerken of werkzaamheden uitbesteden. In het rapport werd na citaten uit Bikker en De Dreu ten onrechte geconcludeerd dat “zonder meer [kan] worden gesteld dat verzekeringsmaatschappijen duurder in de uitvoering zijn dan pensioenfondsen.” (PwC, 2007, p. 32)1. Hier begint het misverstand.

DNB-conclusie 2: kosten individuele pensioenverzekering hoger dan bij pensioenfondsen

De tweede boodschap van Bikker en De Dreu was namelijk dat de operationele kosten van individuele pensioenen (of lijfrentes) van verzekeraars ruim zeven keer hoger zijn dan die van pensioenfondsen. Het gaat dan zover het verzekeraars betreft uitsluitend over individuele contracten. Bovendien worden enige slagen om de arm gehouden. De beperkte beschikbare gegevens laten nadere analyse van andere producten van levensverzekeraars niet toe. Zo kon bijvoorbeeld niets worden gezegd over de kosten van hun collectieve pensioencontracten. De ongeclausuleerde bevinding van PwC dat verzekeringsmaatschappijen duurder in de uitvoering zijn dan pensioenfondsen, is derhalve onjuist en ten onrechte toegepast op collectieve contracten. Ponds (2009) begaat dezelfde vergissing. De impliciete betekenis van de boodschap van Bikker en De Dreu is dat pensioenfondsen een efficiënt product leveren (onder meer door de verplichte deelname), dat zzp’ers veel duurder uit zijn (omdat zij in het huidige bestel niet zijn aangesloten bij een pensioenfonds) en dat aftopping van pensioenen op 1,5 maal modaal (zoals GroenLinks, SP en aanvankelijk de PvdA toentertijd voorstelden in hun verkiezingsprogramma´s) niet handig is, omdat individuele ‘reparatie’ met veel hogere kosten gepaard gaan. Bikker en De Dreu leggen overigens uit waarom verzekeraars bij individuele producten duurder uit zijn: (1) ze hebben extra kosten van acquisitie en bemiddeling en last van averechtse selectie waardoor medische keuring noodzakelijk is, (2) de individuele aanpak heeft een kleine schaal waardoor de kosten relatief hoog zijn, en (3) er is een winstmarge noodzakelijk (met andere woorden, het risico wordt afgedekt dankzij kapitaal van aandeelhouders).

Geen uitspraak optimale individuele keuze

De uitspraak van Bikker en De Dreu zegt niets over de optimale keuze van een ondernemer tussen een eigen pensioenfonds of een verzekeraar voor zover het kosten betreft. Daarvoor schoten hun gegevens te kort. Het Verbond van Verzekeraars heeft PwC echter uitgebreide gegevens over collectieve contracten van verzekeraars in handen gegeven om deze optimaliteitsvraag wel te beantwoorden. PwC heeft in een recent gepresenteerd rapport gevonden dat verzekeraars bij gelijke omvang van de deelnemers goedkoper zijn. Ook nu weer valt dit kostenverschil te herleiden tot schaalvoordelen: verzekeraars kunnen immers meer contracten combineren en bepaalde kosten over meer grote contracten uitsmeren. Dit kostenvoordeel zegt overigens niets over de efficiëntie van verzekeraars. Wellicht had hun kostenvoordeel door hun grotere schaal (door het combineren van een aantal collectieve contracten) nog veel groter moeten zijn. Daarover spreekt PwC zich jammer genoeg niet uit. Ander – meer abstract – onderzoek is niet erg positief over de efficiëntie van zowel levens- als schadeverzekeraars (Bikker en Van Leuvensteijn, 2009, en Bikker en Gorter, 2008).

PwC levert incompleet beeld

Dit tweede PwC onderzoek maakt een degelijke indruk. Er is overigens wel kritiek op dit rapport mogelijk:

  1. De kosten van vermogensbeheer zijn niet meegenomen. Daar kan natuurlijk ook aan verdiend worden. Eventuele winstneming zou hier door de volatiele rendementen minder zichtbaar zijn.
  2. In de actuariële tarieven en risicoverzekeringen kan ook een marge zijn inbegrepen (een solvabiliteitspremie, dat is: de kosten van het dragen van risico). De zogenaamde ‘achteruitstelling’ van de leeftijd is daar een voorbeeld van. Overigens zitten er bij de onderhandelingen wel actuarissen van beide contractpartners om de tafel; dit gaat niet in het verborgene.
  3. Regelingen die bij verzekeraars zijn ondergebracht zouden minder complex kunnen zijn, zodat lagere operationele kosten logisch zijn. Daarnaast geldt dat sommige pensioenfondsen (zoals bijvoorbeeld het ABP) een heleboel verschillende pensioenregelingen beheren, zodat schaalvoordelen (bij APG) worden overschat (of het betrokken pensioenfonds bij de vergelijking in de verkeerde grootteklasse zit).
  4. De kwaliteit die verzekeraars bieden zou vergeleken met die van pensioenfondsen lager kunnen zijn, met als gevolg administratieve achterstanden, onjuiste en te late UPO´s, etc. Hiervoor is wel anekdotisch bewijs aanwezig.

Er zijn bij de vergelijking verder nog wel complicaties. Zo heeft een verzekeraar kapitaal nodig waarop winst moet worden gemaakt. Dat zit in hun uitvoeringskosten. Pensioenfondsen hebben buffers tegen risico. Dat vergt extra premie, in de opbouwfase. Deze extra premies vallen echter niet onder de uitvoeringskosten. Uiteindelijk valt de buffer ook niet in handen van derden (zoals een aandeelhouder), overigens ook niet in die van de werkgever die de bijdrage aan de buffer kwijt is.

De echte conclusie

De belangrijkste conclusie die Bikker en De Dreu trekken, is dat individuele pensioenvoorzieningen van verzekeraars met veel meer operationele kosten gepaard gaan dan die van pensioenfondsen. Suggesties van PWC (2007) dat deze uitspraak ook geldt voor collectieve contracten (suggererend dat verzekeraars altijd duurder zijn) kunnen niet aan BBD worden toegeschreven. In het recent verschenen tweede PWC-rapport wordt gerapporteerd dat de operationele kosten van collectieve contracten van verzekeraars lager zijn dan die van pensioenfondsen. Van een echte tegenstelling tussen de twee PwC-onderzoeken is dus geen sprake, omdat verzekeraars goedkoper kunnen zijn door schaalvoordelen, zelfs wanneer zij in meer algemene zin minder efficiënt zouden opereren.

Voetnoot

1 Tevens concluderen zij “Er is af te leiden dat Bikker en De Dreu voor collectieve pensioenregelingen uitgaan van gemiddeld 20% tot 50% hogere uitvoeringkosten van verzekeraars dan van pensioenfondsen.” Mij is onbekend waarop PwC dit baseert. Wel hebben Bikker en De Dreu geconstateerd dat op collectieve contracten vergelijkbare winstmarges worden geboekt als op individuele producten.

Referenties:

Bikker J. en J. De Dreu (2006): “Uitvoeringskosten van pensioenverstrekkers”, in: Lecq van der F. en O. Steenbeek (red.): Kosten en baten van collectieve pensioensystemen, Kluwer, Dordrecht.

Bikker, J.A., M. van Leuvensteijn, 2008, Competition and efficiency in the Dutch life insurance industry, Applied Economics 40, 2063–2084.

Bikker, J.A., J. Gorter, 2008, Performance of the Dutch non-life insurance industry: competition, efficiency and focus, DNB Working Paper nr. 164.

Ponds, E., 2009, “Conclusies van commercieel pensioenonderzoek zijn te koop”, Me Judice, Jaargang 2, 24 mei 2009.

PricewaterhouseCoopers (2007), “Kosten en baten van ondernemingspensioenfondsen”, 8 november 2007. Uitgevoerd door PwC in opdracht van het OPF.

PricewaterhouseCoopers (2009), “Uitvoeringskosten van pensioenregelingen. Een onderzoek naar de kosten van verzekeraars en pensioenfondsen voor de uitvoering van collectieve pensioenregelingen” , 23 april 2009. Uitgevoerd door PwC in opdracht van het Verbond van Verzekeraars.

Te citeren als

Jaap Bikker, “Een misverstand over kosten van collectieve pensioenvoorzieningen”, Me Judice, 9 juni 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.