Eindsprint Obama ontkracht het ‘Lame duck’-syndroom

Menig Amerikaanse president die in zijn tweede termijn zit valt ten prooi aan het ´lame duck´-syndroom, waarbij de leider van een natie kreupel de eindstreep haalt. Deze ‘wet’ geldt echter niet voor president Obama, volgens Janka Stoker en Harry Garretsen. Zijn successenreeks van de afgelopen tijd is omvangrijk en indrukwekkend en hij laat zien dat een lange eindsprint op het einde van je termijn wel degelijk mogelijk is.

Successenreeks

De dadendrang van president Obama is indrukwekkend de afgelopen tijd. Alleen al in de afgelopen week gaf hij de hoogste berg in de VS haar controversiële Indiaanse naam terug , was hij de eerste zittende Amerikaanse president die het Noordpoolgebied in Alaska bezocht om daarmee de aandacht te vestigen op het klimaatprobleem, en verbeterde hij de rechten van arbeiders . Verder herstelde hij onlangs de banden met Cuba, en ondernam bijvoorbeeld ferme stappen op het gebied van immigratie en klimaatverandering. Voeg daaraan toe dat hij eind juni zowel zijn eigen Witte Huis in een regenboog kleurde vanwege de legalisering van het omstreden homohuwelijk in alle Amerikaanse staten, als tevens zijn succes rondom Obamacare vierde. Plus, en zeker last but not least, denk aan zijn indrukwekkende optreden tijdens de herdenking van de schietpartij in de kerk in Charleston, en het is duidelijk: deze president wil een erfenis achterlaten en is nog lang niet uitgeregeerd.

Gevreesde tweede termijn

Dat valt extra op, omdat Obama inmiddels dus aan de eindfase van zijn presidentschap is begonnen. In de politicologie wordt een Amerikaanse president in zijn tweede termijn omschreven als een zogenaamde ‘lame duck’. Officieel is deze term voorbehouden aan de korte periode van november tot januari tussen de uitkomst van de verkiezing waar de president niet meer aan meedeed, en de inauguratie van zijn opvolger. Maar er wordt ook wel beweerd dat een president al een lame duck is na de tussentijdse Congresverkiezingen, halverwege zijn tweede termijn (zie Johnson, 1986). Zo’n ‘kreupele eend’ krijgt hoegenaamd weinig tot niets meer voor elkaar bij het Congres, krijgt steeds minder aandacht in de media, en er wordt zelfs beweerd dat de tweede termijn voor presidenten een waar ‘trauma’ is, waarbij dan de voorbeelden van Richard Nixon of Bil Clinton worden genoemd. Onderzoek wijst inderdaad uit dat een president in de tweede termijn bijna altijd minder succesvol is dan tijdens de eerste termijn (zie Nelson, 1998). Presidenten moeten het bij voorkeur hebben van de eerste “Hundred Days” aan de start, vernoemd naar het succes van Franklin D. Roosevelt bij de start van zijn presidentschap, die in 1933 in zijn eerste 100 dagen maar liefst 16 nieuwe wetten door het Congres loodste.

Niets te verliezen

Maar Obama lijkt het ‘lame duck’ fenomeen te ontkrachten. Sterker nog, zijn optreden laat zien dat hij het juist moet hebben van zijn laatste periode als president. Voormalige criticasters van Obama als Paul Krugman (2014) hebben hun oordeel over zijn presidentschap herzien. Obama handelt alsof hij niets meer te verliezen heeft, en hij lijkt zich vrijer dan ooit te voelen. Hij gebruikt zijn macht en positie om ambitieuze doelen te verwezenlijken die hij belangrijk vindt, en maakt zich weinig druk om de mening van politieke tegenstanders of zelfs zijn eigen partijgenoten. Hij is misschien eindelijk de leider geworden die hij in 2008 al beoogde te zijn, toen hij de verkiezingen voor de eerste keer won met de slogan ‘Change we can believe in’.

Amerikaanse presidenten worden al decennia lang door politicologen en historici gescoord op Presidential Greatness (Simonton, 1986). Daarbij wordt gebruik gemaakt van vragenlijsten om deskundigen maar ook het grote publiek een rangorde te laten aangeven van de Amerikaanse presidenten tot nu toe. De voorspellers van de grootheid van een president zijn met name zijn bereikte successen en mislukkingen. Landy en Milkis (2000) beschrijven in hun boek Presidential Greatness dat het uiteindelijke succes van een president vooral bepaald wordt door het leiderschap van de president, want de belangrijkste criteria zijn volgens hen (a) het hebben van een visie en (b) het fungeren als ‘change agent’. De meest recente poll in 2015 onder politicologen gaf aan dat tot nu toe Abraham Lincoln de grootste president is, en Bill Clinton de grootste onder de nog levende oud presidenten. De geschiedenis zal moeten uitwijzen of Obama korte metten maakt met het verschijnsel van de ‘lame duck’, en door zijn leiderschap aan het eind van zijn tweede en laatste termijn juist hoog gaat eindigen op de Presidential Greatness Index. In elk geval laat Obama vooralsnog zien hoe je, met het eind van je regeerperiode in zicht, niet als ‘lame duck’ hoeft te eindigen maar juist in een machtige eindspurt nog verrassend veel voor elkaar kan krijgen.

Referenties:

Johnson, K.S. (1986). The Portrayal of Lame-Duck Presidents by the National Print Media. Presidential Studies Quarterly, 16 (1), 50-65.

Krugman, P., (2014), “In Defense of Obama”, Rolling Stone, 8 oktober 2014,

Landy, M. & Milkis, S.M. (2000). Presidential Greatness. Lawrence: University Press of Kansas.

Nelson, M. (1998). Bill Clinton and the politics of second terms. Presidential Studies Quarterly, 28 (4), 786-792.

Simonton, D.K. (1986), “Presidential Greatness, The Historical Consensus and Its Psychological Significance”, Political Psychology, pp. 259-283.

Te citeren als

Janka Stoker, Harry Garretsen, “Eindsprint Obama ontkracht het ‘Lame duck’-syndroom”, Me Judice, 2 september 2015.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

In de media