Eurocrisis, bezuinigingen, bankbelasting: economisch beleid in de verkiezingsprogramma’s

Eurocrisis, bezuinigingen, bankbelasting: economisch beleid in de verkiezingsprogramma’s image
17 aug 2012 | | 3136 keer bekeken
Als het aan de PVV ligt, worden de komende verkiezingen een referendum over Europa. Andere partijen hameren vooral op de noodzaak van een ‘uitweg uit de crisis’ (PvdA), waar Nederland ‘sterker’ (VVD en CDA), ‘werkend’ (D66) of ‘sociaal’ (SP) uit zou moeten komen. Maar wat willen de politieke partijen nu precies met het economisch beleid? Politicoloog Jasper Laros en econoom David Hollanders geven een analyse van de verkiezingsprogramma’s van de partijen van het ‘Lente-akkoord’ (VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie) en de PvdA, SP en PVV.

De euro en het Europees Stabiliteitsmechanisme ESM

Nederlands belangrijkste economische probleem is Europees: de euro. Meerdere Europese landen (waaronder Griekenland en Spanje) kunnen zonder miljardensteun van de Europese Centrale Bank (ECB) en andere lidstaten (via het EFSF en ESM) hun overheidsschuld niet meer afbetalen. Zonder permanente oplossing dreigt continu een faillissement van deze landen en van (ook Nederlandse) banken, terwijl voortdurende bezuinigingen in deze landen via vraaguitval tot langdurige recessies en werkloosheid leiden. Door afnemende exporten raakt dit indirect ook weer Nederland. Politieke partijen hebben inmiddels twee jaar na kunnen denken over een oplossing en de verdeling van de verliezen. De eurocrisis verdeelt de politieke partijen door alle andere scheidslijnen heen.

Met een eigen munt zouden de zuidelijke landen hun tekorten kunnen financieren door zelf de geldpers aan te zetten. De PVV staat deze oplossing voor. De partij wil van de euro en het ESM af en in een moeite door ook van het Nederlandse lidmaatschap van de EU. Hiermee komen de handelsvoordelen van een gemeenschappelijke munt te vervallen, maar het roept ook een halt toe aan de overdrachten van de Nederlandse belastingbetaler aan noodlijdende EU-lidstaten en de banken. Omdat de valuta van de probleemlanden waarschijnlijk minder waard worden, zouden de verliezen deels genomen worden door de banken, wiens vorderingen in waarde dalen.

De SP wil de verliezen direct neerleggen bij de banken. Deze hebben immers slechte leningen verstrekt. De socialisten stemden tegen het ESM omdat de partij vindt dat deze ‘hulpoperaties (…) niet zozeer de betreffende landen, maar het Europees bankwezen [helpen]’. Op dit moment worden probleemleningen inderdaad verplaatst van private banken naar de ECB en overheidsvehikels, waarvoor de belastingbetaler garant staat (de Griekse herstructurering is daarop een uitzondering; deze vond echter plaats nadat twee derde van de Griekse schuld uit private handen overging naar de ECB en het EFSF).

De middenpartijen zijn, met enkele nuanceverschillen, wel vóór de steunoperaties. ‘[E]en sterk en betrouwbaar noodfonds [is nodig] om de stabiliteit in de eurozone te garanderen’, vindt de PvdA, terwijl GroenLinks de wens uitspreekt dat ‘Nederland [zich inspant] voor een krachtig Europees en mondiaal toezicht op de financiële markten.’ D66 is uitgesproken voorstander van de euro en de EU: ‘Het is noodzakelijk dat we nu vol inzetten op het redden van de euro. (…) Als iets beter Europees dan nationaal geregeld kan worden, dan doen we dat.’ Het CDA is iets cryptischer: ‘De Economische- en Monetaire Unie moet worden voltooid om een stabiele eurozone te krijgen.’ Van de middenpartijen is de VVD het terughoudendst: ‘[D]eze situatie [zal] moeten worden aangegrepen om de aansturing van de euro te verbeteren. Daarvoor hoeft geen macht te worden overgedragen aan Brussel.’ De middenpartijen vinden de voordelen van de euro (vergemakkelijken van handel) doorslaggevend, of vinden de politieke en juridische risico’s van herstructurering van overheidsschulden (waarmee banken meebetalen) of zelfs een euro-exit onaanvaardbaar.

Tot slot neemt de ChristenUnie een middenpositie in. ‘Koste wat kost de eurozone in stand houden is niet per definitie de beste oplossing’, staat te lezen in het verkiezingsprogramma. De partij stemde tegen het ESM en wil bovendien een ‘onderzoek naar het opsplitsen van de eurozone.’

Begrotingstekort naar drie procent in 2013

Niet alleen de overheidsschulden van de zuidelijke EU-lidstaten baren zorgen. Ook de Nederlandse overheidsschuld is toegenomen van 45 procent in 2007 tot boven de in het Stabiliteitspact overeengekomen grens van 60 procent nu (overigens grotendeels het gevolg van de reddingen van de banken ING en ABN AMRO in 2008). Ook het begrotingstekort is in 2013 hoger dan de drie procent die het Stabiliteitspact voorschrijft. Menigeen ziet hier een noodzaak tot bezuinigen in: ’s lands overheidsfinanciën moeten weer op orde. Keynesiaanse economen zoals Nobelprijswinnaar Krugman pleiten juist voor hogere overheidsuitgaven om vraaguitval in de private sector te compenseren, zeker zolang de rente als gevolg van spaaroverschotten (de keerzijde van vraaguitval) laag is.

Het Lente-akkoord koos ondubbelzinnig voor het verminderen van de overheidsschuld en het reeds in 2013 terugbrengen van het begrotingstekort tot drie procent. Dit komt maar beperkt naar voren in de verschillende verkiezingsprogramma’s. De VVD (‘Als de overheid minder uitgeeft, hoeft zij minder belasting te heffen en minder te lenen bij de private sector’) en D66 (‘Gewoon niet meer uitgeven dan er binnenkomt. Niet op de pof leven. Zo moet het thuis, zo moet het bij de overheid.’) verdedigen hun standpunten, daarbij enig moralisme niet schuwend.De andere drie Lente-akkoordpartijen besteden weinig aandacht aan het begrotingstekort.

De PvdA, SP en de PVV wensen hoe dan ook niet meteen hard te bezuinigen. De PvdA wil‘[zich richten] op een begrotingsbeleid dat zicht biedt op structureel begrotingsevenwicht in 2017’. De SP en de PVV delen vrijwel dezelfde bezuinigingsambitie: ‘pas in 2015 onder de 3 procent komen en op termijn naar begrotingsevenwicht’ (PVV) respectievelijk ‘uiterlijk in 2015 (…) onder het door Brussel opgelegde maximum van drie procent’ (SP), afgezien van de veel scherpere toon in het PVV-programma (‘Het dictaat van Brussel om de economie kapot te bezuinigen (…) kan de prullenbak in’ (sic).

Bezuinigen

Of we nu in 2013, ’14 of ‘15 beginnen: er zal bezuinigd worden, vinden vrijwel alle partijen. Wel bestaat er verschil van mening over de vraag hoe te bezuinigen (lastenverzwaring worden gemakshalve vaak ook als bezuiniging gepresenteerd). De PVV neemt een uitzonderingspositie in, omdat deze partij - hoewel zeggend naar begrotingsevenwicht te streven - een aantal belangrijke belastingen juist wil verlagen, namelijk de BTW, accijns op brandstof, energie- en vennootschapsbelasting. De partij wil wel ‘snijden in de overheid’ en kiest daarbij voor bijvoorbeeld ‘een vijfde minder ambtenaren’ en ‘minder bestuurslagen’. Tegelijkertijd laat de PVV grote uitgaveposten zoals de zorg en de hypotheekrenteaftrek ongemoeid.

Lijnrecht hiertegenover staat de VVD, die als grootste van de Lente-akkoord-partijen heeft getekend voor verhoging van diverse lasten voor de burger (BTW, accijns, belasting) en beperking van enkele voordelen (aftrek reiskosten, hypotheekrente en vennootschapsbelasting). De VVD pleit voor een ‘ombuigingstaakstelling van 24 miljard euro in 2017’ en is daarmee explicieter en drastischer dan alle andere partijen als het gaat om bezuinigen. Uit die 24 miljard willen de liberalen overigens nog wel voor 5 miljard ‘lagere belastingen’ en voor 3 miljard investeringen ‘in onder andere onderwijs, veiligheid en infrastructuur’ financieren.

Het CDA en GroenLinks nemen in hun verkiezingsprogramma wat afstand van het door henzelf getekende Lente-akkoord. ‘Onderdeel van de sanering van de overheidsfinanciën is ook verlaging van de lastendruk’ zegt het CDA in weerwil van de realiteit van forse lastenverzwaringen. GroenLinks wil ‘door kleinere klassen, minder management, duidelijkere eisen en hogere beloningen (…) de leraar weer de ruimte geven om zijn werk te doen’, terwijl de partij zich met het Lente-akkoord juist heeft gecommitteerd aan het twee jaar lang bevriezen van de ambtenarensalarissen. D66 wil een ‘slimme mix van hervormen, investeren en bezuinigen’, de ChristenUnie een ‘weloverwogen mix van stevige bezuinigingen op de uitgaven, investeringen en een verantwoorde lastenontwikkeling’. Op links heeft de PvdA geen noemenswaardige andere inzichten. De SP, tot slot, wil naast bezuinigen relatief veel investeren: 3 miljard euro in 2013 voor ‘het onderhoud van woningen en scholen, wegen en spoorwegen. Door kantoorpanden om te bouwen tot woonruimte en woningen te bouwen die energiezuiniger zijn.’ De socialisten bepleiten bovendien de instelling van een ‘nieuwe nationale investeringsbank’.

Banken belasten en/of reguleren

De eurocrisis is het gevolg van een bankencrisis. De overheidsschulden in Spanje, Ierland en ook Nederland zijn vooral gestegen door het redden van private banken. Ook hebben de banken bij het verstrekken van leningen aan probleemlanden hun kredietwaardigheid spectaculair overschat. Politieke partijen hebben sinds 2008 kunnen nadenken hoe het afwentelen van private risico’s op de samenleving te voorkomen.

De partijstandpunten ten aanzien van het belasten van banken en financiële transacties lijken weer langs klassieke links-rechts-scheidslijn te lopen. Ter linkerzijde zijn SP, GroenLinks en PvdA eenvoudigweg voor een verhoging van de bankenbelasting en voor een belasting op financiële transacties (de zgn. Tobintaks). Daar zijn slechts twee nuances op: GroenLinks wil de bankenbelasting niet per se verhogen, maar uitbreiden ‘zodat niet alleen de systeembanken, maar alle grotere banken een stevige bankenbelasting gaan betalen’ en de PvdA wil ‘in heel Europa (…) een heffing op financiële transacties’, maar maakt een uitzondering voor pensioenfondsen. Ter rechterzijde (CDA en VVD) valt vooral op dat de bankenbelasting ongenoemd blijft. Beide partijen zien wel iets in het beperken van bankiersbonussen en de VVD hamert op toezicht: ‘Waar financieel toezicht in het verleden tekort is geschoten, dient deze te worden aangescherpt’ (sic).

In het midden staan D66 en de ChristenUnie. Zij zwijgen over de maatregelen die de linkse partijen voorstaan, maar besteden wel veel meer aandacht aan het onderwerp ‘banken’. Zo bepleiten de democraten ‘een reeks van maatregelen [die] moet voorkomen dat banken onaanvaardbare risico’s nemen die neerslaan bij het publiek en de overheid. (….) D66 wil dat deze maatregelen worden ingebed in toezicht en regelingen op Europees niveau (‘Bankenunie’).’ De ChristenUnie zoekt een oplossing in ‘spaarvormen, verzekeringen en andere financiële producten die transparant zijn en eenvoudig.’ Ook wil de partij nuts- en spaarbanken scheiden ‘zodat mensen kunnen kiezen voor zekerheid en hun spaartegoeden geen onnodige risico’s lopen’.

De PVV positioneert zich op dit onderwerp uitdrukkelijk aan de linkerzijde van het spectrum: ‘We verdriedubbelen met plezier de bankenbelasting’. Overigens is in het Lente-akkoord al een verdubbeling van de bankenbelasting afgesproken.

Opmerkelijk is ten slotte dat meerdere partijen de kapitaalseisen van banken willen verhogen – niet onverstandig nu banken momenteel over slechts vier procent eigen vermogen beschikken – maar dat niet kwantificeren.

Conclusie

Afgaande op de verkiezingsprogramma’s valt er op verschillende economische gebieden (eurocrisis, bezuinigingen en bankbelasting) iets te kiezen. Op alle gebieden neemt de PVV één van de extreme posities in: de partij wil af van de euro, wenst banken zwaar te belasten en de partij weigert harde bezuinigingen (tenzij op de overheid). De SP wil de rekening van de crisis eerst en vooral bij banken neerleggen. De andere extremen worden ingenomen door D66 (pro-Europees), de VVD (die hard wil bezuinigen) en het CDA dat (net als de VVD) de bankensector nauwelijks een financiële bijdrage vraagt om risico’s voor de samenleving af te dekken. Partijen lijken als het om economie gaat vooral verdeeld op de lijnen links-rechts en voor en tegen Europa, al weet de PVV diverse klassiek-linkse en -rechtse standpunten met elkaar te verenigen. Ten slotte is er weinig eenheid te ontdekken in de economische plannen van de partijen van het Lente-akkoord; veelzeggend is dat in de verkiezingsprogramma’s soms al wordt teruggekomen op afgesproken bezuinigingen.

Uiteraard geldt voor alle partijen dat onzeker is of ze de beleden standpunten daadwerkelijk in beleid kunnen en willen omzetten. Maar dat wordt pas veel later dan 12 september duidelijk.

Citaten zijn afkomstig uit de respectievelijke (concept-)verkiezingsprogramma’s 2012 die begin augustus beschikbaar waren.

Bron foto: Flickr.

Te citeren als

David Hollanders, Jasper Laros, “Eurocrisis, bezuinigingen, bankbelasting: economisch beleid in de verkiezingsprogramma’s”, Me Judice, 17 augustus 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.