Europese innovatiedoelstellingen moeten SMART worden

Europese innovatiedoelstellingen moeten SMART worden image
Afbeelding ‘SMART verified’ van thomas lapperre (CC BY 2.0)
In 2010 is Europa één van de meest welvarende economieën ter wereld. Maar dé meest competitieve en dynamische kenniseconomie van de wereld - het doel van de zogeheten Lissabon-agenda - zal niet worden gehaald. De werkgelegenheid is sinds 2000 fors toegenomen, Europese samenwerking is geïntensiveerd, maar de productiviteitsgroei blijft middelmatig. De EU moet daarom ook na 2010 de Lissabon-agenda voortzetten met de focus op productiviteitsgroei en onderbouwen met meer realisme voor de praktijk van innovatie. Innovatiedoelstellingen moeten daarom SMART (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden) worden.

Lissabon-doelstelling niet gehaald

Speerpunt van de Europese groeistrategie is het verhogen van de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling (O&O) naar 3 procent van het nationaal inkomen. Deze uitgaven zijn echter sinds 2000 stabiel gebleven op 1,9 procent van het nationaal inkomen. Een aantal lidstaten (Oostenrijk, de Scandinavische landen) hebben hun O&O-uitgaven verhoogd, maar in Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Polen en Nederland zijn deze uitgaven juist omlaag gaan. Wel heeft de EU een begin gemaakt met de vermindering van administratieve lasten en regelgeving voor het bedrijfsleven en wordt de interne markt gestimuleerd door de dienstenrichtlijn, verbetering van het principe van wederzijdse erkenning van productnormen in goederen en een betere integratie van de financiële markten.

De groeistrategie heeft echter nog onvoldoende opgeleverd. De productiviteitsachterstand die Europa heeft op technologieleiders is tussen 2000 en 2007 niet afgenomen: de productiviteit (groei van BBP per uur) in de EU-27 bleef met 1,7 procent per jaar achter bij de VS (2,0%) en Japan (1,9%). De convergentie van de nieuwe lidstaten naar West-Europees niveau is wel succesvol gebleken: de productiviteit groeide in de periode 2000-2007 met 4,5% per jaar.

Coördinatie en realisme gevraagd

De onderlinge verbondenheid van landen op het gebied van kennis en technologie is sterk, veel sterker dan voor werkgelegenheid. Dit vraagt om Europese coördinatie, omdat zonder Europese samenwerking nationaal innovatiebeleid onvoldoende rekening zal houden met de positieve effecten van innovatie op de kennisdiffusie naar andere landen (Ederveen et al. 2004). Uit de gezamenlijke acties van de EU landen om de gevolgen van de kredietcrisis het hoofd te bieden blijkt dat zij zich bewust zijn van de spillover-effecten van nationaal beleid op andere landen. Onze verwachting is dat dit inzicht en deze daadkracht ook doorspelen bij het innovatiebeleid, want Europa heeft baat bij een gezamenlijk beleid zoals ook al uitvoerig in het bekende Sapir-rapport (2003) werd beargumenteerd. De Europese uitdaging ligt primair op het terrein van productiviteit, omdat hogere productiviteit zorgt voor meer welvaart en een zuiniger productie mogelijk maakt. Werkgelegenheidsbeleid en sociaal beleid dragen bij aan welvaart, maar kunnen door lidstaten zelf worden vormgegeven.

De uitdaging om productiviteit op een hoger plan te tillen geldt zowel voor de lidstaten afzonderlijk als gezamenlijk. De kunst is om deze uitdaging concreet te maken, of om het met een managementterm te duiden: de doelen moeten SMART (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden) zijn. De doelstelling om 3 procent van het BBP uit te geven aan O&O is niet SMART. Het is meetbaar en tijdgebonden (2010), maar het is niet realistisch en niet erg specifiek, omdat het leeuwendeel door de private sector gerealiseerd moet worden – en daarmee valt het buiten de directe invloedsfeer van de overheid. Bovendien is de innovatiedoelstelling als speerpunt van de groeiagenda té specifiek, omdat vele wegen leiden naar innovatie waarbij in sommige sectoren O&O een ondergeschikte rol speelt. De kernvraag voor de Europese overheden is dus hoe zij gezamenlijk en ieder voor zich kunnen werken aan hogere productiviteit in de EU. De sleutel tot het antwoord ligt in het formuleren van doelstellingen die SMART zijn.

Maar hoe dan?

De meerwaarde van beleid op EU-niveau is het internaliseren van de grensoverschrijdende effecten van nationaal innovatiebeleid. Met dit uitgangspunt in gedachten komen wij op de volgende prioriteitsstelling. In termen van beleidsacties moet de EU streven naar een patent dat voor de gehele gemeenschap geldt, verhoging van de publieke O&O uitgaven en een interne markt voor kenniswerkers. In termen van beleidsuitkomsten denken wij aan doelstellingen voor productiviteitsgroei, aantallen patenten, aandeel van nieuwe producten in totale omzet, het aandeel innoverende ondernemingen en internationale mobiliteit van studenten. Deze doelstellingen moeten verder gaan dan de huidige realisaties.

Beleidsacties op EU-niveau...

Concrete doelen voor gezamenlijk beleid zijn:

Introductie gemeenschapspatent. De meerderheid van de innovatieve bedrijven in de EU (60 procent om precies te zijn) introduceert zijn nieuwe producten op de nationale markt, terwijl maar 25 procent dat in andere lidstaten doet. Een van de remmende factoren is patentregistratie, dat per land gebeurt en waarbij de vertaling van patenten voor bedrijven duur is. De oplossing voor dit inefficiënte en innovatieremmende stelsel is de introductie van een effectief patentsysteem op Europees niveau.

Verhoging EU-innovatiebudget. Slechts 4 procent van het EU-budget gaat naar innovatie in 2007, terwijl dit toch één van de speerpunten moet zijn van Europees beleid. Het is slechts 10 procent van alle publieke uitgaven aan innovatie in de EU en slechts 0,04 procent van het Europese BBP. De lidstaten nemen dus nog steeds het voortouw, maar presteren te weinig. Het weglekken van de voordelen van innovatie naar andere landen kan hier een oorzaak kan van zijn. In navolging van het Kok-rapport zou de EU moet streven naar een toename van O&O uitgaven. Een ambitieuze doelstelling is het verhogen van de O&O uitgaven tot 25 procent van het budget, waarmee tegelijkertijd de doelstelling om 1 procent van het BBP in de EU te besteden aan publiek O&O wordt gerealiseerd. Het Europese onderzoeksbudget moet vooral besteed worden aan onderzoek en ontwikkeling dat op nationaal niveau vanwege een te kleine schaal niet plaats vindt (zoals deeltjesversnellers, ruimtevaart en defensie) en onderzoek met grote weglekeffecten zoals innovatiesubsidies aan multinationals. De keuze voor dit type projecten beperkt ook het risico dat nationale overheden minder budget aan O&O besteden.

Verbetering interne arbeidsmarkt voor kenniswerkers. Innovatie en de verspreiding van innovatie kan alleen plaatsvinden als er voldoende kenniswerkers zijn. Innovatie, hoger onderwijs en kennis zijn complementair. Dit vraagt niet alleen om goed onderwijs maar ook om een goed werkende arbeidsmarkt voor kenniswerkers die in toenemende mate internationaal is. De aantrekkingskracht van Europa als werkgever wordt in grote mate bepaald door een arbeidsmarkt zonder belemmeringen. Voor werknemers van multinationals mogen er geen belemmeringen zijn om te werken voor dochterondernemingen in andere lidstaten. Kennisinstituten zoals universiteiten en hogescholen moeten hun vacatures openstellen voor medewerkers uit andere lidstaten. Kenniswerkers van buiten de EU moeten zich vrij in elke lidstaat kunnen vestigen. De blue card kan hier een belangrijke rol in spelen.

Meer mobiliteit van studenten – Mobiliteit van studenten vormt een succesvol onderdeel van de kennisuitwisseling in de afgelopen jaren. Het aantal studenten dat bijvoorbeeld deelneemt aan het Erasmus-programma is toegenomen van drieduizend in 1987-1988 tot meer dan 150 duizend in 2006-2007. In dezelfde periode is het aantal studenten dat in het buitenland studeert toegenomen van 2,0 tot 2,7 procent van de studentenpopulatie. Zeker net zo belangrijk voor de kennisoverdracht is de uitwisseling van onderzoekers. De EU moet er daarom naar streven dat 5 procent van zowel de studenten als de onderzoekers gedurende een langere periode aan een buitenlandse onderzoeksinstelling studeert of werkt.

…en op nationaal niveau

De volgende doelstellingen voor de lidstaten vormen een aanvulling op de gezamenlijke en gecoördineerde EU-ambitie:

Verhogen van de publieke O&O uitgaven. In aanvulling op Europese uitgaven aan O&O dient elke lidstaat een ambitieuze maar realistische doelstelling in zijn meerjarenbegroting op te nemen.

Bescherming intellectueel eigendom. Een meetbaar gevolg van toenemende innovatie in de EU is een toename van het aantal patenten van 100 naar 150 per miljoen inwoners. Ongeveer één vijfde van deze patenten rekent Eurostat echter tot de technologiepatenten. Wil Europa zich echt meten met de grensverleggers in de wereld, zoals de VS, dan zal dit percentage omhoog moeten van 30 naar 60 technologiepatenten per miljoen inwoners.

Meer nieuwe producten. Het aandeel van nieuwe producten in de totale omzet van bedrijven is voor veel oude EU-landen ongeveer 20 procent. Een ambitieuze beleidsuitkomst zou 25% kunnen zijn in 2020. Op dezelfde wijze zouden er doelstellingen voor het percentage innovatieve bedrijven in en landen innovatieve producten of diensten geformuleerd kunnen worden. Het voordeel van dit type doelstellingen is dat landen stimuleringsmaatregelen kunnen invoeren die bij de innovatie cultuur en structuur van hun land passen en dat deze doelstelling gericht zijn op de output van innovatie in brede zin.

Onderwijs – Hoewel onderwijs geen of weinig direct aantoonbare spillovers genereert, vormt het wel de basis voor toekomstige productiviteitsgroei vanwege de complementariteit met innovatie. Relevante doelstellingen, die ook al in de huidige agenda worden genoemd, zijn kennis van vreemde talen, verhogen van opleidingsgraad op zowel hoger onderwijs als middelbaar beroepsonderwijs en terugdringing van uitval. Daarnaast is blijvende scholing van werknemers relevant om productief te blijven. De concrete doelstellingen in de huidige agenda kunnen in de komende jaren verder worden aangescherpt.

Tot slot

De wens om de Europese economie naar een hoger plan te tillen kan alleen gerealiseerd worden door gecoördineerd beleid met duidelijke en realistische beleidsdoelstellingen. Een nieuwe Lissabon-agenda moet zich daarom richten op kennis en innovatie en het formuleren van heldere doelstellingen die grotendeels door regeringen zelf gerealiseerd kunnen worden. Met deze agenda voorspellen wij dat de EU in staat zal zijn om de productiviteitsgroei op te krikken tot 2,5 procent in de periode 2010-2020. Deze voorspelling is specifiek, meetbaar, ambitieus en tijdgebonden en we zien uit naar de R van realisatie.

Referenties

European Council, 2000, Presidency conclusions, Lisbon European Council, 23-24 March 2000.

Ederveen, S., A. van der Horst en P. Tang, 2004, Is the European economy a patient, and the Union its doctor? On jobs and growth in Europe. CPB Document 80, Den Haag.

Kok, W., 2004, Facing the challenge; the Lisbon strategy for growth and employment.

Sapir, A. (2003), An agenda for a growing Europe; Making the EU economic system deliver, Report to the European Commission.

Te citeren als

Albert van der Horst, Arjan Lejour, “Europese innovatiedoelstellingen moeten SMART worden”, Me Judice, 16 december 2008.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.