Experimenten basisinkomen zeggen helemaal niets

Experimenten basisinkomen zeggen helemaal niets image
Afbeelding ‘the golden key.’ van Lee Royal (CC BY-NC-ND 2.0)
19 jun 2015 |
Het idee van een basisinkomen is populair en sommige grote gemeenten gaan zelfs over tot het voeren van een experimenten. Ook Bart Nooteboom presenteerde onlangs een Indiaas experiment met een positief resultaat. Volgens Raymond Gradus zijn ideeën over een basisinkomen luchtkastelen, waarbij de voorstanders van een basisinkomen met een roze bril naar de feiten en experimenten kijken. Buitenlandse experimenten met een basisinkomen zijn totaal niet relevant voor de Nederlandse praktijk.

Het basisinkomen van Nooteboom

Opnieuw doet de grote pleitbezorger van het basisinkomen, Bart Nooteboom, een poging om dit idee te verheerlijken. Ditmaal heeft hij een veldexperiment in India gevonden (zie Nooteboom (2015b)). Indiase gemeenten met een basisinkomen op het niveau van de armoedegrens voor haar inwoners zouden beter af zijn in termen van werk, gezondheid en onderwijs dan gemeenten zonder een basisinkomen. En dat experiment zou in Nederland voor navolging pleiten. Opvallend is zijn verwijt aan het debat in de media tot nu toe: ‘een met veel meningen en weinig feiten’. Eerder ben ik met Bart Nooteboom in debat gegaan over de (on)wenselijkheid van het basisinkomen (zie Volkskrant van 21 en 22 mei 2012). Mijn stelling was en is dat Nooteboom niet ingaat op de voor het Nederlandse debat relevante feiten en zijn mening vooral wordt gestaafd door voor onze context irrelevante buitenlandse experimenten.

Het feit van de onbetaalbaarheid

Een eenvoudige rekensom leert dat een basisinkomen van circa 1.000 euro per maand voor iedere Nederlander, de zogenoemde armoedegrens, bijna 195 miljard euro per jaar kost. Als we ter financiering alle uitkeringen, toeslagen en de meeste heffingskortingen zouden aanwenden, ontstaat een tekort van 70 miljard euro. Dit betekent dat gemiddeld genomen Nederlanders worden geconfronteerd met een belastingverhoging van tenminste 25 procent als dit basisinkomen wordt ingevoerd. In de Volkskrant gaat Nooteboom (2015a) in op mijn argument dat één basisinkomen op het niveau van de armoedegrens niet zal volstaan. Immers, grote groepen die nu maandelijks op een loongerelateerde uitkering of toeslag kunnen rekenen zullen fors in inkomen achteruitgaan. Nooteboom geeft aan dat aanvullende voorzieningen en uitkeringen gewoon nodig zullen blijven. Maar het financieringsgat zal dan fors groter worden en de door vele voorstanders van een basisinkomen bejubelde stroomlijning en besparingen op bureaucratie zullen uitblijven (zie bijvoorbeeld Bregman (2015)).

Het feit van de negatieve gedragseffecten

De bovenstaande rekensom is inderdaad een kale rekensom. Nooteboom heeft een punt dat dergelijke berekeningen rekening moeten houden met gedrag. Eerder heeft het CPB (2015) op basis van een empirisch model voor Nederland berekend dat een basisinkomen gelijk aan de helft van het sociaal minimum (circa 750 euro) 350.000 banen kost. Over de omvang daarvan kan men discussiëren, maar eerder heb ik voor Nederland aangegeven dat ‘je heel naïef moet zijn om te veronderstellen dat als mensen een forse uitkering krijgen zij meer gaan werken’. Bovendien moet je niet alleen rekening houden met het gedragseffect van het basisinkomen, maar ook met het gedragseffect van de financiering. Zoals het CPB aangeeft leidt een basisinkomen tot forse hogere belastingen, waarvan algemeen bekend is dat mensen zich (massaal) zullen gaan terugtrekken van de arbeidsmarkt.

De irrelevantie van buitenlandse experimenten

Voorstanders van een basisinkomen komen vaak aanzetten met een litanie aan geslaagde experimenten. Bregman (2015) heeft het ‘over talloze experimenten met een bereik van 110 miljoen families in minstens 45 landen’. Nadere beschouwing door Jansen (2015) leert dat het hier vooral gaat om armoede- of familieondersteuning en dat deze voorbeelden niets of weinig van doen hebben met een onvoorwaardelijk basisinkomen. Nooteboom (2015b) doet verslag van een experiment in India waar 3670 individuen een basisinkomen van 300 rupees (d.i. 4,13 euro) per maand ontvingen. Het gaat hier dus om een gesloten kleinschalig experiment op het Indiase platteland met een welvaartsniveau van eentweehondervijftigste van het Nederlandse. De relevantie voor Nederland ontgaat mij dus volledig. Bovendien zegt dit experiment niets over een grootschalige invoering als de Indiase middenklasse moet gaan betalen voor een basisinkomen.

De onwenselijkheid van Nederlandse experimenten

Vanwege de onbetaalbaarheid wil een aantal gemeenten zoals Tilburg, Wageningen, Groningen, en inmiddels ook Utrecht, het basisinkomen vooralsnog beperken tot de bijstand en wordt er voorgesteld om alle (sollicitatie)verplichtingen en regels voor bijverdiensten te schrappen (zie NRC (2015)). Volgens de voorstanders van het basisinkomen en de Utrechtse wethouder Everhardt zou dit experiment moeten aantonen dat ‘bijstandsgerechtigden niet lui zijn’, maar er is (bijna) niemand die dat beweert. Wel doet zich de meer principiële vraag voor of de bijstand een soort automatisch basisrecht is en een korting daarop bij werk ‘een straf’. Dit is echt de wereld op zijn kop. De bijstand is een aanvulling tot het sociaal minimum indien iemand niet zelf in staat is dat niveau te halen. Het is met andere woorden een vloer in het bestaan. Laat er geen misverstand over bestaan dat dit een basisrecht is, maar met dien verstande dat van dit recht gebruik kan worden gemaakt totdat iemand weer zelf in zijn bestaansminimum kan voorzien. Ook om te voorkomen dat er een oneerlijke situatie gaan ontstaan waarin een bijstandsgerechtigde zijn uitkering mag houden en daarnaast meer verdient als iemand die dat werk toch al deed. Want dat zijn plan uiteindelijk ten koste gaat van de ‘reguliere’ werknemer vertelt de Utrechtse wethouder er niet bij. Een andere kwestie is het schrappen van de sollicitatieplicht. Ook daar is weinig reden voor. Uit onderzoek door de Inspectie SZW (2013) blijkt dat twee derde van de bijstandspopulatie een formele of informele ontheffing heeft van deze plicht. Bovendien blijven er nog steeds vele vacatures (bijvoorbeeld in het seizoen) onvervuld. Gemeenten kunnen hun geld beter aan andere zaken besteden dan dit soort experimenten.

Referenties

Bregman, R. (2015), “Met gratis werk loont werken”, Volkskrant, 21 mei.

CPB (2015). “De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid”, CPB Policy Brief 2015-02

Gradus, R., (2015a), “Basisinkomen is veel te duur en niet solidair”, Volkskrant, 19 mei (tevens in Nederlands Dagblad).

Gradus, R. (2015b), “Gratis geld doet minder werken”, Volkskrant, 22 mei.

Jansen, E. (2015), “Experimenten met basisinkomen zeggen niets over haalbaarheid brede-invoering”, Jalta.

Inspectie SZW (2013). “De invloed van ontheffingen op de arbeidsparticipatie van WWB’ers”, Ministerie van SZW: Den Haag.

NRC (2015). “Utrecht: experiment met basisinkomen”, 16 juni.

Nooteboom, B. (2015a), “Laten we het op lokaal niveau eens proberen”, Volkskrant, 21 mei.

Nooteboom, B. (2015b), “Veldexperiment: basisinkomen stimulans voor werk en ondernemerschap”, Me Judice, 16 juni.

Te citeren als

Raymond Gradus, “Experimenten basisinkomen zeggen helemaal niets”, Me Judice, 19 juni 2015.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

In de media