Kapitaal depositogarantiestelsel hoort binnen de balans

Kapitaal depositogarantiestelsel hoort binnen de balans image
20 sep 2011 | | 1498 keer bekeken
Het kabinet wil een noodfonds vormen om kapitaal beschikbaar te hebben voor het geval een bank dreigt om te vallen. Kapitaal apart zetten voor noodgevallen is een goed idee, stelt econoom Wim van den Goorbergh, maar dat kan beter binnen dan buiten de balans van banken. Vele miljarden aan kapitaal overhevelen naar een extern fonds is niet nodig en ongewenst in een tijd waarin verhoging van de solvabiliteit van banken geboden is.

Noodfonds

Het Ministerie van Financiën en De Nederlandsche Bank(DNB) willen een fonds vormen van 1% van de gegarandeerde deposito’s. Volgens de meest recente gegevens gaat het om circa 4 miljard euro. Het fonds is in beginsel op te bouwen in tien jaar.

Kenmerkend voor het voorstel is dat ook per bank een individuele doelomvang wordt gedefinieerd van 1% van de gegarandeerde deposito’s (de depositobasis). Voor het (virtuele) individuele saldo van elke bank geldt een individueel normbedrag, dat elk kwartaal stapsgewijs wordt verhoogd totdat uiteindelijk de 1% is bereikt. De individuele saldi zijn ‘virtueel’ omdat banken géén aanspraak meer maken op de middelen in het depositogarantiefonds. De Stichting depositogarantiefonds wordt eigenaar van het fonds en haar middelen worden niet gerestitueerd.

De bepaling van het risicoprofiel

Elke bank betaalt per kwartaal een risicogedifferentieerde bijdrage, bestaande uit (1) een basisbijdrage van 2,5 basispunten van de gegarandeerde deposito’s van een bank, en (2) een risico-opslag van 0%, 25%, 50% of 100% van de basisbijdrage, afhankelijk van haar risicoweging. De risico-opslag wordt afgeleid uit een combinatie van drie indicatoren:

- RWA (Risicogewogen Activa) /TA (Totale Activa) -ratio met een aandeel van 50%,

- leverage-ratio (totale activa/Tier 1 vermogen) met een aandeel van 25%, en

- liquiditeitsratio (liquide activa/totale activa) eveneens met een aandeel van 25%.

Normalisatie van deze indicatoren levert een maatstaf op, waarmee banken in vier risicocategorieën worden ingedeeld.

De opbouw van het fonds

Met de basisbijdrage draagt de bank bij aan haar individuele saldo; de risicobijdragen tellen alleen mee voor het algemene deel van het fonds. Omdat de risicobijdragen niet meetellen voor de individuele doelomvang kan het depositogarantiefonds de facto groter worden dan 1% van de onder het DGS gegarandeerde deposito’s. Rendementen op de ingelegde middelen worden één keer per jaar toegerekend aan de individuele saldi en het algemene gedeelte. Groei van de depositobasis die hoger is dan het rendement vereist op kwartaalbasis een suppletie (back service), opdat de bank aan haar individuele normbedrag blijft voldoen.

Het uitkeringsbeleid

Als middelen uit het fonds worden uitgekeerd, wordt het fonds getrapt aangesproken: eerst de middelen van de failliete bank, dan het algemene gedeelte van het fonds, opgebouwd uit hoofdzakelijk risicobijdragen, en tenslotte de individuele saldi. Mocht de omvang van het fonds door uitkering afnemen tot minder dan 0,5% van de onder het DGS gedekte deposito’s, dan kan additioneel aan de basisbijdrage een incidentele herstelbijdrage van banken worden verlangd. Wanneer het fonds niet toereikend is om uitkeringen onder het DGS te vergoeden, wordt het resterende bedrag ex post omgeslagen, conform de huidige systematiek.

Waarom ex ante financiering?

Met de introductie van ex ante financiering wordt een aantal doelen nagestreefd. Een eerste doel is de uiteindelijk faillerende bank mee te laten betalen aan het DGS, iets wat volgens het Ministerie en DNB niet mogelijk is onder ex post financiering. In de tweede plaats zou de geloofwaardigheid van het DGS bevorderd worden door de aanwezigheid van een depositogarantiefonds (er is immers gespaard). Ex ante financiering helpt, in de derde plaats, in het spreiden van de kosten van het DGS over de tijd doordat banken minder hoeven te betalen op het moment dat een bank failliet gaat (minder procyclisch). Tenslotte zou het bij ex ante financiering effectiever zijn om risicogedifferentieerde premies te hanteren omdat zij vooraf al een sturende werking hebben.

Buffers horen binnen de balans

Deze doelen van ex ante financiering kunnen evenwel grotendeels ook onder een omslagstelsel (ex post financiering) worden bereikt, indien de eis dat banken (na een zekere opbouwperiode) minimaal 1% van hun DGS gerelateerde creditgelden als buffer in een extern fonds aanhouden wordt vervangen door de eis dat zij dat binnen hun eigen balans doen als “DGS-geoormerkte” solvabiliteit. Voor de spreiding over de tijd van de kosten, voor de sturende werking van de premiedifferentiatie en voor het systeem van uitkeringen onder het DGS is dit neutraal. De geloofwaardigheid van het huidige ex post systeem (kan er wel betaald worden?) is nimmer een probleem geweest en wat het laten meebetalen van de uiteindelijk faillerende bank betreft kan een eenvoudige oplossing worden gevonden door aan de claim op de “DGS-geoormerkte” buffer van deze bank een preferente positie (inclusief opgelopen rente) toe te kennen. Het grote voordeel van deze benadering is dat er geen solvabiliteit uit de sector wordt weggehaald en dat in een tijd waarin forse verhoging van de solvabiliteit geboden is. Daarenboven is niet goed in te zien waarom een bank voor al haar risico’s kapitaalbuffers binnen haar balans moet aanhouden en voor één specifiek risico (namelijk dat een bijdrage moet worden geleverd aan de schade bij een omvallende bank) dit moet doen buiten haar balans.

Het voorgestelde systeem is overigens maar ten dele een ex ante financiering. Als het fonds een tekort aan middelen heeft, komt de omslag toch weer om de hoek kijken. Als wel de stap naar een echte ex ante financiering, dat wil zeggen naar een verzekeringsystematiek, zou worden gemaakt (zoals aanbevolen door de Adviescommissie Toekomst Banken in haar rapport “Naar herstel van vertrouwen” van april 2009) valt de afweging tussen solvabiliteit binnen de bank houden of een premie betalen aan derden, in casu de Staat vermoedelijk uit in het voordeel van de verzekeringsbenadering.

Premies differentiëren is niet verstandig

De bedoeling van een risicogedifferentieerde premiestelling is om risicovol gedrag van banken te ontmoedigen. Dat slaagt alleen als de prikkel voldoende krachtig is en de indicatoren voor risicovol gedrag trefzeker zijn. De “straf” van de premiedifferentiatie, uitgedrukt in basispunten van de kostprijs van het aantrekken van spaargeld, is in het voorstel zeer bescheiden. De vervuiler betaalt wel is waar, maar omgekeerd is het voor de vervuiler relatief goedkoop om dat te doen.

Deze voorzichtige benadering van de prikkel hangt ongetwijfeld samen met de onzekerheid die er is omtrent de trefzekerheid van de indicatoren. Bij de drie meest recente beroepen op het DGS waren zeker ook andere risicofactoren in het geding dan door de thans voorgestelde risicomaatstaven worden gedekt. Te denken valt aan het exploiteren van een verdienmodel zonder voldoende oog voor de zorgplicht jegens klanten, het beleggen in activa met hoge ratings die onjuist bleken te zijn, de kennelijke tekortschietende mogelijkheden van DNB om binnen de bestaande (internationale) regelgeving bij de betrokken bank effectief te interveniëren. In de toelichting op het voorstel wordt dit ook wel (impliciet) erkend en het is dan ook verstandig op dit punt grote terughoudendheid te betrachten en de premiedifferentiatie niet zo hoog op te voeren dat het DGS via dit aspect ervan een grote invloed gaat uitoefenen op de concurrentieverhoudingen in de Nederlandse spaarmarkt.

Maar zelfs als de voorgestelde risicomaatstaven op zich worden aanvaard als redelijke indicatoren voor de kans dat een bank een beroep zal moeten doen op het DGS, gaat het hier om bruto risico’s. Afhankelijk van de door de bank gehanteerde risk appetite en het gevoerde riskmanagement kan het netto risicoprofiel er dan weer geheel anders uitzien.

Kortom, de basis voor de premiedifferentiatie is nogal arbitrair en het lijkt daarom verstandig van premieverschillen af te zien en de genoemde risicomaatstaven slechts te gebruiken voor monitoring doeleinden van DNB in het kader van haar mogelijkheden voor discretionaire toezichtmaatregelen.

Verder wordt terecht gewezen op de potentiële gevoeligheid van een risicoscore. Veranderingen daarin zijn nog gevoeliger en kunnen tot zeer ongewenste effecten bij de crediteuren van een bank leiden. Daarom wordt het een ieder verboden hieromtrent bekendheid te geven, maar het lijkt een illusie dat dit met name voor grote banken te handhaven is. Alleen al de jaarverslagen van het fonds, maar ook die van de banken afzonderlijk zullen aanknopingspunten bieden voor nader inzicht en/of speculatieve calculaties. Journalisten en analisten zullen alles doen om achter deze gegevens te komen. Dit is een additioneel argument om slechts één premie te hanteren.

Bron foto: Flickr.

Te citeren als

Wim van den Goorbergh, “Kapitaal depositogarantiestelsel hoort binnen de balans”, Me Judice, 20 september 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.