Kunnen Nederlanders de markt wel aan?

Kunnen Nederlanders de markt wel aan? image

Afbeelding ‘Angry Birds Part IV’ van Susanti Chandra (CC BY-NC-SA 2.0)

16 okt 2013 |

Geregeld laaien discussies op over exorbitante beloningen en prijzen. Het zou onrechtvaardig of oneerlijk zijn. Volgens Tilburgse bedrijfsethicus Dubbink neigen dit soort debatten naar selectieve verontwaardiging en selectief gebruik van marktuitkomsten. Ten diepste laten Nederlanders zich kennen als mensen die niet kunnen en willen leven in een marktsamenleving.

Verontwaardiging

De morele acceptatie van inkomens is een heikel thema in de hedendaagse publieke discussie. De laatste editie van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven toont aan dat burgers zich anno 2013 boos blijven maken over de bonus cultuur en het graaien aan de top. En een paar weken geleden leidde de openbaarmaking van de beloning die interim bestuurder Raimond Nicodem over juli genoot bij Humanitas tot zijn vertrek bij de organisatie en dat van de voltallige Raad van Toezicht. Nu gaat het in beide gevallen om morele verontwaardiging over top beloningen. Opmerkelijk is evenwel dat de discussie over de morele acceptatie van beloningen zich lijkt te verbreden. Naar aanleiding van de openbaarmaking van een tabel met aanvangssalarissen van pas afgestudeerdeHBO’ers, ontstond ophef over de vermeende hoge aanvangssalarissen van verloskundigen. Op de website van De Telegraaf barstte een debat los tussen voor- en tegenstanders en de Volkskrant geeft twee verloskundigen een pagina lang de mogelijkheid de hoogte van hun aanvangssalaris moreel te rechtvaardigen (Volkskrant, 2 oktober 2013).

Selectief winkelen

Wat opvalt aan het meeste argumenten in deze discussies over inkomen, is dat ze niet ter zake lijken. Tenminste, als we het idee serieus nemen dat we in een vrije marktsamenleving leven waarin het in belangrijke mate aan de markt is te bepalen hoe hoog of laag een salaris zal zijn. Immers, de meeste argumenten tegen een bepaalde hoogte van een salaris wijzen erop dat de beloning (verhoudingsgewijs) niet eerlijk is of niet in verhouding staat tot opleidingsniveau of geleverde prestatie terwijl de meeste argumenten voor de hoogte van een salaris er juist op wijzen dat er wel een adequate relatie bestaat tussen inspanning en salaris of tussen geleverde dienst en salaris. Zo klaagt iemand in de discussie over het salaris van de verloskundigen dat “een afgestudeerde vakman in zijn leven nooit zoveel kan verdienen, hoe goed hij ook is” en een ander merkt op dat “het ronduit belachelijk is om zoveel te verdienen”. Weer een ander stelt dat “normale mensen dat door de jaren heen moeten opbouwen”. Aan de andere kant wordt er gewezen op het feit dat de vroedvrouwen “een zeer belangrijk beroep hebben waar mensenlevens op het spel staan”. De vroedvrouwen zelf voeren aan dat “er veel kosten” zijn en dat “het aanvangssalaris ook meteen het eindsalaris is”. Raimond Nicodem verdedigde zijn salaris door erop te wijzen dat hij “voor Humanitas al een miljoen had terugverdiend aan interne bezuinigen”.

Geen boodschap aan moraliteit

Voor zover we accepteren dat we leven in een marktsamenleving, zijn al deze argumenten volstrekt irrelevant. Op de vrije markt is elke directe morele relatie tussen beloning en werk losgelaten. Een beloning is niets meer en niets minder dan de relatie tussen vraag en aanbod. Iemand krijgt als salaris, wat het spel van vraag en aanbod hem toeschuift, gegeven de verhoudingen op dat moment in de tijd. Is er een groot aanbod aan vroedvrouwen en is er weinig vraag, dan gaat het salaris naar beneden; is het andersom dan gaat het omhoog. Is er een schreeuwende behoefte aan interim managers dan kunnen zij 95.000 euro per maand toucheren; neemt de behoefte af, dan daalt hun salaris. Het interesseert de markt niets of iemand verantwoordelijk werk doet, zijn salaris ruim terugverdient, mensenlevens op het spel staan of wat ook. Het gaat om het spel van vraag en aanbod en de uitkomst daarvan moeten we niet moreel nog eens gaan beoordelen. Het is zoals het is.

Werkt de markt?

Dit wil niet zeggen dat we in een marktsamenleving de hoogte van salarissen aan elke beoordeling onttrokken is. Maar de cruciale vraag moet altijd zijn: werkte de markt bij het tot stand komen van dit contract? Als dat niet zo mocht zijn, is er reden tot morele verontwaardiging. Want dan heeft iemand zich aan procedures van de markt onttrokken en dat is unfair. Vanuit deze optiek kan gesteld worden dat Nicodem en de Raad van Toezicht hoogstwaarschijnlijk terecht zijn afgetreden. Op geen enkele adequaat functionerende markt kan een interim bestuurder een contract krijgen waarin hem het recht wordt gegeven in een maand 313,5 uren te declareren (Volkskrant, 16 September 2013) . Dat kan niet anders zijn dan vriendjespolitiek of pure incompetentie. Beide moeten door de markt worden afgestraft.

Vanuit deze optiek moeten we ook onze wenkbrauwen fronsen bij de vroedvrouwen-casus. Daar wordt namelijk in de Volkskrant vermeld dat het inkomen hetzelfde is gebleven in de laatste jaren, ondanks dat het aantal vrijgevestigde verloskundigen omhoog ging en het aantal geboorten naar beneden. De oplossing van dit raadsel is dat ter compensatie de tarieven omhoog zijn gegaan. Het is goed te begrijpen dat één van de geïnterviewde verloskundigen zegt: “Dat is maar goed ook, anders had ik het als kostwinner niet gered”. Maar vanuit de optiek van de markt is deze gang van zaken onverteerbaar.

Geen marktsamenleving

De reden dat in onze samenleving de discussie over de hoogtes van inkomens eigenlijk nooit het stramien volgen dat zou passen bij een marktsamenleving, toont niet noodzakelijk aan dat er iets mis is. Het toont vooral aan dat onze samenleving geen volledige marktsamenleving is. Hoewel de economie als wetenschap al honderden jaren afscheid heeft genomen van elke prijstheorie die een directe relatie legt tussen moraliteit en de prijs van een goed, blijven wij mensen dat maar doen. Dat doen we niet alleen als het gaat om de hoogte van salarissen, maar ook bij andere goederen. Bij de huizenmarkt hebben we bijvoorbeeld grote moeite het mechanisme van de markt te accepteren als plotseling de waarde van ons huis daalt. Moeten we proberen die culturele slag te maken en te leren begrijpen hoe markten werken en moeten werken? Ik denk eerder het omgekeerde. Ik denk dat de discussies, zoals die over de hoogtes van salarissen, aantonen dat mensen helemaal niet kunnen en willen leven in een volledige vrije marktsamenleving. We zijn morele wezen die in staat willen én kunnen zijn om een verband te leggen tussen prijzen en moraliteit. We willen dat prijzen hoe dat ook iets van ‘fairness’ uitdrukken. We kunnen en willen helemaal niet leven in een samenleving waar salarissen door niks anders worden bepaald dan het spel van vraag en aanbod. Als dat zo is, hebben we wel een probleem: het beroep op markt en marktwerking verliest dan in alle contexten zijn onschuld. We mogen dan nooit meer simpelweg het argument accepteren dat zo nu eenmaal de markt werkt. Dus ook niet als we een huis met veel winst verkopen of als we ervoor kiezen om in de supermarkt geen ´fair trade´-producten te kopen. Een selectief beroep op de markt neigt naar kwade trouw.

Te citeren als

Wim Dubbink, “Kunnen Nederlanders de markt wel aan?”, Me Judice, 16 oktober 2013.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

In de media