Laat gelijkere toegang tot de Spelen ambitie zijn voor Amsterdam 2028

Menigte op Robson Square (Londen) tijdens de Olympische Spelen (2012)
Afbeelding ‘Robson Square during the Olympic Games…’ van GlacierTim (CC BY-NC 2.0)
Het streven naar een gelijkere toegang tot de Olympische Spelen is een goede, onderscheidende strategie voor het binnenhalen van de Olympische Spelen in 2028, stellen de Utrechtse economen Peter-Jan Engelen en Loek Groot. Want alleen met een geheel eigen invalshoek maakt Nederland enige kans. Nederland hoeft ook niet zelf te schitteren met medailles, want dat heeft toch geen bewezen maatschappelijke voordelen. In het kader van deze strategie kan Nederland bijvoorbeeld investeren in sportbeoefening in Afrikaanse landen. Dit is geheel in lijn met het Olympisch Handvest.

Nederland overtreft België

De Olympische spelen zijn net achter de rug. Alle landen maken aan de hand van het medailleklassement de balans op. Nederland heeft het in alle opzichten uitstekend gedaan (zie Ekamper, 2012), met zes gouden, zes zilveren en acht bronzen medailles, net geen top tien plaats. Zeker in vergelijking met België, dat slechts drie medailles behaalde, waarvan geen enkele gouden. Hiermee eindigde België op een teleurstellende zestigste plaats. In Europa presteerden enkel landen zoals Griekenland, Estland, Albanië en Ijsland nog slechter.

Ook de dichtste buren behaalden mooie scores: het Verenigd Koninkrijk (65), Duitsland (44), Frankrijk (34) en Denemarken (9). Natuurlijk moet nog gecorrigeerd worden voor bevolkingsaantal en bruto nationaal product (Wu, Liang, Yang, 2009), maar het neemt niet weg dat Nederland het goed doet, terwijl België duidelijk achter blijft op de rest van West-Europa.

De voorbije weken doken talrijke verklaringen voor deze slechte prestatie in de Belgische pers op: versnipperde budgetten, te weinig ambitie, teveel ambtenarensporters en gebrek aan afrekencultuur. Allemaal allicht terechte en belangrijke verbeterpunten. Wij willen dit debat hier niet overdoen. Ook het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) wist meteen de remedie: geef ons een groter budget. Het VK heeft immers in de aanloop naar de Spelen in London maar liefst £264 miljoen geïnvesteerd om sportief goed voor de dag te komen. Volgens de Engelse krant The Guardian heeft elke medaille voor team VK gemiddeld £4,5 miljoen gekost. Als we er dus maar genoeg geld tegenaan gooien, dan komen de gouden medailles vanzelf.

Hoeveel geld is een gouden medaille waard?

Dit roept meteen de vraag op wat het optimale budget is? Wat is de juiste investering in topsport en medailles? Als de investeringen geen gouden medailles opleveren voor België, dan moeten ze misschien het budget in topsport niet verhogen, maar juist verlagen. De overheid kan dan een goed rendement op haar topsportinvestering behalen door het budget drastisch te beperken. Een klein budget om pakweg de tien topatleten te sturen die zich op eigen kracht kwalificeren, zoals de amateursporter en medaillewinnaar Lionel Cox, heeft een fantastisch investeringsrendement. Investeert België te weinig en het VK en Nederland te veel in topsport? Voor het beantwoorden van deze vraag moeten we ons afvragen wat de maatschappelijke baten zijn van topsport. Als we het wetenschappelijk onderzoek bekijken, dan zijn we vooral zeker van de uitgaven, maar veel minder van de baten.

Baten van investeringen in topsport

Waarom zouden we überhaupt investeren in topsport en het behalen van gouden medailles? Stel dat België en Nederland vanaf morgen €300 miljoen investeren en over vier jaar in Brazilië beiden in de top 10 van de medaillespiegel staan. Een prachtig resultaat, maar is het ook budgettair verdedigbaar? Alvorens substantiële bedragen te besteden moet een overheid zich immers afvragen welke baten ze terugkrijgt voor deze investering, zeker in tijdens van budgettaire beperkingen. Al te gemakkelijk worden er vaak allerlei vermeende voordelen naar voren geschoven.

Een belangrijk argument om te investeren in topsport zou erin kunnen bestaan dat meer gouden medailles meer mensen stimuleert om zelf sport te beoefenen. Dit zou op zijn beurt dan weer kunnen bijdragen tot een gezondere levensstijl (Khan et al., 2012). Een gezonde bevolking en dus lagere gezondheidsuitgaven zouden dan een belangrijke baat van een topsportinvestering kunnen zijn (McCartney et al., 2010). Helaas. Internationale studies tonen duidelijk aan dat betere Olympische prestaties niet tot een hogere sportparticipatie in een land leiden (Hogan en Norton, 2000; Brown, 2004; Veal, Toohey, Frawley, 2012). Bovendien is de link tussen topsport, sportbeoefening in de breedte, en vervolgens het gezondheidsniveau in een land niet evident (van Mechelen et al., 2000; Brown, 2004).

Veel medailles, toch te zwaar

Zo is er bijvoorbeeld alvast geen correlatie tussen de obesitas score van OECD-landen en het aantal medailles (zie Tabel 1). Integendeel, landen die in de medaillestand bijzonder sterk presteerden zoals de VS (1ste) en het VK (3de) staan ook in de obesitas rangorde op dezelfde plek. Ook de kleine landen Hongarije en Nieuw-Zeeland scoren goed in het medaille-klassement (11de en 13de plaats), maar nemen binnen de OECD-landen een 7de en 8ste plaats in qua obesitas-score. Hoewel België en Nederland qua topsport toch beduidend anders presteren, staan beide landen in de obesitas rangorde nagenoeg gelijk (op de 19de respectievelijk de 20ste plaats). En als België dan eens medailles haalt (Peking), dan maken die topsporters reclame voor Pizza Hut (Tia Hellebaut) en McDonalds (Kim Gevaert). Ook niet meteen promotie van een gezonde levensstijl.

Tabel 1: Medaille-, obesitas- en reputatiescores van OECD landen

Land (OECD) Medaille score Obesitas score Reputatie score
VS 104 30,6 52,9
VK 65 23 64,2
Duitsland 44 12,9 68,3
Japan 38 3,2 67,2
Australie 35 21,7 74,3
Frankrijk 34 9,4 62,1
Italie 28 8,5 64,6
Zuid-Korea 28 3,2 46,6
Nederland 20 10 68,7
Canada 18 14,3 74,8
Hongarije 17 18,8 NA
Spanje 17 13,1 63,7
Nieuw Zeeland 13 20,9 73,1
Tsjechie 10 14,8 NA
Denemarken 9 9,5 71,9
Zweden 8 9,7 74,7
Mexico 7 24,2 46
Ierland 5 13 63,6
Turkije 5 12 46
Slovakije 4 22,4 NA
Noorwegen 4 8,3 73,1
Zwitserland 4 7,7 74,2
Finland 3 12,8 70,5
Belgie 3 11,7 65,6
Griekenland 2 21,9 55,8
Portugal 1 12,8 58,1
Luxemburg 0 18,4 NA
Ijsland 0 12,4 NA
Oostenrijk 0 9,1 69,4

Aantal medailles: Totaal aantal behaalde medailles. Bron: International Olympic Committee, via www.london2012.com
Obesitas score: Percentage van de bevolking met een Body Mass Index (BMI) groter dan 30. Hogere score is slechter. Bron: OECD Health Data 2005, via www.nationmaster.com
Reputatiescore: 2011 RepTrack ™ score. Hogere score is beter. Bron: www.reputationinstitute.com

Geen verband medailles en reputatie

Je hoort vaak dat het behalen van gouden medailles goed zou zijn voor de reputatie van een land. Blijkens Tabel 1 is er nauwelijks enig verband tussen de medaille- en reputatie-score. Bovendien mag je verwachten dat reputatie zich dan vertaalt in een inkomende kasstroom voor een land, anders heeft een investering weinig zin. Er is geen link tussen directe investeringen in een land en het aantal gouden medailles. Bovendien blijkt dat de landen die in het verleden qua inwonersaantal en inkomen uitzonderlijk goed presteren op de Olympische spelen, denk aan Cuba en het voormalige Oost-Duitsland, een slechte reputatie hebben en niet bepaald de landen zijn waarin men graag zou willen investeren, laat staan wonen en werken.

Geen hogere sociale cohesie

Misschien laten topprestaties toe om de sociale cohesie in een land te vergroten. Als Belgen meeleven met de prestaties van de gebroeders Borlée, dan groeien ze dichter naar elkaar toe, zoals Nederlanders als één man achter de altijd succesvolle hockeyteams staan. Dit argument is moeilijk op waarde te schatten en moeilijk te meten. Onderzoek van Bob Heere (2012: p. 104-106), een Nederlandse sportonderzoeker aan de Universiteit van Texas, laat zien dat het argument niet opgaat voor het organiseren van een groot sporttoernooi zoals het WK of de Olympische Spelen. Zo blijkt uit zijn onderzoek dat de sociale cohesie in Zuid-Afrika na het WK in 2010 lager was dan ervoor. Als er al effecten zijn, dan zijn die van erg tijdelijke aard.

Als sportbeoefening in de breedte, gezondheid, sociale cohesie of reputatie belangrijk zijn, dan kan daarin misschien beter rechtstreeks of op andere manieren in worden geïnvesteerd dan middels topsport. Investeringen in topsport leveren immers niet dergelijke maatschappelijke rendementen op. Ook in een bod op de Olympische Spelen van 2028 moet Nederland daarom op zoek gaan naar een maatschappelijk rendement, zo niet heeft die investering voor de Nederlandse overheid geen zin. Het verleden heeft duidelijk laten zien dat de organisatie van de Spelen verlieslatend is.

Dit brengt ons bij de gewenste strategie om de Spelen van 2028 binnen te halen. De titel van een bijdrage van Oosterwijk (2011) rond dit thema luidt: ‘Wie niet duidelijk kan maken waarom hij de Spelen wil organiseren, is bij voorbaat verloren’. Het is een uitspraak van Terrence Burns, de man achter de succesvolle bids van London, Sochi (Winterspelen 2014) en Pyeongchang (Winterspelen 2018). Een andere expert, Laurence Chalip, stelt: “Voor het IOC is het uiteindelijk een zakelijke beslissing. Zal dit bid het IOC helpen om verder te groeien en de populariteit van de Olympische Beweging toe te laten nemen?... Nederland moet een manier vinden om het IOC te overtuigen dat zij de beste investering voor hen zijn. Daar helpen de ambities niet bij” (Heere, 2012: 189). Heere voegt hieraan toe dat volgens Chalip “Nederland op zoek [moet] gaan naar een unieke invalshoek die aansluit bij het Olympische gedachtegoed”. Enkel indien Nederland erin slaagt om een strategie te ontwikkelen die leidt tot een duidelijk maatschappelijk rendement, is een bod op de Spelen van 2028 zinvol.

Het is ongelijk verdeeld in de wereld

Keren we terug naar de medaillespiegel van London 2012, dan blijkt dat Nederland en Nieuw-Zeeland samen evenveel medailles hebben gehaald als heel Afrika, met meer dan een miljard inwoners. India met meer dan een miljard inwoners behaalde geen goud en slechts tweemaal zilver en viermaal brons, terwijl Indonesië (240 miljoen inwoners) slechts een zilveren en een bronzen plak behaalde. Het is duidelijk dat - ondanks alle mooie symboliek van de Olympische ringen en de Parade van atleten die moeten suggereren dat op de Olympische Spelen de hele wereld present is en met elkaar verbonden – de Spelen er vooral zijn voor de rijke landen en enkele landen die het gebruiken voor vermeende politieke doeleinden. Een groot deel van de wereldbevolking doet feitelijk niet mee (Groot, 2012; Johnson, 2012; Andreff, 2001).

Dit gegeven, de ongelijke verdeling van Olympisch succes, kan gebruikt worden als strategische invalshoek. Wat betreft de aansluiting bij het Olympische gedachtengoed, kan men in het Olympisch Handvest (The Olympic Charter) statements vinden zoals: “The practice of sport is a human right. Every individual must have the possibility of practising sport, without discrimination of any kind and in the Olympic spirit, which requires mutual understanding with a spirit of friendship, solidarity and fair play” (4th fundamental principle of Olympism, p. 11); “to cooperate with the competent public or private organizations and authorities in the endeavour to place sport at the service of humanity and thereby to promote peace” (4th role in the mission of the IOC, p. 14); “to encourage and support the development of sport for all” (12th role in the mission of the IOC, p. 15). Met enige goede wil kan dit worden geïnterpreteerd als het creëren van een wereldwijd gelijk speelveld.

Het klinkt utopisch, maar hier zou Nederland als strategie om de Spelen in 2028 binnen te halen op kunnen inzetten. Dat betekent dat Nederland niet zozeer zelf wil schitteren tussen Rio de Janeiro en 2028 maar in plaats daarvan tussen nu en 2028 deze budgetten, aangevuld met gelden uit het Ontwikkelingsbudget, gebruikt om sportfaciliteiten te bevorderen in landen die notoir onderpresteren op de Spelen. Hier kan wel een maatschappelijk rendement van een investering in topsport liggen. We willen in 2028 dan niet zozeer laten zien hoe goed wij wel zijn op sportief gebied, zoals Groot-Brittannië nu heeft gedaan, maar vooral een goede gastheer zijn, die er alles aan heeft gedaan om de parade van atleten een meer getrouwe afspiegelijk te laten zijn van de wereldbevolking. Het betekent dat Nederland qua topsportbudget en topsportambitie meer op de Belgische toer moet.

Om de Spelen binnen te halen moet Amsterdam straks concurreren met wereldsteden als Sint Petersburg of de combinatie Vancouver/Seattle, die een gezamenlijk Canadees-Amerikaans bid overwegen. Dit vraagt om een innovatieve strategie, die niet zo gemakkelijk te copiëren is door anderen, op de sympathie kan rekenen van IOC-leden en toch zinvol is, ook als Nederland de Spelen onverhoopt niet krijgt toegewezen. Tenslotte, net zoals bij het EK en WK voetbal, zou Nederland zelfs bij een fundamentele herziening van de strategie kunnen overwegen gezamenlijk met België een bid uit te brengen, wat niet alleen de kosten per inwoner drukt maar ook het probleem van de witte olifanten (sportfaciliteiten geconcentreerd in een regio die na afloop van de Spelen geen functie meer vervullen) vermindert.

Referenties

Andreff , W. (2001), “The correlation between economic underdevelopment and sport”, European Sport Management Quarterly, Vol. 1, Iss. 4, 251-279.

Brown, W.J. (2004), “Physical activity and health: updating the evidence 2000–2003”, Journal of Science and Medicine in Sport, Vol.7, Issue 1, Supplement 1, 1-5.

Ekamper, P., 2012, "Hoe presteerde Nederland op de Olympische Spelen in Londen?" , www.mejudice.nl, 19 augustus 2012.

Groot, L., 2012, An Olympic Level Playing Field? The Contest for Olympic Success as a Public Good, Journal of Economics and Econometrics, vol. 55 (2), 25-50,

Heere, B., 2012, Het Olympisch speeltje: De waarde van sport, Atlas Contact: Amsterdam/Antwerpen.

Hogan, K. en Norton, K. (2000), “The ‘Price’ of olympic gold”, Journal of Science and Medicine in Sport, vol. 3 (2), 203-218.

Johnson, I., 8 augustus 2012, The New Olympic Arms Race, New York Review of Books blog

Khan, K.M. et al. (2012), “Sport and exercise as contributors to the health of nations”, The Lancet, vol.380 (9836), 59–64.

McCartney, G., Thomas, S., Thomson, H., et al. (2008), The health and socioeconomic impacts of major multi-sport events: systematic review (1978–2008), BMJ, 340 (2010), 2369.

Oosterwijk, F., 2011, Wie niet duidelijk kan maken waarom hij de Spelen wil organiseren, is bij voorbaat verloren, Sport & Strategie 5(10), 7.

The Guardian, 13 augustus 2012, How much did each Team GB medal cost at London 2012?, Datablog Facts are Sacred.

Mechelen, W. van, Twisk, J.W., Post, G.B.,Snel, J., Kemper, H.C. (2000), “Physical activity of young people: the Amsterdam Longitudinal Growth and Health Study”, Med Sci Sports Exerc, vol.32, 1610–1616.

Veal, A.J., Toohey, K., Frawley, S. (2012), “The sport participation legacy of the Sydney 2000 Olympic Games and other international sporting events hosted in Australia”, Journal of Policy Research in Tourism, Leisure and Events, Vol. 4 (2), 155-184.

Wu, J., Liang, L., Yang, F. (2009), “Achievement and benchmarking of countries at the Summer Olympics using cross efficiency evaluation method”, European Journal of Operational Research, Vol. 197, Issue 2, 722-730.

Te citeren als

Peter-Jan Engelen, Loek Groot, “Laat gelijkere toegang tot de Spelen ambitie zijn voor Amsterdam 2028”, Me Judice, 30 augustus 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.