Meer prikkelen en minder pamperen in het hoger onderwijs

Meer prikkelen en minder pamperen in het hoger onderwijs image
19 mei 2012 |
In het hoger onderwijs zijn de afgelopen decennia intensievere vormen van onderwijs geïntroduceerd. Het is echter nog allerminst duidelijk of deze dure vormen van onderwijs ook betere economen, juristen of artsen opleveren. Een verdergaande intensivering van het hoger onderwijs ligt in het verschiet. De Rotterdamse econoom Ivo Arnold stelt dat dit niet getuigt van gezond economisch verstand. Bovendien zijn er prikkelende alternatieven voorhanden.

Nieuwe vormen hoger onderwijs

Twee belangrijke ontwikkelingen voltrokken zich in het wetenschappelijk onderwijs in de afgelopen decennia: de introductie van probleemgestuurd onderwijs (PGO) en de oprichting van University Colleges (UC) met brede en kleinschalige bacheloropleidingen (de ‘liberal arts’). De Universiteit Maastricht was de pionier op het gebied van PGO. De Universiteit Utrecht liep voorop met haar University College Utrecht. Beide initiatieven hebben navolging in het land gekregen. PGO is nu ook bij een aantal opleidingen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam ingevoerd. De University Colleges schieten intussen als paddenstoelen uit de grond, aangemoedigd door het huidige, op verbreding gerichte, onderwijsbeleid. Nu deze onderwijsinnovaties op een wat grotere schaal worden ingevoerd, is de vraag aan de orde of ze het hoger onderwijs op een kosteneffectieve wijze kunnen verbeteren.

Hoge prijs…

PGO en University Colleges zijn mede ontstaan uit de terechte onvrede met de massaliteit van het traditionele universitaire onderwijs en hebben als gemeenschappelijk kenmerk de aanwezigheid van kleinschalige en activerende werkvormen vanaf de start van de opleiding. Bij PGO neemt de kleinschaligheid extreme vormen aan, met een groepsomvang van rond de tien studenten. Dit is minder dan de helft van de klasgrootte die gebruikelijk is op het VWO. Deze kleinschaligheid geeft vanzelfsprekend volop gelegenheid tot interactie tussen de docent en de student. De studenttevredenheid is bij deze leeromgevingen dan ook hoog. Maar PGO en University Colleges zijn ook duur en de tevredenheid van studenten is geen doel op zich. In een tijd waarin de publieke middelen steeds schaarser worden, is studenttevredenheid een onvoldoende rechtvaardiging om het onderwijs aan een bevoorrechte groep jongeren verregaand te intensiveren. Een betere rechtvaardiging zou zijn dat deze investeringen zich op een kosteneffectieve manier vertalen in een beter opleidingsniveau of een hoger studierendement.

…ook hoge kwaliteit?

Met betrekking tot het opleidingsniveau is de vraag of PGO-opleidingen de maatschappij voorzien van betere artsen, psychologen, juristen en andere beroepsbeoefenaren. Bij mijn weten is er geen bewijsmateriaal dat PGO het niveau van de afgestudeerden sterk omhoog stuwt en dat studenten uit Maastricht een meerwaarde hebben op de arbeidsmarkt. Voor wat betreft de University Colleges ligt hier zelfs een knelpunt, vanwege de imperfecte aansluiting van brede bacheloropleidingen met vervolgopleidingen. In veel gevallen wreekt zich hier de keuze voor eenjarige masteropleidingen en zorgt een schakelprogramma alsnog voor studievertraging.

Blijft over het rendement. Van University Colleges weten we dat die een prima onderwijsrendement hebben. Maar dat geldt voor alle opleidingen die selecteren aan de poort. Dit resultaat heeft dan ook niet noodzakelijk te maken met het brede curriculum en het kleinschalige onderwijs. Voor PGO is er enige evidentie voor rendementsverbetering, vooral bij opleidingen als psychologie en geneeskunde.

Pamperen is duur

Het is echter de vraag of soortgelijke rendementsverbeteringen niet op een goedkopere manier kunnen worden gerealiseerd. Onderwijskundigen zoeken de oorzaak van rendementsproblemen meestal in het onderwijs zelf. Dat is niet activerend genoeg. De student moet daarom tot een studie-inspanning worden verleid met intensieve onderwijsvormen. Het oogt sympathiek om studenten op deze positieve manier aan het studeren te krijgen. Maar aan het intensiveren van het hoger onderwijs hangt ook een prijskaartje. In een tijd waarin de overheid moet bezuinigen op kwetsbare groepen in de samenleving wekt het op deze manier pamperen van de jonge elite toch een extravagante indruk.

Prikkelen

Er zijn alternatieven om de studieprestaties te bevorderen, door (financiële) prikkels te gebruiken of door studenten die niet presteren eerder de toegang tot de opleiding of de universiteit te ontzeggen. Een selectievere toelating tot het hoger onderwijs zou ook werken, zie de ervaringen bij de opleidingen geneeskunde, maar veronderstelt wel dat de samenleving kiest voor een forse verlaging van het aantal academici.

Een voorbeeld van het inbouwen van prikkels is het project "Nominaal is normaal" aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR, 2011; Schmidt, 2011). Hiermee hoopt de EUR het nominaal studeren te bevorderen, onder andere door modernisering van de onderwijs- en examenregelingen. Een belangrijk onderdeel van dit project is de verhoging van de norm voor het bindend studieadvies (BSA) van de huidige 40 studiepunten naar het maximum van 60 studiepunten. Hierdoor wordt de student geprikkeld tot een vliegende start. Een BSA-norm van 60 studiepunten is dan ook een prima maatregel om het probleem van de studievertraging te leggen waar het hoort: bij de student. Het najagen van onderwijskundige idealen zonder een nuchtere kosten-batenanalyse kunnen we ons niet meer veroorloven.

Referenties:

Erasmus Universiteit Rotterdam. (2011), Nominaal is normaal, intern document EUR.

Schmidt, H. (2011), Langstudeerboete is helemaal niet nodig, Trouw, 1 september 2011.

Bron foto: Flickr, Maartje Ament.

Te citeren als

Ivo Arnold, “Meer prikkelen en minder pamperen in het hoger onderwijs”, Me Judice, 19 mei 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.