Oudere kenniswerker doet niet onder voor jongere

Oudere kenniswerker doet niet onder voor jongere image
5 nov 2009 | | 3112 keer bekeken
Meer ouderen moeten aan de slag, maar zijn oudere werknemers wel zo productief? Daar zijn veel meningen over, maar weinig harde gegevens. Arbeidsmarkteconoom Jan van Ours kijkt naar de productiviteit van wetenschappers: hun individuele prestaties zijn goed af te lezen aan het aantal artikelen dat ze publiceren. Voor deze ‘kenniswerkers’ blijkt dat ouderen niet onderdoen voor jongeren. Oudere werknemers draaien prima mee, ook boven hun vijftigste.

Meer ouderen aan het werk

Het is nu misschien moeilijk voor te stellen, maar over enige jaren is er weer grote krapte op de arbeidsmarkt. Dat is wat de demografische ontwikkelingen aangeven. In de komende decennia neemt het aandeel ouderen in de Nederlandse bevolking sterk toe en daalt de potentiële beroepsbevolking. Ondanks de zorgen over de stijgende werkloosheid op de korte termijn heeft het huidige kabinet het vaste voornemen om de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen van 65 naar 67 jaar. Het debat over dit voornemen is soms emotioneel, vooral van de zijde van de vakbonden die claimen dat verworven rechten worden aangetast.

Zijn oudere werknemers wel zo productief?

Met een verouderende beroepsbevolking is de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers een bron van zorg. Oudere werknemers verliezen niet snel hun baan maar als ze eenmaal hun baan hebben verloren komen ze niet snel opnieuw aan de slag. Deze situatie wordt vaak toegeschreven aan het verschil tussen loon en productiviteit. Dat wil zeggen: oudere werknemers hebben een loon dat hoger is dan hun productiviteit.

Over de relatie tussen leeftijd en productiviteit is niet veel bekend. Dat komt omdat productiviteit moeilijk te meten is op het niveau van de individuele werknemer. Productiviteit is meestal een groepsverschijnsel. Met andere woorden: de productiviteit hangt af van de inspanning en vaardigheden van een groep werknemers, een afdeling of een team. Aangezien een groep werknemers meestal bestaat uit werknemers van verschillende leeftijden is het moeilijk de relatie tussen leeftijd en productiviteit vast te stellen.

Soms is het wel mogelijk de productie van individuele werknemers te meten, bijvoorbeeld bij wetenschappers. In dit artikel bekijk ik de relatie tussen leeftijd en onderzoeksoutput van medewerkers van mijn eigen departement, het departement Algemene Economie van de Tilburg School of Economics and Management (TiSEM). De relatie is betrekkelijk eenvoudig te onderzoeken, omdat wetenschappers nogal trots zijn op hun productie en gemakkelijke toegankelijke homepages hebben. Wetenschappers hebben werk waarin een beroep gedaan wordt op cognitieve vaardigheden en talent en waarin fysieke inspanning slechts een bescheiden rol speelt. Dit type werkzaamheden worden in de toekomst nog belangrijker dan ze nu al zijn. Kortom, de relatie tussen leeftijd en onderzoeksproductie van wetenschappers kan daarmee exemplarisch zijn voor vergelijkbare ‘kenniswerkers’.

Meten van onderzoeksproductie

Er is niet veel onderzoek verricht naar de onderzoeksproductie van economen in relatie tot hun leeftijd. Een uitzondering is Oster en Hamermesh (1998). Zij vinden dat het aantal publicaties van Amerikaanse economen in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften afneemt met hun leeftijd. De onderzoekers merken op dat het moeilijk is om een onderscheid te maken tussen twee alternatieve verklaringen voor dit verschijnsel, een “natuurlijke” afname van capaciteiten of een minder van prikkels om te produceren.

Economen zijn dol op het meten van productiviteit, inclusief hun eigen productiviteit. Het meten van onderzoeksproductie is niet alleen leuk om te doen, maar het is ook om verschillende redenen belangrijk. Het vaststellen van onderzoeksproductie is een instrument om middelen te verdelen. Zo worden bijvoorbeeld binnen TiSEM onderzoeksgelden tussen departementen verdeeld op basis van de onderzoeksproductie van de medewerkers van die departementen. Ook kunnen beslissingen over vaste aanstellingen of promoties worden gebaseerd op het aantal en de kwaliteit van wetenschappelijke publicaties.

Economen kunnen hun werk produceren in boeken, tijdschriftartikelen, dagbladen, discussion papers, enzovoorts. Wanneer het gaat om het meten van wetenschappelijke productie zijn het veelal wetenschappelijke artikelen die meetellen. Ook dan zijn er nog behoorlijk wat arbitraire beslissingen te nemen (zie Van Ours en Vermeulen, 2007). Speelt de lengte van een artikel een rol, hoe moeten co-auteurs meetellen, hoe telt de bladspiegel mee, hoe de kwaliteit van het tijdschrift? De kwaliteit van een wetenschappelijk tijdschrift wordt vaak gemeten aan de hand van de zogenaamde impact factor die gebaseerd is op het aantal malen dat een tijdschrift geciteerd wordt als fractie van het aantal gepubliceerde artikelen, gemeten over een bepaalde periode. Ook deze aanpak staat ter discussie. Goede artikelen in middelmatige bladen worden vaker geciteerd dan slechte artikelen in goede tijdschriften (Oswald, 2007).

In mijn analyse bekijk ik de publicaties van de 29 economen van mijn departement die tot en met 2008 in minstens twee kalenderjaren gepubliceerd hebben in een wetenschappelijk tijdschrift. Om die publicaties te kwantificeren gebruik ik de classificatie van tijdschriften opgesteld door het Tinbergen Instituut, die een onderscheid maakt tussen AA, A en B tijdschriften.1 Alle wetenschappelijke tijdschriften die niet in een van deze categorieën vallen, neem ik op in categorie C.

Ouder, maar niet minder productief

Om de productie te kwantificeren tel ik alle publicaties op met de volgende weging: C = 1, B = 2, A = 4, AA = 8.2 Tabel 1 vat de resultaten samen. De 29 economen hebben samen 18 AA, 128 A, 324 B en 393 C publicaties geproduceerd. De gemiddelde score is 59. Tabel 1 maakt ook een onderscheid naar geboortecohort. De gemiddelde score per econoom geboren vóór 1955 bedraagt 67, de gemiddelde score per econoom geboren tussen 1955 en 1965 is 100, hetgeen opmerkelijk is omdat laatstgenoemde groep minder kalendertijd heeft gehad om te produceren.

Tabel 1. Publicaties in wetenschappelijke tijdschriften, naar kwaliteit (AA is hoogst)

Publicaties in wetenschappelijk tijdschriften, naar kwaliteit (AA is hoogst)

In Van Ours (2009) laat ik zien dat de gemiddelde onderzoeksproductie stijgt met 0,15 publicaties per levensjaar. Er zijn dan echter behoorlijke verschillen per leeftijdscategorie en geboortecohort. Onder de 40 stijgt de gemiddelde productie met 0,35 per levensjaar. Boven de 40 is er geen relatie tussen onderzoeksproductie en leeftijd, dat wil zeggen dat de productie niet toeneemt, maar ook niet afneemt met leeftijd.

Figuur 1 geeft de relatie weer tussen onderzoeksproductie, cohort en leeftijd in klassen van vijf jaren. De figuur laat drie dingen zien. Allereerst zijn – als we leeftijd constant houden – jongere cohorten relatief productief. Blijkbaar heeft het departement de laatste jaren een goede wervingsstrategie gevoerd. In de tweede plaats vindt de leeftijdsafhankelijke toename van de onderzoeksproductie vooral plaats wanneer de economen jonger zijn dan 35 jaar. In de derde plaats is er binnen het oudste cohort een behoorlijke daling in de onderzoeksproductie na het 54e levensjaar.

Figuur 1. Onderzoeksproductie en leeftijd, naar geboortecohort

Onderzoeksproductie en leeftijd, naar geboortecohort

Het lijkt alsof de onderzoeksproductie daalt boven het 54e levensjaar. Maar dit kan ook het gevolg zijn van een compositie-effect. Dat wil zeggen: binnen deze groep van 54-plussers zijn de oudste economen minder productief dan hun jongere collega’s. Om een indruk te geven van individuele verschillen geeft Figuur 2 een overzicht van de onderzoeksproductie van vier (anonieme) economen. Econoom A heeft een duidelijke piek in zijn productie toen hij 35-39 jaar oud was. Maar zijn productiviteit in de leeftijd 45-49 was nog steeds aanmerkelijk groter dan toen hij 30-34 jaar oud was. Economen B en D hebben een vlak leeftijd–productiviteit profiel, terwijl econoom C een onderzoeksproductie heeft die toeneemt met zijn leeftijd. In Van Ours (2009) laat ik zien dat rekening houdend met dergelijke individuele verschillen het leeftijd–productiviteit profiel vlak is boven het vijftigste levensjaar.

Figuur 2. Onderzoeksproductie en leeftijd, vier individuele economen

Onderzoeksproductie en leeftijd, vier individuele economen

Andere output dan wetenschappelijke artikelen

Publicaties in wetenschappelijke tijdschriften vertellen niet het hele verhaal. De aard van de werkzaamheden verandert wanneer wetenschappers ouder worden. Ouderen hebben vaker dan jongeren administratieve taken, begeleiden vaker promovendi en participeren meer in allerlei commissies die nuttig kunnen zijn voor een goed onderzoeksklimaat. Bovendien hebben jongeren zonder vaste aanstelling een grotere prikkel om te produceren, dus een verband tussen leeftijd en onderzoeksproductie zegt niet noodzakelijkerwijs iets over intrinsieke productiviteit.

Naast onderzoeksproductie is ook de kwaliteit van het gegeven onderwijs van belang. Media-aandacht is een ander, ongemeten onderdeel van het werk. De productie van media-aandacht is nogal ongelijk verdeeld tussen medewerkers van mijn departement. Terwijl sommige economen veel media-aandacht genereren, trekken andere collega’s niet of nauwelijks media-aandacht. Tussen media-aandacht en onderzoeksproductie bestaan evenwel geen duidelijke samenhang. Economen A en B uit figuur 2 trekken buitengewoon veel media-aandacht, terwijl aan economen C en D nauwelijks aandacht wordt besteed. En hoewel de onderzoeksproductie van econoom B nogal mager is, is de onderzoeksproductie van econoom A zeer goed vergelijkbaar met die van economen C en D.

Conclusies

Wat kunnen we leren van deze exercitie? Het is duidelijk dat er individuele productiviteitsverschillen zijn. Maar vooraleerst laat deze analyse zien dat er van een systematische daling van de productiviteit op hogere leeftijd geen sprake is. Blijkbaar is er geen reden tot zorg over een dalende onderzoeksproductie als economische wetenschappers een dagje ouder worden.

Noten

1. De AA tijdschriften zijn American Economic Review, Econometrica, Journal of Political Economy, Quarterly Journal of Economics en Review of Economic Studies. Zie voor de volledige lijst Van Ours en Vermeulen (2007).

2. Ik heb ook andere wegingschema’s gebruikt (1-2-3-4; 0-2-4-8), maar dat verandert de resultaten niet sterk.

Referenties:

Oster, S.M. en D.S. Hamermesh (1998) Aging and productivity among economists, Review of Economics and Statistics, 80, 1, 154-156.

Oswald, A.J. (2007) An examination of the reliability of prestigious scholarly journals: evidence and implications for decision-makers, Economica, 74, 21-31.

Van Ours, J.C. en F. Vermeulen (2007) Ranking Dutch economists, De Economist, 155, 469-487.

Van Ours, J.C. (2009) Will you still need me – when I'm 64? CentER Discussion Paper 09-51, Tilburg University.

Te citeren als

Jan van Ours, “Oudere kenniswerker doet niet onder voor jongere”, Me Judice, 5 november 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.