Subsidieer verliezen op participaties in het Midden- en Kleinbedrijf

Subsidieer verliezen op participaties in het Midden- en Kleinbedrijf image
6 aug 2009
Het eigen vermogen van het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) is de laatste jaren sterk gedaald en zet de levensvatbaarheid van deze ondernemingen op het spel. Volgens de Tilburgse econoom Duffhues moet EZ de oude Particuliere Participatieregeling 1981 afstoffen en vernieuwen om zo het MKB aan het nodige eigen vermogen te helpen.

MKB in gevaar

De economische groei zal voor 2009 als gevolg van de financiële crisis zwaar negatief uitpakken. Recente publicaties van het CPB duiden op een forse krimp van 4,75%. Voor 2010 en de jaren erna wordt weliswaar een verbetering verwacht, maar deze is hoogst onzeker. De optredende krimp stelt hoge eisen aan de financiële plannen van het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) doordat grote aarzeling bestaat bij vermogensverschaffers om bestaande contracten te continueren (herfinanciering) en om nieuwe contracten (expansie) aan te gaan. Vooral de banken zijn in het algemeen terughoudend en stellen extra eisen aan kredietaanvragen. Hierdoor ontstaan onaanvaardbare risico’s voor het MKB doordat het haperen van de kredietstroom tot extra faillissementen kan leiden. De buffer om risico’s op te vangen in de vorm van eigen vermogen is gemiddeld gezien te beperkt (zie Duffhues, 2009). Het MKB zou dan ook zeer zijn gediend met een verhoging van het eigen vermogen vanuit externe bronnen.

Behoefte aan eigen vermogen

Eigen vermogen is een vorm van risicokapitaal. Verschaffing van risicokapitaal was in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw een belangrijk thema in de discussies over de oplossingsregelingen voor de ook toen ontbrekende economische groei. In die zin was er een min of meer vergelijkbare economische dramatiek hoewel de oorzaken daarvan verschilden van de huidige situatie. De destijds door de centrale overheid geïnitieerde ‘Regeling Particuliere Participatiemaatschappijen (PPM) 1981’ heeft jarenlang naar grote tevredenheid gewerkt met weinig kosten voor de overheid.

Wat hield de PPM-regeling in?

Onder deze regeling werden de mogelijkheden voor het MKB om aan risicodragend vermogen te komen, vergroot. De overheid compenseerde het verlies op een onder de PPM-regeling aangegane participatie tot een maximum van 50 procent van de aankoopprijs tot 10 jaar na het aanmelden van de participatie. Dit was de zogenaamde verliesvergoeding. De regeling werd uitgevoerd door De Nederlandsche Bank en richtte zich zowel op private beleggers als institutionele beleggers. Het risico werd voor de aanbieders verkleind terwijl het verwachte rendement gunstig was.

Wat leverde de PPM-regeling op?

Het rapport ‘Evaluatie PPM-Regeling’ dat in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en met betrokkenheid van het Ministerie van Financiën in 1993 werd uitgebracht door Andersen Consulting Den Haag (zie Geerts, 1993) levert de volgende informatie op. De korte termijn doelstelling van de regeling – het activeren van het aanbod van risicodragend vermogen – was al bij de tussentijdse evaluatie van de regeling in 1990 bereikt. De PPM-regeling heeft haar lange termijn doelstelling - het scheppen van voorwaarden voor het tot stand komen van een duurzame aanbodstructuur - op twee uitzonderingen na bereikt. De uitzonderingen betreffend de onderkant van de markt. Gemiddeld 30 procent van de aangemelde PPM-investeringen is tot medio 1993 is verliesgevend gebleken hetgeen de overheid (slechts) circa € 60 miljoen heeft gekost. Tot medio 1993 werden 846 ondernemingen onder de PPM-regeling aangemeld met een gecumuleerd participatiebedrag van € 385 miljoen. De gemiddelde omvang van de participatie per onderneming was tot medio 1993 een kleine € 0,5 miljoen. Het maximale participatiebedrag was sinds 1991 € 1,12 miljoen. Vanaf 1988 stagneerde de groei van de participaties. Het per saldo onder de regeling geïnvesteerd vermogen daalde vanaf 1991. In 1993 werd vastgesteld dat het beslag op de regeling sterk afnam. De PPM-regeling heeft volgens het evaluatierapport bijgedragen aan haar ‘hogere’ doelstelling: het ondersteunen van de totstandkoming en groei van het MKB in Nederland. Al met al blijkt volgens het rapport dat over de periode 1981-1993 de PPM-regeling een duidelijke bijdrage heeft geleverd aan de stimulering van het MKB in Nederland. Aanvankelijk was de regeling bedoeld voor ondernemingen uit het MKB met maximaal 500 werknemers. Gedurende de looptijd van de regeling werd dat gewijzigd in 100 werknemers. Na beëindiging van de crisis in de jaren tachtig van de vorige eeuw is in 1990 beslist om de regeling geleidelijk af te bouwen. Uiteindelijk is ze per 1 april 1994 terecht ingetrokken.

Betekenis voor vandaag

De grote betekenis van de regeling was een 50% verliesgarantie door de overheid voor investeerders in het risicodragend vermogen van ondernemingen. Het resterende 50% risico bleef voor rekening van de investeerders zelf zodat een gezonde prikkel tot verantwoord handelen door de investeerders aanwezig bleef. Anno 2009 verkeert een aantal ondernemingen uit het bedrijfsleven qua financieringsnood in een vergelijkbare situatie als begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Banken zijn terughoudend met kredietverlening. In tegenstelling tot beursondernemingen die massaal obligatieleningen hebben uitgegeven, is het aanbod van (overig) vreemd vermogen voor het MKB zeer beperkt. Versterking van het eigen vermogen vanuit externe bronnen is dan ook zeer gewenst. De huidige crisis is zeker niet door de ondernemingen veroorzaakt, maar door de financiële sector. De ongekend zware terugval in de economische groei komt op een moment dat het gemiddeld eigen vermogen van het MKB is gedaald van ongeveer 32% in de vijf jaren voor en na de eeuwwisseling tot recentelijk 22% van het balanstotaal per ultimo 2008.

Conclusie

Het verdient aanbeveling te overwegen opnieuw een regeling particuliere participatiemaatschappijen in te voeren. Deze kan snel als een enigszins aangepaste kopie van de oude regeling uit 1981 door de overheid worden afgekondigd. De werking van deze regeling zou breder moeten zijn dan de reeds bestaande Groeifaciliteit van het Ministerie van Economische Zaken. Deze regeling is minder breed opgezet en te eng op toepassing door het bankwezen gericht en niet op overige particuliere participatiemaatschappijen (van private snit). Een andere overweging om de oude regeling weer af te stoffen is dat de Groeifaciliteit is afgekondigd in 2007 toen de crisis nog niet was uitgebroken. Daardoor draagt de Groeifaciliteit een meer offensief karakter met als ultiem doel om de economische groei te stimuleren. De tijden zijn helaas veranderd en anno 2009 is juist behoefte aan een meer defensieve maatregel van de overheid voor het MKB om overleving te bevorderen. Mede daardoor is een PPM-regeling naast de Groeifaciliteit gewenst.

Referenties:

Duffhues, P.J.W., (2009), Er is maar een oplossing voor de financieringscrisis: meer eigen vermogen, Me Judice, jaargang 2, 29 juli 2009.

Geerts, W.F., (1993), Evaluatie PPM-regeling, onderzoeksrapport Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

Berentsen, L. (2009), CDA en PvdA: versterk eigen vermogen mkb, Het Financieele Dagblad, 1 juli 2009.

Te citeren als

“Subsidieer verliezen op participaties in het Midden- en Kleinbedrijf”, Me Judice, 6 augustus 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.