Voorrangszorg hoeft solidariteit zorgstelsel niet te ondermijnen

Voorrangszorg hoeft solidariteit zorgstelsel niet te ondermijnen image
12 mei 2009 | | 3361 keer bekeken
Voorrang in de zorg wordt in het publieke debat als voorkruipen en omkoping afgeschilderd. De Rotterdamse economen Brouwer en Varkevisser stellen echter dat voorrangszorg de zorgmarkt beter kan laten werken. Bemiddelingsbureaus die willen betalen voor voorrangzorg struikelen over de huidige regelgeving en dat is vreemd: zorgverzekeraars mogen ziekenhuizen immers al wel extra betalen voor snellere zorg. Er is dus sprake van oneerlijke concurrentie en onnodige belemmeringen.

Veel kritiek op voorrangszorg

Vorig jaar bleek het Kennemer Gasthuis patiënten met voorrang te hebben behandeld. Deze patiënten waren via een zorgbemiddelingsbureau, dat bereid was het Haarlemse ziekenhuis 900 euro te betalen voor deze snelle service, bij het ziekenhuis uitgekomen. Hoewel het slechts twee patiënten betrof en de extra betaling uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, deden critici het voorkomen alsof de bijl aan de wortel van ons solidaire zorgstelsel was gezet. Net als bij eerdere gevallen bleek opnieuw dat voorrang verlenen in de zorg op grond van additionele betalingen veel verzet oproept. Een Kamermeerderheid vond het zelfs onaanvaardbaar waarbij krachttermen als “niet solidair”, “een vorm van omkoping” en “bom onder het stelsel” werden gebruikt (zie bijvoorbeeld De Pers, 13 november 2008). Voornaamste kritiekpunt is steeds dat voorrangszorg strijdig is met het idee dat iedereen in de zorg gelijk is en enkel medische noodzaak bepalend is voor de volgorde van behandeling.

Maar waarom niet?

Het tegengeluid dat door de extra financiële middelen die op deze manier beschikbaar komen de beschikbare capaciteit van ziekenhuizen door openstelling in de weekenden en avonduren kan worden uitgebreid mocht niet baten. Voorrang voor sommigen kan op die manier leiden tot vooruitgang van allen. Naar aanleiding van de discussie die in de media en politiek is ontstaan, heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) onderzoek gedaan naar de handelswijze van het Kennemer Gasthuis. Recent heeft de NZa in een brief aan Minister Klink (Volksgezondheid) laten weten dat effectuering van de gemaakte afspraken in strijd zou zijn geweest met de bestaande regelgeving. Een conclusie die op het eerste gezicht de critici van voorrangszorg in het gelijk stelt. Niets is echter minder waar.

Huidige regelgeving belemmert voorrangszorg

De NZa stelt namelijk niet dat de beoogde handelswijze van het Kennemer Gasthuis en het zorgbemiddelingsbureau tegen de wet is vanwege een dreigende tweedeling of ongelijke behandeling. Integendeel, de zorgautoriteit stipt aan dat er louter sprake is van een praktisch probleem. De Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG) staat het een ziekenhuis niet toe extra geld te ontvangen voor een dienst waarvoor al een DBC-tarief bestaat. Met andere woorden, op grond van de WMG mogen zorgbemiddelingsbureau’s ziekenhuizen niet extra betalen voor de snellere levering van een zorgproduct waarvoor het ziekenhuis al geld ontvangt. Deze regel is vooral in het leven geroepen om te vermijden dat de zorgkosten sluipenderwijs zouden kunnen worden verhoogd doordat naast de reguliere tarieven die de zorgverzekeraars betalen via allerhande slimme constructies nog allerlei aanvullende kosten in rekening worden gebracht. En op deze bureaucratische belemmering loopt het experiment van het Kennemer Gasthuis vast. Uiteraard vervalt zonder additionele betaling door een zorgbemiddelingsbureau voor het ziekenhuis ook elke prikkel (en financiële mogelijkheid) om voorrangszorg te verlenen en zodoende de beschikbare capaciteit beter te benutten.

Voorrangszorg verbetert werking zorgmarkt

Is de NZa tegen zorgbemiddeling in het algemeen? Duidelijk niet. In haar brief aan de minister toont de NZa zich eerder een voorstander. De toezichthouder wijst namelijk op voordelen als differentiatie van het zorgaanbod, de welvaartswinst voor de consument vanwege snellere hulp en een betere benutting van de aanwezige zorgcapaciteit waardoor de wachttijden kunnen afnemen. De NZa geeft aan dat “er voldoende ruimte moet zijn voor zorgbemiddelings- en andere initiatieven die gehoor geven aan de behoeften van de consument en andere afnemers, zoals werkgevers.” Terecht heeft de NZa ook oog voor de nadelen van bemiddeling. Vooral het door critici veelvuldig genoemde potentiële probleem van voorrang op niet-medische gronden wordt genoemd. De NZa wijst hier echter op een heel ander uitgangspunt, namelijk dat adequate zorg voor iedereen gegarandeerd dient te zijn waarbij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) de relevante toezichthouder is. Juist door voor een model te kiezen waarbij tot nu toe ongebruikte additionele capaciteit via voorrangszorg wordt benut kan de zorgkwaliteit voor iedereen toenemen. Dit voorkomt dan meteen een ander potentiëel probleem van voorrangszorg, te weten verdringing. Dat het toestaan van extra betalingen tot premiestijgingen leidt acht de NZa onwaarschijnlijk. Deze betalingen komen immers veelal voor eigen rekening van patiënten of hun werkgevers en dus niet ten laste van de premies.

Oneerlijke concurrentie

Ondanks bovenstaande voordelen moet de NZa op grond van WMG vaststellen dat zorgbemiddeling via een bemiddelaar, zoals bij het Kennemer Gasthuis, niet is toegestaan. De NZa geeft daarbij ook meteen aan dat dit eigenlijk vreemd is. Zorgverzekeraars mogen voor hun verzekerden immers wèl met een ziekenhuis onderhandelen over de snelheid waarmee hun verzekerden worden behandeld. Snellere service mag dan wel worden beloond! Er is dus sprake van oneerlijke concurrentie tussen verzekeraars en zorgbemiddelingsbureaus. Een heel andere vorm van voorrangszorg.

Voorrangszorg mogelijk maken

De huidige regelgeving belemmert derhalve niet alleen een goede werking van de zorgmarkt. Ook patiënten worden belemmerd in het vinden van optimale zorg en ziekenhuizen in het aanboren van additionele middelen om de zorg beter te maken voor iedereen. De NZa geeft aan zich te kunnen voorstellen dat de wettelijke mogelijkheden voor zorgbemiddeling niet beperkt zouden moeten worden, maar juist verruimd. En wel op zo’n manier dat er geen verdringing plaatsvindt maar dat iedereen meeprofiteert van de extra financiële middelen in de zorg die op deze manier naar de zorg kunnen vloeien. Bij dat pleidooi sluiten wij ons graag aan. Voorrangszorg? Met voorrang mogelijk maken!

* Dit is een gewijzigde versie van een bijdrage die verscheen in Het Financieele Dagblad, 11 mei 2009.

Te citeren als

Werner Brouwer, Marco Varkevisser, “Voorrangszorg hoeft solidariteit zorgstelsel niet te ondermijnen”, Me Judice, 12 mei 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.