Wat voor pensioen willen wij eigenlijk?

Oudere man in metro
Afbeelding ‘Doctor Fate is so awesome’ van TheeErin (CC BY-ND 2.0)
3 nov 2009 |
Het rendement op belegd vermogen speelt een belangrijke rol in het beleid van pensioenfondsen. Naar de mening van de Amsterdamse econoom Bernard van Praag heeft het er alle schijn van dat we in een vergrijsde samenleving met een trendbreuk te maken hebben en de renteveronderstellingen naar beneden moeten stellen met alle gevolgen van dien voor de betaalbaarheid van het pensioenstelsel.

Commissie Don verdeeld

Er zijn weinig bedrijven waarbij lange termijn beslissingen zo belangrijk zijn als bij pensioenfondsen. Ze hebben een tijdshorizon van minstens zestig jaar. Voor de bepaling van de premie zijn de gehanteerde veronderstellingen met betrekking tot de ontwikkeling van de rentevoet en de waarde van de beleggingen cruciaal. Tevens gaat het om de doelstelling. Streeft men naar veiligstelling van een nominaal of een waardevast pensioen. Volgens de pensioenwet dienen deze parameters periodiek te worden herijkt. Zojuist heeft een commissie onder leiding van Henk Don deze taak vervuld. De Commissie bestond uit vertegenwoordigers van CPB, DNB en twee vertegenwoordigers van de werknemers. Het is opvallend dat de werkgevers in deze Commissie niet vertegenwoordigd waren.

Het is duidelijk dat deze schattingen in hoge mate richtinggevend zijn voor pensioenfondsen. Werknemers en werkgevers, die in besturen van pensioenfondsen de dienst uitmaken, hebben immers de neiging de premies zo laag mogelijk vast te stellen. Voor werkgevers zijn het loonkosten, en actieve werknemers zien hun loon liever nu in het handje dan pas over dertig jaar, als ze gepensioneerd zijn. Naarmate de rente en het rendement van overige beleggingen voor de toekomst hoger wordt ingeschat, kunnen de premies lager worden.

Zeer wijselijk schrijft de wetgever een maximum niveau voor en de Commissie Don had de schone en belangrijke taak dit niveau voor de komende drie jaar vast te stellen. De commissie Don stelt de maximumrente vast op 4,5% voor staatsobligaties en ze legt voor overige beleggingen in aandelen, enz. er nog een risicopremie bovenop van 1,5 tot 2%. De kans is zeer groot dat deze waarden, hoewel gepresenteerd als maximumwaarden, in de praktijk de parameterwaarden worden waarvan de pensioenfondsen uitgaan. Voor de ontwikkeling van de prijzen wordt 2 % ingeboekt en voor de ontwikkeling van contractlonen 3 %. Het is natuurlijk, zo hebben de gebeurtenissen van de laatste twee jaar wel aangetoond, bijzonder moeilijk om deze parameters goed in te schatten. Toch zet ik mijn vraagtekens bij de voorspellingen van de commissie- Don.

Figuur 1: Ontwikkeling lange rente en inflatie in Nederland, 1970-2010

Figuur 1: Ontwikkeling lange rente en inflatie in Nederland, 1970-2010
Bron: CPB

Trendbreuk waarschijnlijk

De schatting van de rente is sterk gebaseerd op historische cijferreeksen. Dat is goed wanneer men de mogelijkheid van een trendbreuk verwaarloost. Mijns inziens moet wel met een dergelijke trendbreuk worden gerekend. Door de vergrijzing in een belangrijk deel van de wereld, die naar het zich laat aanzien structureel is, wordt de gemiddelde deelnemer in een pensioenfonds ouder, en dus ook de gemiddelde reserve per deelnemer. Het kapitaalaanbod van fondsen is dus stijgende en aangezien pensioenfondsen een belangrijke kapitaalaanbieder zijn, heeft vergrijzing dus een drukkende werking op de rentevoet. Anderzijds is een vergrijzende maatschappij minder dynamisch en innoverend; bovendien zijn een hoop consumptieve investeringen zoals in huizen, meubilair, leeftijdsgebonden en zal de consumptieve vraag naar dit soort zaken in een verouderende maatschappij verzadigen. Beide tendenties leiden tot een daling van de vraag naar kapitaal. Mijn conclusie is dat het zeer waarschijnlijk lijkt dat de rentevoet niet op het niveau van de laatste decennia zal blijven hangen maar zal dalen. De mogelijkheid van een negatieve rentevoet, zoals o.a. de befaamde macro-economen Mankiw en Willem Buiter onlangs suggereerden, moet zeker niet worden uitgesloten. In Japan, Zweden, en Zwitserland zijn deze in het verleden al wel voorgekomen.

Het is aantrekkelijk om uit te gaan van ‘rendementen’ van beleggingen, waarbij de risicopremies voor het aanhouden van meer riskante beleggingen dan goudgerande obligaties, als rendementen bij de pensioenreserve worden geteld. Dit leidt dan tot triomfantelijke beweringen dat het rendement over een bepaalde periode wel 9% bedroeg. Ik vraag me af of het verstandig is die risicopremie bij het rendement te tellen. In feite gaat het om een soort verzekeringspremie waarmee een risicoreserve moet worden gevoed om koersdalingen op te vangen. Dat dit idee enige realiteitswaarde heeft, is in het recente verleden wel genoegzaam gebleken.

Uiteraard is een pensioendeelnemer niet erg geinteresseerd in de nominale waarde van zijn pensioen, maar des te meer in de reële waarde van zijn pensioen. Het streven van een pensioenfonds dient dan ook niet te zijn gericht op de nominale waarde maar op tenminste een waardevast pensioen. Zo’n pensioen is gebaseerd op de reële rente, die volgens de commissie Don op ongeveer (4,5 -2)= 2,5% uitkomt. Wanneer we een zeker geloof hechten aan de bewering dat die 4,5% in de komende decennia niet gehaald zal worden en dat het inflatiepercentage op 2% wel erg laag geschat is, dan lijkt het veiliger de reële rente op circa 0% te stellen.

Wat voor pensioen willen we eigenlijk?

Het effect van een en ander, gecombineerd met de stijgende levensverwachting, is dat het met het huidige premieniveau voor vele pensioenfondsen onmogelijk wordt waardevaste pensioenen in het vooruitzicht te stellen. Daarvoor is een aanzienlijke stijging van de pensioenpremies noodzakelijk. In de Nederlandse arbeidsverhoudingen betekent het dat het pensioen een veel grotere rol zal moeten gaan spelen in de beleving van actieve werknemers. Het vooruitzicht na een werkzaam leven nog circa 15 jaar te moeten voortvegeteren op een steeds armzaliger wordend pensioen is onaantrekkelijk. En dat moet de werknemer, die slechts zelden denkt aan zijn pensioen en de betekenis van het pensioen voor een aangename oude dag, met kracht worden duidelijk gemaakt. Uiteraard impliceert een premiestijging een daling van het netto–inkomen nu. Hier ligt een goede taak voor werkgevers en vooral voor werknemersorganisaties. Er zal een discussie moeten plaats vinden over de vraag wat voor pensioen wij nu eigenlijk willen hebben. Een nominaal verschrompelend pensioen, dat veel lager is dan wat wij in de afgelopen decennia gewend waren, of dat wij een 70% middelloon met prijscompensatie willen handhaven. In het laatste geval is een stijging van de premies en een daling van het nettoloon onontkoombaar.

* Dit artikel is in samenwerking met NRC Handelsblad tot stand gekomen en staat ook afgedrukt op economiebijlage van 3 november 2009.

Te citeren als

Bernard van Praag, “Wat voor pensioen willen wij eigenlijk?”, Me Judice, 3 november 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.