Discussie over de farmaceutische industrie vraagt om feiten

Discussie over de farmaceutische industrie vraagt om feiten  image
Afbeelding ‘Medication’ van Gatis Gribusts (CC BY-NC 2.0)
11 jan 2016 |

Het is goed om een kritische discussie te voeren over de farmaceutische industrie, maar dan moet deze wel worden gevoerd op basis van feiten. Aldus Sytse Buruma van Axon Healthcare. Vaak wordt de industrie veroordeeld op basis van feitelijke onjuistheden, waardoor een inhoudelijke discussie niet van de grond komt. Zo ook een recente bijdrage van Martijn van Winkelhof die beweert dat de huidige consolidatieslag in de farmaceutische industrie het gevolg is van een vastlopend businessmodel. Een feitelijke benadering leert dat de industrie bezig is aan een efficiëntieslag.

Debat over farmaceutische industrie

Het is goed om een inhoudelijke discussie te voeren over de rol van de farmaceutische industrie, zeker in een tijd veel aandacht uitgaat naar medicijnprijzen. En deels is wat Van Winkelhof schrijft feitelijk waar: aandeelhouders spelen een belangrijke rol in de farmaceutische industrie, veel bedrijven geven meer uit aan marketing dan aan R&D en sommige overnames dienden om een beter belastingtarief te bemachtigen. Bovendien worden vaak hoge prijzen gevraagd voor medicijnen. Wil er echter een productieve discussie ontstaan, dan zal deze moeten worden gevoerd op basis van feiten. Deze ontbreken voor een deel in de bijdrage van Van Winkelhof.

Onjuistheden

Zo schrijft Van Winkelhof dat het aantal nieuwe medicijnen jaarlijks daalt, terwijl in 2015 het grootste aantal medicijnen sinds 1996 werd goedgekeurd (Hirschler, 2016). Bovendien zit Van Winkelhof er voor een econoom behoorlijk naast wat betreft de ontwikkelkosten van een medicijn. Een recent rapport van Deloitte becijfert een bedrag van ruim 1,5 miljard dollar per medicijn, aanzienlijk meer dan de genoemde 100 miljoen (Deloitte, 2015). Verder is het onjuist te stellen dat bedrijven massaal samenklonteren, ondanks de recordbedragen aan overnames. De fusie tussen Pfizer en Allergan kreeg veel aandacht, maar vormde een uitzondering: het is voor het eerst sinds 2009 dat twee van de twintig grootste farmaceuten ter wereld samen verdergaan.

Van Winkelhof betoogt dat nieuwe medicijnen niet innovatief zijn. Toch verscheen recent de eerste gentherapie op de Nederlandse markt en betekenden immunotherapieën een regelrechte doorbraak bij de behandeling van kanker. Ook bij hypercholesterolemie, hartfalen en hepatitis C werden grote vorderingen geboekt. Van Winkelhof stelt dat nieuwe medicijnen enkel symptomen bestrijden, maar nieuwe hepatitismiddelen genezen wel degelijk; binnen twaalf weken en zonder noemenswaardige bijwerkingen.

Verder stelt Van Winkelhof dat farmaceuten vooral investeren in ‘me too’-preparaten of ‘lifestyle drugs’, zoals een lustpil voor vrouwen of medicijnen tegen obesitas. Deze lustpil is in Europa niet op de markt en weet in Amerika vooralsnog totaal geen indruk te maken (Telegraaf, 18 november 2015). Medicijnen tegen obesitas hebben ook nog geen voet aan de grond gekregen (Pollack, 2015). ‘Me too’-medicijnen verdienen bovendien een nuancering. De ontwikkeling van medicijnen duurt jaren; te lang om een bestaand middel snel te kopiëren om makkelijk geld te verdienen. Bovendien zorgt een breed aanbod aan medicijnen voor concurrentie en dus prijsverlagingen. De hepatitismarkt was hier een duidelijk voorbeeld van.

Het is ook maar de vraag of farmaceuten lastige indicaties vermijden. Binnen de genoemde indicatiegebieden werden de afgelopen jaren belangrijke vorderingen geboekt. Bovendien stemt de pijplijn aan nieuwe producten hoopvol. Voorbeelden zijn astma, MS en reuma. Ook werden in de afgelopen anderhalf jaar vijf nieuwe antibiotica goedgekeurd, terwijl het aantal experimentele antibiotica verdriedubbelde (Nash, 2015). Bij aandoeningen van de hersenen worden inderdaad minder vorderingen geboekt (Harper, 2015). Toch investeren farmaceuten volop in bijvoorbeeld Alzheimer, ondanks de grote kans op tegenvallers (Koons, 2015).

Ommekeer

We zullen de ontwikkeling van de industrie moeten beoordelen op basis van feiten. Wanneer we dat doen, wordt duidelijk dat na een aantal magere jaren sprake is van een ommekeer. Overtollig vet en inefficiëntie worden daarbij vervangen door een sterkere prioriteitstelling en gerichte versterkingen.

In het eerste decennium van deze eeuw daalde het aantal nieuwe medicijnen, terwijl een serie patentverliezen de omzetten binnen de farmaceutische industrie deed dalen. Bedrijven probeerden dit te compenseren met overnames van andere grote bedrijven. R&D-budgetten werden daarnaast fors verhoogd. Bedrijven groeiden om het groeien en probeerden binnen zoveel mogelijk indicatiegebieden een medicijn te bemachtigen.

Dit is echter een gedateerd beeld. In de afgelopen drie jaar hebben bedrijven een forse efficiëntieslag doorgevoerd binnen hun onderzoeksafdelingen. Dit was nodig. Volgens een recent rapport van Deloitte daalde de ‘return on investment’ van R&D sinds 2010 van 10,1 procent naar 4,2 procent (Deloitte, 2015). Grote R&D-budgetten bleken daarbij een nadeel, want kleinere bedrijven noteerden gemiddeld een drie keer hoger rendement. Volgens het rapport dwingen kleinere budgetten tot een constante evaluatie van experimentele medicijnen, om er zodoende zeker van te zijn dat elke R&D-dollar optimaal wordt besteed.

Een focus op R&D-budgetten is dus alleen vruchtbaar als we kijken naar de effectiviteit ervan. Veel grotere bedrijven volgen hun kleinere collega’s en stappen over op kleinere en efficiëntere R&D-budgetten. Deze nieuwe aanpak werpt zijn vruchten af. Niet alleen stijgt het aantal nieuwe medicijnen, inmiddels bereikt ook één op de dertien medicijnen in de vroegste ontwikkelingsfase daadwerkelijk de markt. Tussen 2007 en 2011 was dat één op de negentien; een teken dat bedrijven veel kritischer kijken welke medicijnen (verder) ontwikkeld moeten worden (Munos, 2016).

Deze efficiëntie zien we ook terugkomen in het overnamebeleid. Bedrijven stellen in toenemende mate een beperkt aantal indicatiegebieden centraal. Deze specialismen worden vervolgens versterkt door gerichte overnames van kleinere bedrijven of de rechten op experimentele geneesmiddelen. Vaak bevinden die medicijnen zich in een vroeg stadium van ontwikkeling, wat getuigt van een langetermijnvisie. Bovendien worden bedrijfsonderdelen afgestoten als ze niet langer binnen de nieuwe prioriteiten passen (Ward en Massoudi, 2015). ‘Lean and mean’ is dus het devies. Ook dit is afgekeken van de efficiëntere kleinere bedrijven.

Conclusie

Het is belangrijk een discussie te voeren over de farmaceutische industrie, zeker in een tijd waarin veel onrust bestaat over medicijnprijzen. Deze moet echter worden gevoerd op basis van feiten en niet op basis van vooroordelen of onjuistheden. Dan blijkt dat er, na enkele lastige jaren, tekenen zijn van een ommekeer binnen de farmaceutische industrie.

Referenties

Deloitte, 2015, Measuring the return from pharmaceutical innovation 2015 , 10 december 2015.

Harper, M., 2015, The Coming Boom in Brain Drugs , Forbes, 11 februari 2015.

Hirschler, B., 2016, Drug approvals at 19-year high belie industry challenges, Reuters, 4 januari 2016.

Koons, C. 2015, Deep in ‘the Cave,’ Lilly’s CEO Decided Alzheimer’s Drug’s Fate , Bloomberg, 26 juni 2015.

Bernard Munos, 2016, 2015 New Drug Approvals Hit 66-Year High, Forbes, 4 januari 2016.

Edward Nash, Yun Zhong en Mike Guo, Antibiotics 101 in 2015, SunTrust Robinson Humphrey, 3 november 2015 (niet openbaar).

Pollack, A., 2015, Data Disclosure Leads Researchers to End Study of Obesity Drug , New York Times, 12 mei 2015.

Ward, A., en A. Massoudi, 2015, Pharmaceutical groups turn to asset swaps to boost growth , Financial Times, 16 december 2015.

Naschrift Martijn van Winkelhof:

Wat me ten eerste opvalt is dat de heer Buruma, een auteur die zich beroept op ‘de feiten’, niet één wetenschappelijke bron vermeldt, maar naar allerhande krantenartikelen en een commercieel rapport verwijst. Als hij zijn stellingen weet te onderbouwen met onafhankelijke academische studies ga ik graag verder met hem in debat.

Ten tweede zou ik in reactie op de kritiek van de heer Buruma vooral willen benadrukken dat ik geen kritiek op de farmaceutische industrie heb, maar expliciet op Big Pharma (zoals ook in de titel werd vermeld). Voorts schrijf schrijf ik niet dat het aantal nieuwe medicijnen afneemt en dat de farmaceutische industrie niet innovatief zou zijn. Integendeel, farma-startups zijn zeer innovatief. Ik stel wel dat het aantal nieuwe middelen van Big Pharma elk jaar verder afneemt en Big Pharma veelal ‘me-too’ preparaten maakt. De heer Buruma zou moeten weten dat er een fundamenteel verschil is tussen farma startups en Big Pharma.

De heer Buruma en ik verschillen slechts over één onderwerp van mening: over de omvang van de ontwikkelkosten van een medicijn. Hij baseert zijn stelling op een commercieel rapport van Deloitte, geschreven in opdracht van…..de industrie. Dat is echter geen serieus te nemen en onafhankelijke bron van wetenschappelijke statuur. Bovendien, niet te ontkennen valt dat deze industrie niet bekend staat om hun wetenschappelijke integriteit.

Te citeren als

Sytse Buruma, “Discussie over de farmaceutische industrie vraagt om feiten ”, Me Judice, 11 januari 2016.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.