Naar een flexibilisering van de AOW

Onderwerp:
Naar een flexibilisering van de AOW image

Afbeelding ‘Meneer Rutte,is het waar dat ..’ van Roel Wijnants (CC BY-NC 2.0).

Tijdens de komende kabinetsformatie zal ongetwijfeld de AOW ter sprake komen. Er doen al veel ideeen de ronde. Terugdraaien van de AOW-leeftijd naar 65 is niet reëel omdat het houdbaarheidsoverschot omslaat in een fors tekort. Opties als flexibilisering van de AOW of het tempo van de AOW-leeftijd aan te passen aan de verhouding werk/pensioen lijken meer kans van slagen volgens Raymond Gradus. Hij voegt nog een mogelijkheid toe: de individualsering van de AOW. De uitvoering van de AOW wordt aanzienlijk eenvoudiger. Het voorkomt een onverkwikkelijke controlediscussie  en draagt bij aan het in de hand van houden van de kosten.

Formatie

De AOW zal zonder enige twijfel op de formatietafel liggen. Veel partijen willen sleutelen aan het staatspensioen. Sommige partijen willen de AOW-leeftijd terugbrengen tot 65 jaar. Het CPB heeft berekend dat dit een negatief houdbaarheidseffect van meer dan 12 miljard euro met zich zal brengen. Het met veel inspanningen in Rutte-II bewerkstelligde houdbaarheidsoverschot slaat om in een fors tekort en in feite betekent dit dat jonge generaties hiervoor zullen opdraaien. Deze variant lijkt dan ook weinig realistisch. Hetzelfde geldt voor een bezuiniging op de welvaartsvastheid van het staatspensioen. De meeste partijen willen deze waardevastheid behouden of zelfs verbeteren. [1]

Varianten die tellen

Realistisch zijn andere varianten. De meeste partijen die aan de doorrekening van het CPB hebben deelgenomen willen een vorm van flexibele AOW invoeren. [2] Hierdoor kunnen mensen hun AOW zowel eerder als later laten ingaan. Mensen die eerder hun AOW opnemen worden dan wel actuarieel gekort. De effecten op de houdbaarheid daarvan zijn beperkt, wel zien we op de korte termijn de overheidsuitgaven oplopen en de belastingopbrengsten verminderen. Er wordt gesteld dat dit onvoldoende soelaas biedt voor de zware beroepen (zie ook Paul de Beer, FD, 13 maart) en ook hiervoor zijn voorstellen. De PvdA heeft dit concreet uitgewerkt en wil de mogelijkheid bieden om de AOW maximaal 3 jaar eerder of later te laten ingaan. Bij eerdere opname wordt afhankelijk van het inkomen van de actuariële neutraliteit afgeweken: voor de laagste inkomens is de korting minder en voor hogere inkomen is de korting meer dan de actuariële korting. Daardoor zal ook de werkgelegenheid verslechteren vanwege de oplopende marginale druk. [3] Volgens het CPB kost deze aanpassing (in combinatie met een beperkte verhoging van de AOW uitkering, zie CPB (2017, p. 233)) op termijn 3 miljard euro.

Interessant is ook een voorstel voor een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd gedaan op de economensite MeJudice door collega’s van het demografisch instituut NIDI (De Beer et al. 2017). Zij stellen voor om bij de stijging van de levensverwachting de verhouding tussen werk- en pensioenjaren constant te houden. De inschatting is dat dit 4 miljard euro kost. [4] Deze variant komt tegemoet aan de onvrede over hoe nu een versnelling van de AOW-leeftijd wordt doorgevoerd. Keerzijde is wel dat de complexiteit toeneemt.

Individualisering AOW

Het is daarom van belang om te bezien of de AOW op andere terreinen kan worden beperkt en vereenvoudigd. Zo is het denkbaar dat op termijn de AOW wordt geïndividualiseerd door de extra AOW-uitkering voor alleenstaanden af te bouwen (zie voor beschrijving Gradus en Slootweg, 2013). Op dit moment hebben alleenstaande ouderen een uitkering die 20% van het wettelijk minimumloon hoger is. Uiteraard moeten bij een dergelijke individualisering ouderen, die alleen recht hebben op AOW of een klein aanvullend pensioen, worden aangevuld tot het sociaal minimum. Overigens, deze regeling bestaat nu al voor ouderen met een onvolledige AOW-opbouw. Gemeenten vullen dat op basis van een middelentoets aan tot een niveau van het sociaal minimum en zouden dus deze (eenvoudige) regeling die beperkt wordt tot het individuele inkomen uitstekend kunnen uitvoeren. [5] Het is de inschatting dat de omvang van een dergelijke regeling zeker op termijn beperkt kan zijn. Immers de arbeidsparticipatie van partners neemt nog steeds toe.

Individualisering heeft veel voordelen. De uitvoering van de AOW wordt aanzienlijk eenvoudiger. Het voorkomt een onverkwikkelijke discussie over de controle op het aantal ‘tandenborstels’ in een huishouden. Ook draagt deze oplossing bij aan het in de hand van houden van de kosten. Zonder compensatie bedraagt de bijdrage van de individualisering aan een verbetering van de houdbaarheid circa 6 miljard euro. [6] Uiteraard zal een gedeelte nodig zijn voor een gemeentelijke regeling. Overigens moet een dergelijk voorstel tot individualisering stapsgewijs plaatsvinden. Dit geeft pensioenfondsen die nog een alleenstaande-franchise hanteren de mogelijkheid deze aan te passen. Overigens hanteren heel veel fondsen, en vooral de grootste, een franchiseopbouw toe, die aanzienlijk lager is. De facto benaderen zij dus een geïndividualiseerde AOW. In combinatie met een flexibilisering van de AOW en/of tragere opbouw zou individualisering een aantrekkelijk vergezicht kunnen zijn, dat rekening houdt met individuele wensen van toekomstige ouderen en ook met betaalbaarheid.

* Hij dankt Roel Beetsma en Frans van Osch voor nuttig commentaar bij een eerdere versie. Dit artikel is in verkorte vorm verschenen in Het Financieele Dagblad van 17 maart 2017.

Voetnoten:


[1] Zo wil het CDA een extra uitkering van 1,5% van de bruto AOW‐uitkering op jaarbasis introduceren (CPB, 2017). Andere partijen kiezen meer voor inkomensafhankelijkheid.

[2] PvdA en D66 willen AOW zowel eerder als later kunnen laten ingaan VVD, GroenLinks, SGP en DENK later (CPB, 2017).

[3] Volgens het CPB verslechtert de werkgelegenheid met -0,4% als gevolg van de PvdA-voorstellen van de flexibilisering van de AOW‐leeftijd.

[4] Deze inschatting is gebaseerd op figuur 2 uit Joop de Beer et al. (2017). Zoals de verhouding van het aantal AOW-jaren kan worden afgeleid is 1/3 van AOW-leeftijd 65 jaar nodig, dus circa 4 miljard.

[5] Dit ook omdat de gebruikelijke vermogenstoets uit de bijstand achterwege kan blijven.

[6] Van Sonsbeek (2010) heeft laten zien dat de bijdrage van individualisering aan de houdbaarheid 1,0% BBP is.

Referenties:

Beer, J. de, H. van Dalen, K. Henkens (2017), “Stijgt de AOW-leeftijd niet te hard?”Me Judice, 11 maart 2017.

Beer, P. de, (2017). Flexibele AOW-leeftijd lost niets op, maar tast deze voorziening juist aanHet Financieele Dagblad, 13 maart.

CPB (2017). Keuzes in Kaart 2018-2021: Een analyse van elf verkiezingsprogramma’s . CPB: Den Haag.

Gradus, R., en E.J. Slootweg (2013),“Koester het verzekeringskarakter van de AOW”, Sociaal Bestek, 95:6/7 44-6.

Sonsbeek, J.M. van (2010). ‘Micro simulations on the effects of ageing-related policy measures.’ Economic Modelling 27 968–979.

Te citeren als

Raymond Gradus, “Naar een flexibilisering van de AOW”, Me Judice, 17 maart 2017.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding

Afbeelding ‘Meneer Rutte,is het waar dat ..’ van Roel Wijnants (CC BY-NC 2.0).

Links

Ontvang updates via e-mail