Pleidooi voor één minister van handel en ontwikkelingssamenwerking

Harvesting in Africa
Afbeelding ‘Harvesting hope after war in the fields of northern Uganda’ van DFID - UK Department for International Development (CC BY 2.0)
In de huidige periode van globalisering en opkomst van middeninkomenslanden gaan handel en ontwikkelingssamenwerking goed samen. Daarom vinden de economen Frank den Butter en Rolph van der Hoeven het zinvol wanneer er in het nieuwe kabinet één minister voor deze beide gebieden komt.

Nieuw kabinet

In de coalitieonderhandelingen voor een nieuw kabinet moeten de wensen van de verschillende partijen op elkaar afgestemd worden. Zo wil de VVD een minister voor handel en de PvdA wil weer een minister voor ontwikkelingssamenwerking. De polderoplossing is een minister voor internationale samenwerking. Dat is een goede oplossing want ontwikkelingssamenwerking wordt ook steeds meer een kwestie van handel.

Handel is geen bijbaantje

In het kabinet Rutte/Verhagen mocht staatsecretaris Henk Bleker zich zo af en toe minister van handel noemen. Eigenlijk was het een bijbaantje, want landbouw, natuur en flink wat televisieoptredens vergden de meeste tijd en aandacht van Bleker. Het is terecht dat in een handelsland als Nederland de handel een veel groter gewicht krijgt in het beleid. Een minister van handel hoort daarbij. Zo’n minister, die met gezag de Nederlandse belangen in het buitenland kan vertegenwoordigen, vervult een belangrijke rol in de economische diplomatie. Hij (of zij) kan, naast de koningin, deuren openen die anders gesloten blijven. Zo’n minister kan bijdragen tot het verlagen van de transactiekosten voor ons internationaal opererende bedrijfsleven. Het gaat daarbij vooral om ‘zachte transactiekosten’ zoals de WRR(2003) dat noemt. Daarnaast is het van belang dat nog allerlei bestaande handelsbelemmeringen, vooral in het voor Nederland zo belangrijke dienstenverkeer, verdwijnen.

Andere visie op ontwikkeling nodig

Maar ook is voor onze welvaart nodig aandacht te blijven houden voor de economische ontwikkeling van landen, die vooralsnog veel minder welvaart kennen dan wij. Dat betekent wel dat het beleid een andere vorm moet krijgen dan de traditionele “ontwikkelingssamenwerking” waarbij het toch vooral gaat om geldelijke hulp die vaak voor een belangrijk deel in de portemonnee en op de buitenlandse bankrekening van de machthebbers verdwijnt. In die zin valt ook een reallocatie van het bedrag dat voor dit soort ontwikkelingshulp in de begroting wordt opgenomen naar activiteiten die de bevolking zelf ten goede komen, te billijken. Bedacht moet echter worden dat veel van de allerarmste landen, met name in Afrika, tegenwoordig een snelle economische groei beleven. Eritrea, Ghana en Ethiopië staan zelfs samen met China in de top-5 van snelst groeiende economieën ter wereld (volgens gegevens voor 2011; zie Tesfay et al, 2012). Bovendien zijn een aantal landen dankzij de groei opgeklommen tot de middeninkomenslanden (Van der Hoeven en Van Bergeijk, 2012). Voorbeelden zijn Zuid-Afrika, Pakistan, India, Nigeria, Ghana en Vietnam. Het laat echter onverlet dat we ons ook om deze groep landen moeten blijven bekommeren. Door een toenemende inkomensongelijkheid die de groei in de middeninkomenslanden teweeg brengt, daalt de armode niet of veel te langzaam (AIV, 2012).

Investeren is beter dan helpen

Deze groei vindt voor een belangrijk deel plaats dankzij directe buitenlandse investeringen. Deze investeringen hebben echter niets met hulp te maken maar dienen ook voor de investeerder een commercieel belang. Het is dus een vorm van handel. Veelal gaat het daarbij om grondstoffen. Daar is niets mis mee zo lang als de ontwikkelingslanden er voor zorgen niet getroffen te worden door de “vloek van de natuurlijke hulpbronnen”. Dat wil zeggen dat de opbrengst van de verkoop van grondstoffen niet te grabbel gegooid wordt, maar wordt geïnvesteerd in kennis waardoor de eigen bevolking op termijn de exploitatie en handel zelf van de buitenlandse bedrijven kan overnemen. Onze morele plicht is die landen bij te staan in de opbouw van dergelijke kennis. Dat kan door een deel van de ontwikkelingsgelden te besteden aan opleiding van de toekomstige intelligentsia en beleidselite van die landen. Laat ze vooral ook een deel van hun studietijd in Nederland doorbrengen. Dat mes snijdt aan twee kanten. Aan de ene kant maken zij kennis met onze maatschappelijke orde en inrichting van de rechtstaat. Aan de andere kant hebben wij er voordeel van voor onze toekomstige handelsrelaties met deze landen, wanneer de sleutelposities worden ingenomen door mensen die in Nederland hebben gestudeerd. Het betekent een waardevolle verbinding tussen handel en ontwikkelingssamenwerking: een mooi aandachtspunt voor de nieuwe minister.

Referenties:

AIV: Adviesraad Internationale Vraagstukken, 2012, Ongelijke werelden, armoede, groei, ongelijkheid en de rol van internationale samenwerking, Advies no. 80, September 2012.

Hoeven R. van der, en P. van Bergeijk,2012, Millennium Development Goals in Turbulent Times: Emerging Challenges for Post-2015 MDGs, WIDERAngle newsletter, June -July 2012
.

Tesfay, N., F.A.G. den Butter en E.I. Motchenkova, 2012, Valkuilen voor de snelle economische groei van Eritrea, Economisch Statistische Berichten , 97, blz. 216-218.

WRR: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2003, Nederland handelsland; het perspectief van de transactiekosten, Rapporten aan de Regering nr. 66, Sdu Uitgevers, Den Haag.

Te citeren als

Frank den Butter, Rolph van der Hoeven, “Pleidooi voor één minister van handel en ontwikkelingssamenwerking”, Me Judice, 25 oktober 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.