Pleidooi voor verbeterde premieregeling met een verbeterde projectierente

Pleidooi voor verbeterde premieregeling met een verbeterde projectierente image

Afbeelding ‘Algemene Politieke Beschouwingen in Eerste Kamer’ van Minister-president Rutte (CC BY 2.0)

11 jun 2016 |
In het Wetsvoorstel verbeterde premieregeling hebben deelnemers een persoonlijk pensioenvermogen. Bij pensionering wordt dit vermogen omgezet in een jaarlijks fluctuerende uitkering waarbij de hoogte van de uitkering afhankelijk is van de levensverwachting en de projectierente. Maar welke projectierente gekozen moet worden is nog onderwerp van discussie. Als deelnemers een stabiele uitkering willen met inflatiebescherming dan moet men niet rekenen met een risicovrije rente maar met een macro-stabiele discontovoet. Aldus pensioenexperts Joseph en Vos.

Stemming

Op 14 juni stemt de Eerste Kamer over het Wetsvoorstel ‘verbeterde premieregeling’, dat doorbeleggen na pensioendatum binnen premieovereenkomsten mogelijk maakt. Het wetsvoorstel sluit nauw aan bij de voorstellen voor een nieuw pensioencontract op basis van een persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling, zoals recent door de Sociaal Economische Raad onderzocht (SER, 2016). De gehanteerde systematiek in beide voorstellen is vrijwel identiek. Een klein verschil is dat in het SER-voorstel sprake is van een expliciete buffer bovenop de persoonlijke vermogens die in de verbeterde premieregeling niet bestaat.

Toch is er een groot verschil tussen de twee voorstellen in de gehanteerde rentes. Het wetsvoorstel rekent met de risicovrije rente. De SER rekent met een macro-stabiele discontovoet, d.w.z, een rekenrente op basis van verwacht rendement minus de inflatie (zie CPB, 2016). Het lijkt ons logisch om bij de verbeterde premieregeling ook de macro-stabiele discontovoet te hanteren. Dit leidt tot meer stabiliteit van de uitkeringen en een betere inflatiebescherming. Ook voorkomen we daarmee nieuwe transitieproblemen bij invoering van de SER-voorstellen.

Wet verbeterde premieregeling

In het Wetsvoorstel verbeterde premieregeling hebben deelnemers een persoonlijk pensioenvermogen. Bij pensionering wordt dit vermogen omgezet in een jaarlijks fluctuerende uitkering. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de levensverwachting en de projectierente. Reken je met een verwacht rendement dan is de initiële uitkering hoger. Reken je voorzichtiger, met een risicovrije rente, dan is de initiële uitkering lager.

Voor een premieovereenkomst waarin beleggingsrisico niet collectief gedeeld wordt maakt het niet uit welke projectierente gehanteerd wordt: reken je met een hogere rente dan raakt je pensioenpotje gewoon sneller leeg en zal de uitkering sneller dalen dan bij een lagere rente. Dit kan een keuze zijn. Het risico ligt immers bij de deelnemer. De wetgever kan grenzen aan de hoogte van de projectierente stellen om het ‘te snel’ leegmaken van het potje te voorkomen. Bovendien zou je tussentijds de rente kunnen wijzigen. Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de uitkering, maar het pensioenpotje blijft hetzelfde.

Bij een premieovereenkomst met collectieve beleggingsrisicodeling ligt dit iets genuanceerder: als je een uitkering hebt ingekocht bij het collectief en de rente wordt aangepast dan kan ‘jouw’ aandeel in de collectieve pensioenpot daardoor veranderen. Er kan sprake zijn van herverdeling.

Risicovrije discontovoet past niet bij een variabele uitkering zonder garanties

De keuze voor een goede projectierente in het kader van het Wetsvoorstel verbeterde premieregeling is dan ook niet eenvoudig. Toch zien wij vanuit conceptueel oogpunt wel een voorkeursvariant. Het huidige voorstel is om uit te gaan van de risicovrije rente. Een risicovrije discontovoet past echter conceptueel niet bij de verbeterde premieovereenkomsten waarin risico’s bij de deelnemers liggen en uitkeringen variabel zijn. Risicovrije rentes gebruik je om garanties te waarderen. Garanties zijn er nu niet meer, dus vanuit waarderingsoogpunt is er geen reden meer om de risicovrije rente als projectierente te hanteren.

Risicovrije rente ontmoedigt afdekking inflatierisico

De risicovrije rente als discontovoet ontmoedigt bovendien het afdekken van het inflatierisico. De waarde van inflatiegerelateerde instrumenten hangt af van de reële rente. Stel dat de verwachte inflatie daalt, maar de nominale rente gelijk blijft. Dan daalt de waarde van de inflatieproducten en moet de uitkering naar beneden bijgesteld worden, omdat de discontovoet niet meebeweegt. Het afdekken van inflatierisico leidt dan tot extra volatiliteit in de uitkeringen Inflatierisico is bovendien groot. Als de inflatie de hele pensioenperiode 4% hoger is dan verwacht, valt het pensioen in reële termen ongeveer 30% lager uit. Dit is geen onrealistisch scenario. Dat de inflatie nu een paar jaar laag is gebleven, geeft nog geen garantie dat dat in de toekomst ook zo zal zijn. Het zou dus mogelijk moeten zijn om de reële rente als discontovoet te gebruiken.

Vijf verschillende discontovoeten voorkomen herverdeling

In opdracht van SZW heeft Netspar in mei een onderzoek naar verschillende projectierentes gepubliceerd (zie Bovenberg et al. 2016). Daarin zijn acht projectierentes met elkaar vergeleken op basis van tien criteria, waaronder het behoud van een levenslange uitkering, beperkte rentegevoeligheid van de projectierente en het voorkomen van herverdelingseffecten. Uit het onderzoek blijkt dat er niet één projectierente is die op alle criteria beter scoort dan de overige varianten. Daarmee blijft elke mogelijke keuze enigszins arbitrair.

In het traject van het wetsvoorstel verbeterde premieregeling is vaak gewezen op mogelijke herverdelingseffecten als gevolg van de keuze voor een projectierente. De risicovrije rente als projectierente voorkomt ex ante herverdeling en wordt daarmee gezien als de enige oplossing. Het Netspar-onderzoek laat echter zien dat vijf van de acht onderzochte varianten van projectierentes herverdeling voorkomen, waaronder een macro-stabiele discontovoet.

Voorbode voor de toekomstdiscussie

Het Netspar-onderzoek is uitgevoerd in de context van het Wetsvoorstel verbeterde premieregeling, maar het is ook relevant voor een ander dossier, namelijk de toekomstdiscussie pensioenen. De SER heeft daar recent een rapport over gepubliceerd, waar het CPB veel onderliggend rekenwerk voor gedaan heeft. In beide nieuwe contractvoorstellen in het SER-rapport (variant ‘IV-C’, een persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling, en variant ‘I-B’, een uitkeringsovereenkomst zonder garanties) is daarbij de macro-stabiele discontovoet als projectierente gehanteerd. Het persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling lijkt veel op de verbeterde premieregeling. Het lijkt dan ook logisch om bij de keuze voor een projectierente voor het Wetsvoorstel verbeterde premieregeling aan te sluiten bij een macro-stabiele discontovoet zoals voorgesteld door de SER. Een macro-stabiele discontovoet leidt volgens het CPB tot nagenoeg eenzelfde pensioenresultaat, maar maakt de uitkeringen iets stabieler. Het CPB heeft overigens de vergelijking tussen de risicovrije rente en de macro-stabiele discontovoet gemaakt voor de uitkeringsovereenkomst zonder garanties

Voorkom extra transitieprobleem over enkele jaren nu

Het is nog niet duidelijk of ‘variant IV-C’ daadwerkelijk ingevoerd zal worden, maar het is wel een van de kandidaten voor een nieuw pensioencontract. Een keuze nu voor een discontovoet die niet bij ‘variant IV-C’ aansluit leidt over enkele jaren potentieel tot een nieuw transitieprobleem; namelijk vanuit bestaande premieregelingen naar het toekomstige contract. Deze toekomstige transitie (en dus complicatie) kan nu eenvoudig voorkomen worden door nu dezelfde discontovoet te kiezen voor de verbeterde premieregeling. Binnen ons pensioenstelsel hebben we grote moeite met transities (denk aan de jaren lopende FTK-discussie over overstap naar een ander contract en de discussie over afschaffing van de doorsneesystematiek). In het licht daarvan lijkt het ons verstandig om nu de keuze te maken die een mogelijke nieuwe transitieproblematiek voorkomt.

Conclusie

Er is nogal wat discussie over de juiste projectierente voor het wetsvoorstel verbeterde premieregeling. Een eenvoudige keuze is dat niet, zo laat de discussie rondom dat wetsvoorstel zien. Wij denken dat het verstandig is om aan te sluiten bij de macro-stabiele discontovoet uit de SER-rapportage. De macro-stabiele discontovoet levert stabielere uitkeringen op waarbij inflatiebescherming beter vorm te geven is, past conceptueel beter bij een regeling zonder garanties dan de risicovrije rente, en voorkomt een nieuwe transitie over enkele jaren mocht het persoonlijke pensioenvermogen met collectieve risicodeling ingevoerd gaan worden. Wat ons betreft geven die argumenten de doorslag om te kiezen voor de macro-stabiele discontovoet.

* Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.

Referenties:

Bovenberg, A.L., Th. Nijman en B. Werker (2016), ‘Onderzoeksrapport Projectierentes in verbeterde premieregelingen’, Netspar, Tilburg.

Lever, M. en Th. Michielsen, 2016, ‘SER-varianten toekomstig pensioenstelsel: een ALM-analyse’, (CPB Notitie juni 2016, CPB, Den Haag.,

Sociaal Economische Raad (2016), ‘Verkenning Persoonlijk Pensioenvermogen met collectieve risicodeling’, SER, Den Haag.

Te citeren als

Agnes Joseph, Siert Vos, “Pleidooi voor verbeterde premieregeling met een verbeterde projectierente”, Me Judice, 11 juni 2016.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.