Dienstverlening draagt groei industrie, niet andersom

containership
Afbeelding ‘Boat Against the Fog’ van James Losey (CC BY-NC-SA 2.0)
30 mrt 2015 | | 629 keer bekeken
Slimme dienstverlening is cruciaal voor de maakindustrie, omdat het de wereldwijd versnipperde productie verbindt. Productiviteitsgroei zit vooral in organisatorische innovaties en handelsinnovaties en minder in de productiesfeer. Het maakindustriebeleid is daarom niet meer van deze tijd, stelt de Amsterdamse hoogleraar Frank den Butter.

Valse romantiek van de maakindustrie

In het politieke debat lijkt er een nostalgisch verlangen naar versterking van de Nederlandse maakindustrie. Zo biedt, aldus PvdA voorman Diederik Samson in een interview in maart 2014, de Nederlandse maakindustrie met zijn rijke traditie grote kansen om onze economie weerbaarder te maken: “..we moeten ook weer dingen gaan maken”. Daarbij toont Samson zich vooral enthousiast voor de familiebedrijven (Samson, 2014). Het valt niet te ontkennen dat zo’n schets van nijvere ambachtslieden en ronkende machines een romantisch beeld oproept. Maar het is het beeld van de romantiek en industrialisatie uit de verleden tijd van de 19e eeuw.

Meer van deze tijd is de Actieagenda “Smart Industry” die minister Kamp van Economische Zaken op 22 januari 2015 aan de Tweede kamer heeft gestuurd (Kamp, 2015). Maar ook hier is de suggestie dat de maakindustrie centraal staat in het industriebeleid. Kamp benadrukt in zijn toespraak bij de aftrap van de Actieagenda dat de arbeidsproductiviteit in de industrie in de afgelopen decennia sterk is toegenomen en dat de industrie zich dus met recht de motor van de economie mag noemen. Daarbij ziet hij goede mogelijkheden om productie uit het buitenland terug te halen, het zogenoemde ‘reshoring’. “Het is mooi op hoogwaardige technologische producten ‘made in The Netherlands’ te zien staan”, zo meldt hij.

De feiten zijn anders

In werkelijkheid draagt de maakindustrie steeds minder bij aan onze werkgelegenheid en inkomen. Het aandeel van de industrie in het BBP is de afgelopen 40 jaar gedaald van ruim 20% naar ruim 10%. Minder dan 10 % van de Nederlanders heeft momenteel een baan in de industrie. De meeste Nederlanders werken in de dienstensector. In Utrecht en Noord-Holland is dit aandeel het grootst, namelijk 86 procent. Bijna de helft van de werkgelegenheid in Nederland is te vinden in de commerciële dienstverlening en bijna een derde in de niet-commerciële dienstverlening (CBS, 2015).

Tekenend is het feit dat de wederuitvoer een steeds belangrijker deel van de uitvoer uitmaakt (Kuypers et al., 2013). Momenteel is al ongeveer de helft van de uitvoerwaarde afkomstig van de wederuitvoer. Dit zijn ingevoerde producten en diensten die na enige bewerking weer worden uitgevoerd. Natuurlijk is de toegevoegde waarde hier lager dan van producten uit eigen land, maar de groei van de wederuitvoer duidt er op dat er kennelijk voldoende mee wordt verdiend. Het gaat hierbij dan ook niet om veel toegevoegde waarde op zich, maar om veel toegevoegde waarde gerelateerd aan de inzet van arbeid en kapitaal.

Zelfs onze grootste industriële multinational, Shell, verdient een belangrijk deel van zijn geld op deze wijze: deze multinational verkrijgt minder dan de helft van de verkoop van olieproducten via eigen raffinage en slechts een kwart uit eigen winning. De rest is ingekocht en doorverkocht.

Voor Belgische bedrijven uit de maakindustrie is berekend dat zij drie kwart van hun producten via doorverkoop leveren: dit is 30 procent van de uitvoerwaarde. Een reden voor dit grote aandeel van deze ‘carry-along trade’ vormt het schaalvoordeel dat de combinatie van technologische kennis en handelskennis biedt voor het vermarkten van deze producten (Bernard et al, 2012).

Grotere efficiëntie in de organisatie van de productieketen

Productieketens worden steeds verder opgesplitst. Onderdelen worden daar geproduceerd waar dat tegen de laagste kosten kan. Deze fragmentatie van de productie betekent dat de organisatie van de productie en de kunde van het verbinden van de schakels steeds belangrijker worden. Hierbij kan er onderscheid worden gemaakt tussen degenen die binnen de schakels in de productieketen werkzaam zijn, de productiewerkers, en degenen die zorgen voor goede organisatie en coördinatie tussen de schakels, de transactiewerkers.

Lagere kosten bij de organisatie van de productie, d.w.z. lagere transactiekosten, betekent dat de voordelen van internationale specialisatie beter worden benut. Uit berekeningen van Berghuis (2014, tabel 6.7) blijkt dat de verhouding tussen de transactiewerkers en de productiewerkers in het commerciële bedrijfsleven in de periode 1987 tot 2008 gestegen is van 0,81 naar 1,17. Dit wijst erop dat heden ten dage transactiekosten meer dan de helft van de totale productiekosten in de commerciële sector uitmaken. Deze ontwikkeling is het gevolg van een steeds grotere efficiëntie in de transactiesfeer. Innovaties die transactiekosten verlagen vormen hierbij een drijvende kracht. Daarbij valt te denken aan allerlei ontwikkelingen op het gebied van ICT, maar ook aan wereldwijde standaardisatie.

Een sprekend voorbeeld is de container. Zonder de container was globalisatie op een schaal als die van de afgelopen twintig jaar zeer onwaarschijnlijk geweest. Empirisch onderzoek van Bernhofen et al. (2012) laat zien dat toepassing van zeecontainers in een periode van 20 jaar tot een groei van de Noord-Zuidhandel van meer dan 700 procent heeft geleid. Dat is veel meer dan de handelsbevordering die allerhande vrijhandelsverdragen of verdragen in het kader van de GATT hebben opgeleverd.

Deze innovaties in de transactiesfeer, waardoor een groter deel van de productie wordt uitbesteed, zorgen ook voor meer productiviteit in de industrie. Dit is wat Grossman en Rossi-Hansberg (2008) het productiviteitseffect van uitbesteding noemen. Productiviteitsgroei in de industrie is niet zozeer het gevolg van innovaties in de productiesfeer, maar veeleer van organisatorische innovaties en handelsinnovaties. Het is dus niet zo dat de dienstverlenende sectoren afhankelijk zijn van de industrie, maar juist omgekeerd, dat de industrie voor de productiegroei afhankelijk is van het innovatieve vermogen van de dienstverleners. Natuurlijk is er in bepaalde gevallen sprake van het terughalen van uitbestede productie naar ons land. Dat is het geval wanneer de transactiekosten bij uitbesteding zijn onderschat, of wanneer er via vergaande standaardisering en codificering een volledig robot gestuurd productieproces mogelijk is. Maar per saldo neemt de uitbesteding dankzij lagere transactiekosten toe, hetgeen minder productiebanen maar meer transactiebanen oplevert. De handelsmissie van eind maart 2015 onder leiding van premier Rutte aan China draagt bij aan het verlagen van dergelijke transactiekosten.

Het willen tegenhouden van zo’n ontwikkeling spruit voort uit een wel zeer ouderwetse mercantilistische gedachtewereld. De Nederlandse transactie-economie moet juist profiteren van de comparatieve voordelen die onze vaardigheden in het coördineren van de productie en de handel bieden (Grossman en Maggi, 2000). Met deze vaardigheden verdienen wij ons geld in de internationale specialisatie van de productie.

Techniek blijft belangrijk

Ook in een transactie-economie is goede technologische kennis onontbeerlijk. Maar het gaat vooral om het samenspel van technologie en handelsgeest. De grote welvaart die de handel ons land in de Gouden Eeuw heeft gebracht was mede mogelijk dankzij het technisch vernuft van de zeilende Hollanders. Philips is groot geworden dankzij de combinatie van de kennis van gloeilampen van Gerard Philips en het doorzettingsvermogen van Anton Philips die stad en land – en vooral Duitsland – afreisde om de gloeilampen te verkopen.

Tegenwoordig is het vooral een goede benutting van ICT die producten waardevol maken. Ik geef twee voorbeelden die ik via mijn zoon ken. Het Amsterdamse bedrijf Quby heeft een slimme thermostaat ontwikkeld waarmee met de mobiele telefoon op afstand thuis de verwarming kan worden geregeld. De innovatie van dit product ligt niet zozeer in de techniek maar in de software die de communicatie via internet tussen gebruiker en energieleverancier regelt. Hier is veel aandacht voor beveiliging en privacybescherming bij de grote hoeveelheid gegevens – big data - die in potentie met deze applicatie worden verkregen. Maar het biedt ook de mogelijkheid de bezitters van de thermostaat, die via Eneco als Toon® beschikbaar is, hun energieverbruik met vrienden en met het standaardverbruik te vergelijken (vergelijkfunctie Toon®). Het oogmerk is een zuiniger energieverbruik.

Het tweede voorbeeld betreft de Delftse start-up AdjuvoMotion. Dit bedrijf brengt een bionische brace op de markt voor revalidatie van patiënten met een arm die door een beroerte fysiek beperkt is geraakt. De brace kan de door de fysiotherapeut opgegeven oefeningen nabootsen en geeft via allerlei sensoren gegevens door over de vorderingen in het revalidatieproces. Dit draagt bij aan de efficiëntie van de revalidatie waardoor er meer patiënten behandeld kunnen worden en drukt daarbij de behandelingskosten. Ook hier is het vooral de control software en de communicatie via internet die bepalend is voor het innovatieve karakter van dit product. De industriële ontwerpers van het product maken zelf een prototype van de brace, maar de latere serieproductie van het apparaat kan worden uitbesteed.

Smart industry is iets anders dan maakindustrie

De beide voorbeelden passen naadloos in hetgeen Minister Kamp met zijn Actieagenda voor de Smart Industry beoogt. De beleidsbrief leert dat de Minister ICT en digitalisering cruciaal acht voor een zich vernieuwende industrie. Het tekent de bedrijvigheid waarmee ons land zich via de comparatieve voordelen van de koppeling van handelsgeest aan techniek kan profileren. Misschien levert deze benutting van ICT ons langs deze weg wel weer een nieuwe Gouden Eeuw op (Den Butter, 2001). Dan moet de Smart Industry niet aan de maakindustrie worden gelijkgesteld. Dat is alleen maar verwarrend. Laat het industriebeleid zich richten op ‘Designed in The Netherlands’ in plaats van op ‘Made in The Netherlands’.

Referenties

Bernard, A.B., E. J. Blanchard, I. van Beveren, H. Y. Vandenbussche, 2012, Carry-along trade, NBER Working Paper Series, no. 18246.

Bernhofen, B.M., Z. El-Sahli en R. Kneller (2012), Estimating the effect of container revolution on world trade, CESifo Working Paper No. 4136.

Berghuis, E. (2014), Labour market consequences of international fragmentation of production, Academisch proefschrift Vrije Universiteit, Amsterdam, 12 juni 2014.

Butter, F.A.G. den, 2001, Een nieuwe gouden eeuw met ICT, Economisch Statistische Berichten, 86, blz. 208-210.

CBS (2015), Werk in Randstadprovincies.

Grossman, G. en G. Maggi (2000), Diversity and trade, American Economic Review, 90 (5), 1255-1275

Grossman, G.M. en E. Rossi-Hansberg (2008), Trading tasks: a simple theory of offshoring’, American Economic Review, 98 (5), 1978–1997.

Kamp, H.G.J. (2015), Actieagenda Smart Industry, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 22 januari 2015.

Kuypers, F., A. Lejour, O. Lemmers, en P. Ramaekers (2013) Wederuitvoer op bedrijfsniveau bekeken, TPEdigitaal 7(3), 117-138.

Samson, D., (2014) Maakindustrie heeft de toekomst.

Te citeren als

Frank den Butter, “Dienstverlening draagt groei industrie, niet andersom”, Me Judice, 30 maart 2015.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.