Gevraagd: nieuwe kijk op economie

Grote afbeelding van een oog
Afbeelding ‘Cut Eye’ van David Lindes (CC BY-NC-SA 2.0)
De crisis maakt duidelijk dat er een gat gaapt tussen de economische wereld die gedoceerd wordt op scholen en universiteiten, en de wereld waarin we leven. In een nieuw MJ-ebook presenteren Harry van Dalen en Kees Koedijk de visies van bekende economen op de uitdagingen voor economieonderwijs. De hoofdconclusie is dat economie een rijk vak is maar dat problemen ontstaan als economen een te smalle opvatting van hun vak bezitten. De echte kunst van de economie schuilt in de toepassing. Het vak ontkomt er niet aan om een brede en realistische blik te ontwikkelen.

Bekijk het ebook direct

Crisis in denken?

‘Economen weten het echt niet meer.’ Titels als deze zijn de laatste jaren veelvuldig terug te vinden in kranten en weblogs. De suggestie is duidelijk: de kennis van economen is niet veel waard, ze konden de crisis niet voorzien en kunnen deze ook niet oplossen. Waarom zouden we dan nog naar hen luisteren? Voor de econoom die zijn vak lief heeft, zijn het pijnlijke geluiden. In tijden van crisis gaat de economische wetenschap door een geloofwaardigheidscrisis. De huidige crisis is geen uitzondering.
De crisis maakt duidelijk dat er een gat gaapt tussen de economische wereld die gedoceerd wordt op scholen en universiteiten, en de wereld waarin we leven. Voor een deel is dat onontkoombaar. Economische theorievorming houdt abstractie in en zoals Nobelprijswinnaar Robert Solow ooit stelde: “All theory depends on assumptions which are not quite true. That is what makes it theory.” Misschien zit de pijn erin dat economen deze versimpeling, de discrepantie tussen model en werkelijkheid, niet of te weinig laten zien in wat zij naar buiten brengen. Alle slagen om de arm, alle zwakke schakels die nodig zijn om tot een conclusie te komen, verdwijnen zodra de camera of microfoon aanstaat. Maar daarmee is niet alles verklaard.

Economie op de schop

De echte vraag is of de modellen, het bestaande instrumentarium van economisch wetenschappers, wel voldoen om de wereld van nu te begrijpen en uit te leggen. Of moeten de oude paradigma’s overboord, is het tijd voor een nieuw raamwerk? En hoe moeten we daar vervolgens in het onderwijs mee omgaan? Leerlingen moeten in korte tijd kennis tot zich nemen, maar als die kennis van weinig waarde blijkt, dan moet het economieonderwijs radicaal op de schop.

Op een eerder moment hebben we uiteengezet dat er met de bestaande kennis niets mis is (Van Dalen en Koedijk, 2009, Van Dalen, 2010) en dat het falen van de economen veeleer gezocht moet worden in de wijze waarop men met het vak omgaat dan dat er plotseling teruggekeerd moet worden naar econoom X of Y, die het allemaal zo goed heeft gezien en zo prachtig heeft verwoord. Economie is een rijke wetenschap en met de bestaande voorraad aan kennis – van Aristoteles en Adam Smith tot Milton Friedman en Paul Krugman – kan de gebruiker mooie verhalen en analyses maken, die hout snijden. Economen ontsporen wanneer hun wereldbeeld te eng wordt, wanneer de kennis van aanpalende disciplines wordt genegeerd of wanneer ze modellen te letterlijk nemen en denken dat markten en overheden niet kunnen falen. Economische theorie, zo leerden Alfred Marshall en Milton Friedman, is een ‘engine of discovery’ en zeker geen camera die de werkelijkheid één-op-één vangt. En toch is de verleiding om model en werkelijkheid met elkaar te verwarren gaandeweg opgetreden. De beoefening van het vak vergt daarom bescheidenheid en terughoudendheid, en ook een kijk op relevantie.

Relevante economie

Maar als dit de les van de crisis is, hoe kan het economieonderwijs dan het beste worden    ingericht? Economen van diverse pluimage in Van Dalen en Koedijk (2012) hebben zich daarover gebogen en zoals het met economen gaat is de diversiteit aan meningen groot. Een mogelijke consensus valt te bespeuren in het  vinden van een balans tussen theorie en praktijk waardoor leerlingen grip op de werkelijkheid krijgen en zien dat economie ook in de eigen omgeving nut heeft.
Hoe dat gerealiseerd moet worden is nog een onopgeloste vraag, maar het vaststellen dat economie relevant moet zijn en meer dan een rekensom is belangrijk. Economie is niet alleen een wetenschap maar bovenal een kunst en die kunst schuilt vooral in het toepassen van kennis. Iedereen kan met enige goede wil een maximeringsprobleem oplossen of laten zien hoe vraag- en aanbodcurves gaan schuiven, maar ben je dan een goed econoom? Het is van belang om te zien wat relevant en belangrijk is, hoe belangrijk instituties kunnen zijn en dat de geschiedenis altijd zijn schaduw werpt over dingen die we doen en uiteraard vormen modellen een handig hulpmiddel om de gedachten te ordenen. Het klinkt triviaal maar het is verre van triviaal zodra men zijn handen vuil maakt in de praktijk en economische kennis gaat toepassen. Hoewel de consensus in aanpak ver is te zoeken, zijn er toch ook lijnen te ontdekken waarlangs het onderwijs zich kan ontwikkelen.

Keuzes maken

Het aanleren van die kunst vergt tijd en ervaring en men moet niet denken dat leerlingen na het aanhoren en oefenen van allerlei modellen opeens begrijpen waar het om draait in de maatschappij. Wat vaak vergeten wordt is dat voor leerlingen in het voortgezet onderwijs het vak economie de eerste en de laatste keer is dat men de gedachten van economen voorbij ziet komen. Die spaarzame tijd moet daarom goed worden besteed om een genuanceerd beeld van de economische wetenschap te krijgen. Een centraal begrip in de economie is schaarste en dat slaat ook op de programmakeuzes die in het onderwijs gemaakt worden. Tijd is schaars, zowel die van de docent als die van de leerling. En de grootste fout die je kan maken met een programma is dat er geen echte keuzes gemaakt worden. Alles is belangrijk. Dat maakt ook dat als er geen keuzes gemaakt worden de examenprogramma’s meer een encyclopedie vormen dan een structuur waar leerlingen houvast aan hebben. In dat opzicht is de nuchterheid van de Amerikaanse econoom Robert Frank heilzaam: hij stelde dat er maar zes of zeven principes zijn die je moet beheersen om de economie om je heen te kunnen begrijpen. Het is ook het principe dat de commissie Teulings omhelsde: probeer je te beperken. Bedenk een kern van principes waar een redelijke mate van consensus over bestaat en pas die toe op de economie van alledag. Op zo’n moment komt de Economic Naturalist in je naar voren (Frank, 2007).

Creativiteit en vrijheid

Voor de creatieve docent moet een examenprogramma overkomen als een 5-jarenplan in de beste tijd van de Sovjet Unie. Alles moet vast omschreven en dichtgetimmerd zitten, want anders kunnen toetsenmakers van het CITO en ontwikkelaars van lesmethoden niet uit de voeten. Hier doet zich de tweestrijd voelen die er altijd heerst in onderwijsland. Een centraal getoetste kern moet aanwezig zijn zodat het duidelijk is wat een diploma voorstelt en zodat scholen niet sjoemelen met kwaliteitstandaarden. Maar een strak dichtgetimmerd programma maakt het onmogelijk om naar eigen inzicht het vak te doceren of het aan te passen aan de interessesferen van leerlingen. De crisis bevat materiaal voor de docent met een interesse in financiering en belegging of monetaire macro-economie. Anderen vinden het belangrijker om de economie achter het internet uit te diepen. En een belangrijke les uit de psychologisch economie is dat vrijheid en ambachtseer belangrijke drijvende krachten zijn achter productiviteit en creativiteit (Ariely, 2011). Een examenprogramma moet daarom nooit in steen gebeiteld zijn.

Modieuze weetjesschap

Academische economen hebben een neiging om de kennis die ontwikkeld aan de ‘frontier of science’ te verheffen tot de beste kennis van dat moment. Dat is een begrijpelijke reactie, omdat academici vaak verliefd zijn op hun vak en wie wil nu niet zijn darlings delen met vakgenoten en een groot publiek. Het nadeel van kennis van het wetenschappelijke front is dat het ook onzekere kennis is. Het is allemaal nog niet uitgetrild, en de kennis moet zich nog bewijzen. Het is daarom dat het soms tientallen jaren duurt voordat iemand een Nobelprijs voor zijn werk krijgt. De crisis biedt bijvoorbeeld fascinerend materiaal, maar er is nog zoveel onbekend en het vergt zoveel kennis van macro-economie en de moderne financiering en belegging (zie Gorton en Metrick, 2012) dat men zich daar makkelijk in kan verslikken om de crisis in volle breedte uit te leggen. Dat neemt niet weg dat de basisprincipes waar Frank en de commissie Teulings mee werken een tip van de sluier oplichten en nieuwsgierig maken om verder te leren. Voor leerlingen die een voet tussen de deur moeten krijgen, is het daarom belangrijk dat vertrouwde en beproefde concepten de boventoon voeren. Probeer daarom van de waan van de wetenschap weg te blijven, maar maak het wel toegankelijk voor de gevorderde of nieuwsgierige leerling die wil proeven aan wat er aan het front gebeurt.

Kom uit de leunstoel

De belangrijkste les van de afgelopen tijd is dat de economische wetenschap een rijke wetenschap is met veel theorieën die grip op de werkelijkheid kunnen bieden, maar dat economie niet alleen een wetenschap is maar ook een kunst. Het beheersen van de kunst van het toepassen maakt een econoom pas tot een echte econoom. De nieuwe kijk waar naar verlangd wordt schuilt dan ook niet in een nieuwe theorie of nieuwe data, maar in een nieuwe kijk op de beoefening van het vak. Dat vergt ten eerste dat de econoom uit zijn leunstoel moet komen en economie niet als een simpele wiskundige exercitie moet beschouwen.

Economie en de kunst van het overtuigen

Economie is een prachtige wetenschap maar ook verraderlijk moeilijk. Het beheersen van het vak economie vereist veel meer kwaliteiten dan men zou vermoeden als men alleen maar de leerboeken en de toptijdschriften zou bestuderen.  Hoe vertel ik een economisch verhaal? Welke geschreven en ongeschreven spelregels worden in een debat over economische politiek gebruikt en zijn die regels wel valide? En moeten we een model nu letterlijk nemen of is een model niet meer dan een handige metafoor? Het zijn allemaal vragen waar men op stuit zodra men kennismaakt met de economische wetenschap, en die vragen worden alleen maar dieper en dieper naarmate men verder komt. John Maynard Keynes had in dat opzichte verdraaid goed door dat een econoom niet alleen maar modelletjes oplost, maar dat een goede econoom een brede econoom is.  En op dit punt kan men nog het beste luisteren naar de woorden van Keynes die de kwaliteiten van de meester-econoom omschreef:

“The study of economics does not seem to require any specialised gifts of an unusually high order. Is it not, intellectually regarded, a very easy subject compared with the higher branches of philosophy and pure science? Yet good, or even competent, economists are the rarest of birds. An easy subject, at which very few excel! The paradox finds its explanation, perhaps, in that the master-economist must possess a rare combination of gifts. He must reach a high standard in several different directions and must combine talents not often found together. He must be mathematician, historian, statesman, philosopher—in some degree. He must understand symbols and speak in words. He must contemplate the particular in terms of the general, and touch abstract and concrete in the same flight of thought. He must study the present in the light of the past for the purposes of the future. No part of man's nature or his institutions must lie entirely outside his regard. He must be purposeful and disinterested in a simultaneous mood; as aloof and incorruptible as an artist, yet sometimes as near the earth as a politician.” (Keynes, 1933, blz. 170)[1]

Het geeft eigenlijk aan dat economie per definitie aan de vele kanten van het leven raakt en daardoor ook met vele disciplines in aanraking komt. Dat is waarom economie zo eenvoudig lijkt, maar in feite zo moeilijk is.

Referenties

  • Ariely, D. (2011). The Upside of Irrationality. New York: Harper.
  • Dalen, H.P. van, en K. Koedijk (2009). “De leunstoeleconoom gaat aan verbeelding ten onder”, Me Judice, jaargang 2, 13 juni 2009.
  • Dalen, H.P. van, en K. Koedijk (2012). Nieuwe kijk op economie gevraagd - Visies op het economieonderwijs, Ebook Me Judice, Tilburg.
  • Dalen, H.P. van (2010). Het stille onbehagen – over ingenieurs, leunstoeleconomen en
    ezeldrijvers in de economie
    . Oratie, 22 oktober 2010, Universiteit van Tilburg.
  • Frank, R.H. (2007). The Economic Naturalist. New York: Basic Books.
  • Gorton, G., en A. Metrick (2012). Getting Up to Speed on the Financial Crisis: A One
    Weekend-Reader’s Guide. Journal of Economic Literature, 50: 128-150.
  • Keynes, J.M. (1933). Essays in Biography, London: MacMillan.

Te citeren als

Harry van Dalen, Kees Koedijk, “Gevraagd: nieuwe kijk op economie”, Me Judice, 7 juni 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.