Kamer laat kans op gezonde overheidsfinanciën glippen

4 okt 2013 |
Op 21 juni stuurde De Nederlandse Bank een brief aan de Minister van Financiën met een negatief advies over de invoering van een voorheffing van inkomstenbelasting op binnenkomende pensioenpremies die later wordt verrekend bij de uitbetaling van pensioen. De argumentatie toont gebreken, aldus Joop Evers. Toch hebben de Eerste en de Tweede Kamer zich daardoor laten leiden. Daarmee is een belangrijke mogelijkheid tot het sterk reduceren van het begrotingstekort en een fors lagere staatsschuld afgewezen.

Omkeerregel

Waar gaat dit over? Conform de huidige, zogenoemde omkeerregeling mag men de betaalde pensioenpremies steeds direct van het belastbare inkomen aftrekken, terwijl later over de ontvangen uitkeringen inkomstenbelasting wordt geheven. Dat laatste is zo geregeld dat het pensioenfonds een voorheffing inkomstenbelasting moet afhouden. Deze voorheffing wordt bij de definitieve aanslag over het kalenderjaar in mindering gebracht. De omkeerregeling geeft fiscaal voordeel wanneer men bij de premieafdracht in een hogere belastingschijf valt dan bij de uitkering, terwijl bovendien geldt dat over het individueel gespaarde pensioenvermogens geen vermogensbelasting wordt geheven.

Kan dat anders?

Deze omkeerregeling is te modificeren, door te eisen dat de pensioenfondsen direct (zeg) 30% van de betaalde premie aan de fiscus moeten afdragen als een eerste heffing van de inkomstenbelasting. Deze zo te noemen bronheffing wordt dan bij de uitbetaling van pensioen gerekend als reeds betaalde inkomstenbelasting. Om precies te zijn: met 30% als bronheffing, gaat de fiscus er van uit dat op elk uitbetaald pensioenbedrag P reeds een bedrag van (0,3/(1-0,3))*P als inkomstenbelasting is afgedragen en als zodanig wordt verrekend. Bij lage inkomens zou dit kunnen leiden tot een netto terugbetaling. Voor de pensioendeelnemer verandert er niets. Het eventuele fiscale voordeel blijft in takt, ook dat van de vrijstelling op de vermogensbelasting. Om van de huidige omkeerregeling over te gaan op de nieuwe met een bronheffing van 30%, zouden de pensioenfondsen en pensioenverzekeraars direct 30% van hun pensioenvermogen moeten afdragen, waarbij de overheid zo nodig gelijktijdig leningen kan verstrekken om op korte termijn aan de ontstane verplichtingen te kunnen voldoen. Gelijktijdig zou dan ook direct de vereffening van de inkomstenbelasting bij de uitkeringen in werking treden.

Overheidsfinanciën

Wat betekent de omkeerregeling voor de staatsfinanciën? De pensioenfondsen beheren bij elkaar ruim 1000 miljard euro, waarvan 14% in Nederland wordt belegd. Het bedrag aan uitgestelde inkomstenbelasting is in feite staatsvermogen dat door pensioenfondsen wordt belegd. Met de voorgestelde forfaitaire voorheffing zou de fiscus direct 300 miljard kunnen incasseren en gebruiken ter aflossing van de staatsschuld. Hoe zit het met kosten en baten? Het ABP heeft in 2008 20% verlies geleden, maar heeft zich knap hersteld: over de afgelopen 20 jaar is gemiddeld een jaarlijks rendement gehaald van 7%. Dat is veel hoger dan de financieringskosten van de staatsschuld. Zo bezien lijkt het profijtelijk om meeliften met het ABP en met andere pensioenfondsen die een hoog rendement leveren.

Kasschuiven of niet?

Wat vindt DNB hiervan? DNB typeert de invoering van een bronheffing als een kasschuif, waarbij de overheid temporeel gezien geen extra belasting ophaalt en stelt terecht dat daardoor het begrotingstekort en de staatsschuld nu lager zullen uitvallen. Het wordt dan eenvoudiger om aan de Europese begrotingsnormen te voldoen. DNB stelt ook dat “kasschuiven” ingewikkeld en duur is. Maar dat is onzin: voor de hier voorgestelde kasschuif is dat niet of nauwelijks het geval. Ook stelt DNB dat de houdbaarheid van rijks’ financiën niet zal verbeteren door het “verschuiven” van geld via een kasschuif. Met een stabiel rendement van 7% lijkt dat inderdaad het geval.

Helaas is die toekomstige houdbaarheid betwijfelbaar. De financiële markten zijn verre van stabiel. Weliswaar is het toezicht op de Europese banken duidelijk verbeterd, maar het eigen vermogen van de banken ten opzichte van hun verplichtingen is nog steeds veel te laag. De financiële markten zijn fragiel en worden kunstmatig overeind gehouden door extreem lage rentetarieven. Internationaal beginnen opnieuw (niet-bancaire) speculatieve financiële instellingen de kop op te steken en opnieuw lijken nieuwe “zeepbellen” tot ontwikkeling te komen. De Nederlandse pensioenfondsen investeren 86% van hun vermogen in het buitenland. Daar heeft DNB geen grip op. Gaan die investeringen wel terugkomen?

Staatsbelang versus pensioenfondsen

Tegen deze achtergrond tekent zich een verschil af tussen de doelstellingen van pensioenfondsen en die van de overheid als algemene hoeder van onze economie en van onze rechtstaat. De pensioenfondsen dienen te streven naar een met redelijke zekerheid te behalen hoog rendement; punt. Ten opzichte van hun klanten doen zij dat met succes. Het latente bedrag aan inkomstenbelasting die zij beheren (minstens 300 miljard euro) valt daar buiten. De overheid echter is er ook voor hen die niet aan pensioensparen doen en is er ook om de economie als geheel te bevorderen. Beter zou meer spaargeld aan onze eigen economie ten goede komen. Bovendien dient de overheid als beheerder van de rechtstaat de integriteit van zijn burgers te waarborgen. Daaronder valt ook om met maximale zekerheid te kunnen sparen voor een persoonlijke toekomst. Deze vorm van sparen is een noodzakelijke voorwaarde voor zelfrealisatie en behoort daarmee inderdaad tot de persoonlijke integriteit. Meer dan de pensioenfondsen dient de overheid daarom risico te vermijden, te meer omdat de Nederlandse financiële sector extreem groot is en daarmee uitermate kwetsbaar is voor de grillen van de financiële markten.

Wat nu?

De conclusie is duidelijk. Omdat de overheid het algemene staatsbelang dient en een behoorlijke zekerheid dient te bieden voor het functioneren van de economie en de houdbaarheid van de staatsfinanciën, is een voorheffing-inkomstenbelasting van 30% op de premies voor pensioensparen gewenst. Om naar een nieuwe regeling over te gaan, zouden de pensioenfondsen en pensioenverzekeraars direct 30% van hun pensioenvermogen moeten afdragen, waarbij de overheid zo nodig gelijktijdig leningen kan verstrekken om op korte termijn aan de ontstane verplichtingen te kunnen voldoen. Het aldus vrij gekomen bedrag wordt besteed in het aflossen van de staatsschuld.

Te citeren als

Joop Evers, “Kamer laat kans op gezonde overheidsfinanciën glippen”, Me Judice, 4 oktober 2013.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.