Laat geldschepping in private handen

Laat geldschepping in private handen image

bron: Reto Fetz, Deutsche Bank Frankfurt

3 sep 2014 | | 1617 keer bekeken

Geldschepping is een belangrijke en nuttige maatschappelijke taak. Deze taak wordt voor een belangrijk deel uitgevoerd door de private banken. Sinds de financiële crisis gaan er stemmen op om deze taak bij de banken weg te halen. De Britse columnist Martin Wolf stelde dit voorjaar (24 april in Financial Times) dat geldschepping in staatshanden moet komen. Dit zou een radicale verandering van het financiële stelsel zijn waarvan we de gevolgen niet goed kunnen overzien. Volgens ING-econoom Teunis Brosens is het beter om het huidige systeem te verbeteren dan om radicale, ongeteste oplossingen in te voeren.

Misverstanden

Veel misverstanden over geldschepping door banken komen voort uit het feit dat het proces intuïtief lastig te begrijpen is. In dit artikel worden de belangrijkste aspecten van het geldscheppingsproces in vraag-en-antwoordvorm toegelicht.

Kunnen banken echt geld maken?

Ja. Het geld dat in de economie circuleert (zo’n €780mld in Nederland) bestaat voor 94% uit banktegoeden en andere bancaire verplichtingen (zie DNB tabel 5.4). Maar geldschepping hangt niet, zoals vaak wordt gedacht, samen met de beslissing van mensen om hun geld te sparen in plaats van uit te geven, waarbij de bank het gespaarde geld vervolgens aan anderen uitleent. Banken zijn namelijk niet alleen bemiddelaars tussen sparen en lenen, die wachten tot ze spaargeld binnenkrijgen om dit vervolgens uit te lenen. In werkelijkheid leidt het verstrekken van een lening door een bank tot het ontstaan van een banktegoed. Niet voor niets zijn banken in economisch jargon “geldscheppende instellingen”. Omdat dit een maatschappelijk belangrijke functie is, moeten banken hier een vergunning voor hebben en staan ze onder toezicht van De Nederlandsche Bank. Banken kunnen dus geld scheppen. Deze belangrijke en nuttige taak zorgt voor veel misverstanden.

Dus banken maken gratis geld en kunnen hier zelf dingen van kopen?

Nee. Het geld dat een bank schept is geen bezit van die bank, maar een schuld. Als de bank een krediet verleent, krijgt de bank een vordering op de kredietnemer. Deze persoon of instelling moet het krediet in de toekomst weer aflossen. Het krediet is dus een “bezit” van de bank. In ruil hiervoor krijgt de kredietnemer de beschikking over geld om bijvoorbeeld een huis mee te kopen. Dit nieuw gecreëerde geld is een claim op de bank. Als de kredietnemer zijn tegoed opneemt, moet de bank hem dat uitbetalen.

Maar waardoor wordt dat nieuwe geld dan gedekt?

Vaak wordt gerefereerd aan de goudstandaard als het tijdperk waarin iedere gulden of dollar nog inwisselbaar was tegen zijn waarde in goud. Het geld van vandaag, elektronisch of contant, is niet meer in te wisselen tegen goud. Toch staat er waarde tegenover. Tegenover het contante geld in omloop (een kleine €50mld in Nederland) staan op de balans van de Europese Centrale Bank o.a. goud, buitenlands geld en staatsobligaties. Geld in de vorm van een banktegoed is een claim op de bank, die gedekt wordt door de bezittingen van de bank. Geld wordt dus onder andere gedekt door de kredieten die de bank heeft verstrekt.

Kunnen banken onbeperkt geld scheppen?

Nee. Banken moeten aan eisen voldoen die beperkingen opleggen aan de kredietverlening en geldschepping. Zo moeten allereerst tegenover banktegoeden reserves en liquide activa worden aangehouden, zodat rekeninghouders nooit voor een lege geldautomaat komen te staan. Ten tweede moet een bank naast banktegoeden ook andere bancaire verplichtingen hebben, met name moet de bank een eigen vermogen hebben. Dit eigen vermogen dient als buffer voor het opvangen van eventuele kredietverliezen, zodat de waarde van de banktegoeden niet aangetast wordt. Als derde waarborg analyseert een bank natuurlijk het risico van ieder nieuw krediet dat zij verstrekt. Op dit risicobeheer houdt de centrale bank toezicht. En ten vierde heeft de centrale bank de bevoegdheid om de kredietverstrekking en daarmee de geldschepping af te remmen; indirect door de rente te verhogen of direct met nieuwe macroprudentiële instrumenten. Er zijn dus meerdere manieren waarop de kredietverstrekking en geldschepping door banken wordt ingeperkt.

Kan geld ook vernietigd worden?

Ja. Wanneer iemand een lening afsluit bij een bank, krijgt hij de beschikking over nieuw geschapen geld. Maar als hij deze lening weer aflost, wordt het geld waarmee hij dat doet, door de bank weggestreept tegen het krediet. Het geld verdwijnt daarmee uit het financiële systeem, net als het krediet.

Kan er ook krediet verleend worden zonder geldschepping?

Ja dat kan. Als een bank een krediet verleent, ontstaat er in de meeste gevallen ook geld. Maar als een niet-bank (bijvoorbeeld een verzekeraar of een niet-bancaire hypotheekverstrekker) een krediet verleent dan wordt er geen geld geschapen. Deze niet-bancaire kredietverleners trekken reeds bestaand geld aan en gebruiken dit voor kredietverlening. Dit wordt ook wel “schaduwbankieren” genoemd. En als een bedrijf een obligatie uitgeeft, is dat ook een vorm van krediet waarin bestaand geld wordt geïnvesteerd. Vooral in de VS is het kanaal van niet-bancaire kredietverlening en obligatie-uitgifte erg belangrijk: 70% van de uitstaande kredieten van huishoudens en bedrijven is verleend door niet-banken. In de eurozone is dit minder, maar ook nog altijd aanzienlijk, namelijk 38%.

Kan geldschepping ook zonder kredietverlening?

Ja dat kan. Als een bank een obligatie koopt van een niet-bank, betaalt zij de verkoper door zijn banktegoed te verhogen. Dan is er geld geschapen zonder dat de bank een krediet heeft verleend. Toch staat er wel degelijk iets tegenover het nieuwe geld: de door de bank aangekochte obligatie is de waarde die tegenover het nieuwe geld staat. En alle eerder geschetste beperkingen die gelden voor kredietverlening, gelden ook voor deze vorm van geldschepping. Ook centrale banken kunnen geld scheppen door obligaties op te kopen van niet-banken. Het beleid van “kwantitatieve verruiming” (ook wel bekend als Quantitative Easing of QE) dat met name de Japanse en Amerikaanse centrale banken de afgelopen jaren hebben gevolgd, kan de geldhoeveelheid doen toenemen zonder dat daar direct meer kredietverlening tegenover staat.

Waarom hebben Nederlandse banken een financieringsgat als ze zelf geld kunnen scheppen?

Het Nederlandse bankwezen heeft een zogenaamd deposito-financieringsgat. Dit wil zeggen dat de bancaire kredieten die uitstaan bij Nederlandse huishoudens en bedrijven (ruim €900mld) de banktegoeden van die groepen overstijgen (ruim €550mld). Het “gat” van ongeveer €350mld is mogelijk ten eerste omdat een deel van de bancaire verplichtingen de vorm van bankobligaties hebben en ten tweede omdat krediet en geld landsgrenzen kunnen oversteken. Zo loopt de verhouding tussen geld en krediet binnen de Eurozone per land uiteen. In Nederland is enerzijds de hypotheekschuld relatief hoog terwijl anderzijds veel geld via pensioenfondsen is geïnvesteerd in het buitenland. Het hieruit resulterende “gat” moeten banken opvullen door obligaties uit te geven en door in het buitenland banktegoeden aan te trekken. Banken kunnen het gat niet zomaar opvullen door geld te scheppen, omdat (zoals hierboven besproken) geldschepping altijd slechts één helft is van een transactie waarbij de andere helft bestaat uit bijvoorbeeld kredietverlening of de aankoop van een obligatie. Deze transactie heeft ook gevolgen voor de bankbalans en is niet altijd mogelijk of wenselijk.

Wat is het nut van geldschepping?

Geld is niet slechts lucht die in het systeem wordt gepompt. De geldhoeveelheid moet voldoende meegroeien met de voortdurend toenemende productiemogelijkheden van de economie. Zou geldschepping teveel aan banden gelegd worden dan kan de economie in een spiraal terechtkomen van dalende prijzen, lonen, productie en werkgelegenheid. Bancaire geldschepping hangt vooral samen met kredietverlening, en die staat sinds de financiële crisis ook in de schijnwerpers. Het nut van kredietverlening hangt er helemaal van af waar het voor wordt aangewend. Investeringen, aankoop van een huis of consumptief krediet: in beginsel voorziet krediet in een belangrijke maatschappelijke behoefte. Wel is het mogelijk om teveel van het goede te hebben. Banken moeten de risico’s van hun individuele kredietnemers goed inschatten. De centrale bank heeft de taak om de kredietverlening en geldschepping in den brede in de gaten te houden (“macroprudentieel toezicht”).

Als geldschepping zo belangrijk is, moet het dan niet in overheidshanden komen?

Nee. Allereerst omdat de centrale bank in het huidige systeem al de uiteindelijke controle heeft over kredietverlening en geldschepping. De centrale bank houdt toezicht op het risicomanagement, de liquiditeit en solvabiliteit van alle banken. Sinds de kredietcrisis is er hernieuwde aandacht voor het gevaar dat overkreditering tot bubbels kan leiden. Centrale banken worden daarom uitgerust met nieuwe instrumenten en bevoegdheden om de stabiliteit van het financiële systeem als geheel te waarborgen en te zorgen dat de financiële ontwikkelingen de economie niet uit het lood slaan. Het is waar dat centrale banken de afgelopen decennia de ontwikkeling van de kredietverlening vaak verwaarloosd hebben en zich teveel geconcentreerd hebben op de inflatie (zo zei Mark Carney, gouverneur van de Bank of England recent in een speech dat “the reductionist vision of a central bank’s role that was adopted around the world was fatally flawed”). Er is dus goede reden voor een nieuwe en bredere blik door de centrale banken. Maar dat is nog geen reden om direct het hele systeem af te danken.

Een tweede reden is dat banken weliswaar fouten maken bij kredietverlening, maar dat niet gezegd is dat de overheid of de kapitaalmarkt het beter zou doen. Wetenschappelijk onderzoek (zie Bertay et al. 2014) laat zien dat staatseigendom van banken samengaat met lage bankefficiëntie, hogere voorzieningen voor kredietverliezen, lagere economische groei, meer financiële instabiliteit en politiek gemotiveerde kredietverlening.

Conclusie

Geldschepping is grotendeels een privaat proces, gedreven door de beslissingen van banken en hun klanten. Er zijn diverse ‘checks and balances’, beperkingen in het systeem die ongebreidelde kredietverlening en geldschepping tegengaan. Bovendien heeft de centrale bank de uiteindelijke controle, zeker met de versterking van het “macroprudentiële toezicht” die nu gaande is. Er is dus geen reden om nu te gaan experimenteren met radicale veranderingen. Geef eerst de verbeteringen in het huidige systeem de kans om zich te bewijzen.

* Een uitgebreidere analyse is te vinden in het ING-rapport “ De geldscheppingsparadox”.

Referenties:

Bertay, A. C., Demirgüç-Kunt, A., & Huizinga, H. (2014). Bank ownership and credit over the business cycle: Is lending by state banks lessprocyclical?.Journal of Banking & Finance, te verschijnen.

Te citeren als

Teunis Brosens, “Laat geldschepping in private handen”, Me Judice, 3 september 2014.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.