Wiebes bedrijft science fiction in zijn belastingplan

Wiebes bedrijft science fiction in zijn belastingplan image

Afbeelding ‘Eric Wiebes', bron: Ministerie van Financiën

15 dec 2015 | | 781 keer bekeken

Het belastingplan van Wiebes lijkt er door te komen maar moet nog door de Eerste Kamer. Jurist en oud-belastingadviseur Mark Romyn heeft de voorgestelde wettekst tegen het licht gehouden en komt tot de conclusie dat de staat belastingparameters bepaalt die én ieder contact met de economische realiteit hebben verloren én wel erg in het voordeel van de staat uitpakken.

Ficties in belastingplan
Waarom wordt arbeid niet belast alsof iedereen, ongeacht beroep en werkelijke inkomsten, per uur het gemiddelde modale uurloon over de afgelopen 20 jaar verdient? Een dergelijke fictie zou het werk van de Belastingdienst sterk vereenvoudigen. De vraag lijkt absurd, maar is volstrekt legitiem nu de Tweede Kamer voor wat betreft de belastingheffing over inkomsten uit vermogen heeft ingestemd met een geheel vergelijkbaar stelsel waarin tientallen ficties en slecht onderbouwde veronderstellingen op elkaar zijn gestapeld. Het gemak voor de Belastingdienst werd ook daar als rechtvaardiging gegeven. De Eerste Kamer stemt zeer binnenkort over het voorstel.

Het huidige stelsel beoogt het rendement te belasten dat iedereen zonder veel risico en ná inflatie zou moeten kunnen halen. De Commissie-Dijkhuizen heeft al vastgesteld dat de wettelijke 4% te hoog is gegrepen. Niettemin claimt Staatssecretaris Wiebes met het nieuwe stelsel, dat nog hogere percentages kent, meer aansluiting te zoeken bij werkelijk behaalde rendementen. In zijn memorie van toelichting wordt geen serieuze poging gedaan die werkelijke rendementen te meten.

Kwestieuze berekeningen
Als je een vermogen hebt van meer dan een ton maar minder dan een miljoen (dat geldt voor meer dan een miljoen belastingplichtigen) dan neemt het voorstel aan dat je 42% van dat meerdere belegt in Nederlandse koopwoningen (let wel: boven de eventuele eigen woning die onder box 1 valt), 26% in Europese aandelen, 11% in tienjarige Nederlandse staatsobligaties en 21% in kortlopende bankdeposito's. De woningen worden geacht 4,25% per jaar in waarde te stijgen, de aandelen 8,25% per jaar, de staatsobligaties betalen 4% rente en de banken bieden 1,63% rente, zo fantaseert Wiebes door. Ter vergelijking: de rente op dergelijke staatsleningen in de echte wereld is momenteel 0,65% en een spaarrekening biedt rond 1%. Wiebes rekent echter om onduidelijke redenen met onnavolgbare "langetermijnrendementen" en maakt woekerpolisverkopers zodoende respectabel.

Iemand die - in afwijking van zijn Procrustes-model - risico's mijdt ontvangt dus met moeite 1% rente. Die rente wordt onder de huidige wet belast voor 120% (30% van 4%). Onder het voorstel gaan bezitters van kleine vermogens er een beetje op vooruit. Hun belastingdruk daalt - afgezien van een beperkte vrijstelling - tot een nog steeds zeer hoog percentage van 87. De huidige rente op saldi tussen €100.000 en €1 miljoen zou worden belast voor 141% en die daarboven zelfs voor 165%. Dit soort belastingpercentages staan in schril contrast met die van onze buurlanden. In België en Duitsland is de heffing over rente beperkt tot een zeer uitnodigende 25%.

Rare benchmarks
Maar ook een belegger die de vermogensmixfictie van Wiebes wél zou volgen zal er praktisch nooit in slagen zijn langetermijnrendementen te evenaren. Afgezien van het feit dat de gekozen "benchmarks" niet representatief zijn voor de beleggingscategorieën, is de referentieperiode telkens zo geselecteerd dat sprake is van een voor de fiscus gunstige zware rendementsoverschatting, terwijl de te maken kosten geheel worden genegeerd. Zo geeft Wiebes toe niet te weten in welke soorten onroerend goed belastingplichtigen beleggen anders dan in tweede woningen. Uit armoede kiest hij voor de CBS-index Bestaande Koopwoningen als een rendementsmaatstaf voor alle onroerende zaken. Die index is van 2001 tot 2014 gemiddeld per jaar met 0,7% gestegen. Wiebes geeft voor het langetermijnrendement de voorkeur aan een "simulatie" met als beginjaar 1974, zodat hij maar liefst 4,25% jaarlijkse waardestijging kan budgetteren. Aan het feit dat de prijzen van kantoorgebouwen en landbouwgrond niet correleren met die van koopwoningen gaat hij voorbij.

Voor aandelen is blijkens de concept-wettekst de maatstaf "de procentuele verandering van de beleggingsindex voor Europa zoals gepubliceerd door Morgan Stanley Capital International". Het is de wetgevingsjuristen ontgaan dat die organisatie al ruim zes jaar MSCI heet, na een afsplitsing van Morgan Stanley. Beetje slordig.

Blijkens cijfers van DNB is de omvang van wereldwijd beleggende Nederlandse beleggingsfondsen twaalf maal zo groot als die van fondsen die zich tot Europa beperken. Beleggers die zelf direct op de beurs beleggen kopen grotendeels Nederlandse aandelen. In de door Wiebes gekozen index hebben de Zwitserse Nestlé, Novartis en Roche de grootste gewichten, niet Shell, Unilever en Philips. Zijn index is dus niet bepaald representatief. De MSCI Europe index steeg sinds de eeuwwisseling met gemiddeld 2,5% per jaar. Wiebes begint - in de vreemde veronderstelling dat een jaarlijks aan te passen langetermijnrendement maatgevend moet zijn en niet de feitelijke mutatie in het belastingjaar zelf - volstrekt willekeurig te meten in 1984 en becijfert het aandelenrendement vervolgens ruim driemaal zo hoog op 8,25% per jaar.

Geflatteerde index
Hij gaat voorts voorbij aan "survival bias", het verschijnsel dat slecht lopende bedrijven waarvan de marktwaarde daalt tot onder een bepaald minimum uit de index worden gegooid, hetgeen die index met procenten per jaar flatteert. Ook de door banken en beleggingsfondsen in rekening gebrachte kosten, die kunnen oplopen tot ruim 2% per jaar, worden geheel genegeerd. Voor obligaties wordt zonder nadere motivering "aangenomen" dat het langetermijnrendement weer terugkeert naar de 4% die gold tussen 2002 en 2008, weer een geheel andere referentieperiode.

Wiebes houdt stug vol dat de herziening van de vermogensrendementsheffing - inclusief de lastenverschuiving van kleinere naar grotere vermogens - budgetneutraal moet zijn, d.w.z dat er geen ruimte is het advies van de Commissie-Dijkhuizen te volgen om het forfaitair rendement te verlagen. Daarbij gaat hij voorbij aan de tientallen miljarden die de staat de afgelopen jaren aan rente heeft bespaard als gevolg van een verruimd ECB-beleid en een rentevoet die daalde van bijna 6% tot minder dan 1%; beleggers in staatsobligaties worden doodleuk belast alsof zij méér rente ontvangen in plaats van minder.

Het had voor de hand gelegen de fictie voor rente op spaarrekeningen jaarlijks vast te stellen op het door DNB voor dat jaar becijferde percentage, maar Wiebes wil ook hier middelen en wel over de afgelopen vijf jaar, hetgeen de fiscus zo'n 65% meer aan belasting oplevert.

Toerekenen naar de staat
Het Europese mensenrechtenverdrag verbiedt onteigening zonder toereikende vergoeding. Ook excessieve belastingen kunnen onder dit verbod vallen, vooral als een inkomsten- of vermogensbelasting structureel niet of nauwelijks uit de inkomsten uit de desbetreffende vermogensbestanddelen kan worden voldaan. Dat de haalbare rendementen structureel achterblijven bij de forfaitaire percentages kan evenzeer een grond zijn voor het onrechtmatig verklaren van de heffing. Met zijn willekeurig hoge inschattingen van "langetermijnrendementen" loopt Wiebes het risico dat het hof in Straatsburg oordeelt dat de vermogensrendementsheffing geen redelijke grondslag meer heeft.1

Voetnoten
1. Dit risico wordt door de voorziene jaarlijkse aanpassingen van de langetermijnrendementen aan actuelere data niet kleiner. Die aanpassingen geschieden namelijk met een vertraging van twee jaar en worden "ingefaseerd" over niet minder dan 15 jaar. Als onroerend goed en aandelenkoersen de komende vijf jaar elk jaar met 90% zouden dalen, dan heeft dat nauwelijks invloed op de wettelijke rendementsficties.

Te citeren als

Mark Romyn, “Wiebes bedrijft science fiction in zijn belastingplan”, Me Judice, 15 december 2015.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.