Dromen over een geldloze maatschappij - Lessen uit een gevangenenkamp

Dromen over een geldloze maatschappij - Lessen uit een gevangenenkamp image

Afbeelding ‘Stalag Luft VII-A 6’ van Mack Lundy (CC BY-SA 2.0)

8 jul 2015 |

Geld heeft door de historie veel gemengde gevoelens opgeroepen. Het wordt vervloekt, maar je kunt ook niet zonder. Toch duiken herhaaldelijk pleidooien op om geld maar af te schaffen of om de geldcreatie volledig in handen van de staat te geven. Harry van Dalen gebruikt een oud verhaal over de economie van een gevangenenkamp om licht te werpen op deze droombeelden en komt tot de conclusie dat deze dromen ook echt dromen zijn.

Toekomst van banken en geld

Her en der hoor je geluiden dat banken zoals we ze nu kennen verdwijnen. Dat is een veilige voorspelling omdat zoiets altijd op een gegeven moment klopt. De geschiedenis van geld laat namelijk zien (zie Van Dalen en Klamer, 2015) dat banken als intermediair zich altijd in de loop van de tijd hebben aangepast. Geld verandert en met die evolutie veranderen ook de hoofdrolspelers in het verhaal van geld: de bankiers, de tussenpersonen, de centrale bankiers en ga zo maar door. De bank van 2050 zullen we ongetwijfeld niet meer herkennen, maar geld en instituties die geld in omloop brengen zullen we altijd nodig hebben. Maar wat moeten we dan van al die pleidooien denken die geld als de wortel van al het kwaad zien en het liefst uit onze samenleving willen snijden? Private banken vormen in die visie ook een bedreiging omdat zij geld in omloop brengen. Het liefst willen sommigen dan maar de gehele bankensector nationaliseren. Zo’n economie kan op papier bestaan, maar lukt dat ook in het echt? Ik ga een poging wagen om een antwoord daarop te vinden.

Economie in het klein

Een van de middelen om het denken te vergemakkelijken is het gebruik van een metafoor of zoals economen dat noemen een model. En de metafoor die ik wil gebruiken is die van de economie van een gevangenenkamp en de rol die geld in zo’n kamp speelt. Nu klink dat misschien gek om zo’n voorbeeld te nemen, maar ik doe dat met opzet omdat een van mijn stellingen is dat als we de economie in het klein goed begrijpen dan kunnen we wellicht ook iets meer zeggen over de economie in het groot.

De Cambridge econoom Richard A. Radford (1919-2006) heeft ooit zijn ervaringen als soldaat in een Prisoners of War (POW) kamp beschreven. Hij zat gevangen in het Mannschaftsstamm- und Straflager, kortweg Stalag VII-A, in de jaren 1943-1945 in Zuid-Duitsland, vlak bij het stadje Moosburg. Na zijn bevrijding in april 1945 had hij zijn ervaringen direct op papier gezet en opgestuurd naar het tijdschrift Economica dat het snel publiceerde in het novembernummer van 1945. De redactie van dat tijdschrift was niet in zijn zielenroerselen geïnteresseerd maar wel naar zijn ervaringen en inzichten als econoom en die bleken waardevol. Het is inmiddels een klassiek geworden artikel waar soms heftig over gedebatteerd wordt of het nu werkelijk zo functioneerde als Radford beschreef. Het is overigens ook zijn enige academische artikel. Na de oorlog maakte hij zijn studie economie af in Cambridge en in 1947 trad hij in dienst van het pas opgerichte IMF, waar hij werkte tot zijn pensionering in 1980.

Radford maakte mee hoe hij als soldaat door de Duitsers gevangen was genomen in Libië in 1942 en samen met andere geallieerde soldaten uiteindelijk in een kamp in Beieren terechtkwam waar hij op 12 april 1945 werd bevrijd door het Amerikaanse leger. In de doorgangskampen waar hij eerder verbleef was de handel rudimentair. Pas toen hij in het kamp Stalag VII kwam waar ongeveer 50.000 gevangenen van allerlei nationaliteiten zaten kwam een economie tot stand waarbij sigaretten als geld functioneerden. Gevangenen van allerlei nationaliteiten waren gegroepeerd naar barakken. En daarmee is het gevangenkamp niet alleen een model voor een economie, maar ook voor een globale economie.


Het aardige van zijn artikel is dat hij in detail beschrijft hoe in het gevangenkamp zich een economie ontwikkelde. En daarin komen alle aspecten naar voren waar iedere economie mee te maken heeft. Periodes van inflatie en deflatie, banken en tussenpersonen die niet worden vertrouwd, geld dat wordt nagemaakt, en vooral veel gepraat in de barakken wat nu rechtvaardig is. En vooral dat laatste vind ik wel aardig omdat in veel hedendaagse verhalen over economie de ethische kant van handel niet wordt behandeld. Dat is vreemd omdat het stilzwijgend iets is dat iedereen bezighoudt. We hoeven maar aan de ophef over de beloning van bankiers of de boosheid over de redding van banken te denken om te realiseren dat het gevoel van rechtvaardigheid een grote rol speelt. En wat Radford laat zien is dat het eindeloze gepraat over wat rechtvaardig gewoon plaatsvindt terwijl in standaard economische verhalen dat aspect als niet relevant wordt gezien.

Op deze plek wil ik een aantal essentiële karaktertrekken van die letterlijk gesloten economie beschrijven om vervolgens er lessen uit te trekken die mij helpen om te bedenken of een geldloze of bankloze maatschappij wek kan bestaan.

1. Geld vaart wel bij stabiele relaties

Dat is de allereerste les die ik oppik uit de ervaringen van Radford. In de doorgangskampen waar hij eerder verbleef (zoals in Italië) was de handel zeer beperkt en kwam het eigenlijk neer op ruilhandel. Zodra er een Rode Kruis pakket binnenkwam en iedereen zijn deel kreeg, was het chaos en begon men te ruilen. Gevangenen verbleven maar kort in dit soort kleine kampen en men beperkte zijn ruilactiviteiten tot de barak waarin men ingedeeld was. De prijzen konden daardoor sterk variëren van barak tot barak. Ruilhandel was de regel en er was nog niet een standaard ruilmiddel. Zoals Radford constateerde: “A transit camp was not one market but many”. Zoals gezegd, pas in zijn definitieve kamp ontwikkelde zich een echte economie met een geldvorm: sigaretten. Sigaretten leenden zich goed als ruilmiddel, het was goed deelbaar, het werd algemeen geaccepteerd, het behield zijn waarde over de tijd (als je ze droog hield) omdat praktisch iedereen wel verlangde naar een sigaret, en uiteindelijk rekende iedereen in sigaretten. 

En dat iedereen op zoek was naar een geldmiddel is ook logisch. Als je in een gevangenis zit met een beperkte toevoer van pakketten met goederen dan kun je wel leunen op de goedgevigheid van je buurman, maar de meesten zagen toch in dat handel van goederen een betere manier was om je behoeften te bevredigen dan elkaar maar wat te geven. Ruilhandel is altijd omslachtiger dan handel met geld omdat de behoeften van ruilende partijen dan niet precies overeen hoeven te komen. Het is wat Stanley Jevons (1876) ooit noemde de 'double coincidence of wants'. Betere deals en meer handel kwamen pas tot stand in een ontwikkelde economie met geld. In het Beierse kamp kwam voor iedere barak bijvoorbeeld een advertentiebord te staan waarop de prijzen van gevraagde en aangeboden goederen stonden en dit alles met kamernummer en naam. En alle prijzen werden in sigaretten gesteld. Zodra een transactie was afgehandeld werd het van het bord gestreept. In de stabiele samenleving van Stalag VII zag je in feite twee dingen ontstaan: geld in de vorm van sigaretten en iets dat op de organisatie van een markt leek.

2. Intermediairs zijn altijd verdacht

In een kamp met 50.000 gevangenen kan het niet anders dat er verschillen tussen barakken ontstaan in vraag en aanbod. En waar gehandeld wordt ontstaan mogelijkheden voor winst en daarmee werkgelegenheid voor tussenpersonen. Dat was ook zo in het gevangenkamp van Radford. Er waren grote schommelingen in prijzen, het kamp was verdeeld in barakken waardoor de prijzen per barak konden variëren.

Alleen, zo stelde hij, de tussenpersonen die opstonden werden toch altijd met een scheef oog aangekeken. De publieke opinie in het kamp keerde zich over het algemeen tegen deze tussenpersonen. De gevangenen erkenden niet het vele werk dat zij staken in het bij elkaar brengen van vraag en aanbod. De winsten die zij maakten werden als woekerwinst gezien - in de ogen van gevangenen hadden zij er immers niet veel voor gedaan - en niet als een beloning voor hun werk. Dat verdachte beeld werd nog eens versterkt als die tussenpersonen een monopoliepositie bezaten omdat zij bijvoorbeeld toegang hadden tot handelskanalen die anderen niet hadden – connecties met de Duitse wachten of kennis van de Indiase taal om met anderstalige gevangenen te handelen. De tussenpersoon kon alleen op enige waardering rekenen als hij enige risico op zich nam om klanten ter wille te zijn. Bijvoorbeeld door gevangenen enig krediet te geven in afwachting op een volgende rantsoen van het Rode Kruis.

3. Ethiek en markt staan op gespannen voet

Maar het aardigste van het verhaal van Radford is dat er ook een ethisch aspect aan het handelen op de markt kleeft. Velen in het kamp hadden het gevoel dat alles een rechtvaardige prijs had in termen van sigaretten. Alleen zoals Radford het zo kernachtig omschreef: iedereen wist wat die rechtvaardige prijs was, maar niemand kon verklaren waarom die prijs zo was. Een pragmatische definitie van de rechtvaardige prijs was de prijs dat een goed opbracht in tijden waarin er veel sigaretten (lees: geld) voorhanden waren. Dat verklaarde volgens hem ook waarom er zoveel onenigheid was in het kamp in tijden van schaarste en waarom de kampeconomie in de problemen kwam. Met een rigide ´rechtvaardige´ prijs komt er gewoon geen handel tot stand en als men wilde handelen dan moest dat buiten de officiële kanalen plaatsvinden. En uiteindelijk hadden gezagsdragers die de rechtvaardige prijs moesten verdedigen dat ook wel door en dan daalden de prijzen schoorvoetend. De niet-rokers met hun reserves en de tussenpersonen die een handeltje zagen werden dan ook altijd met een scheef oog aangekeken. Hun aankopen tegen de gedaalde prijzen werden als ‘zwarte markt’ handel gezien. De roep op ingrijpen en centrale planning was toen groot, maar loste eigenlijk niets op.

Economie in het groot

Wat leer je nu uit dit verhaal van een kleine economie voor de toekomst van de grote economie? Er valt uiteraard veel op de metafoor van een gevangenenkamp af te dingen. Er kunnen zich rare dingen voordoen die in onze economie weer niet voorkomen. Bijvoorbeeld, als gevangenen stress ondervinden van de oorlog roken zij meer dan anders en daarmee gaat ook  het geld in rook op. Maar wie goed kijkt kan er wel degelijk wat van leren en ik haal er drie lessen uit die ik belangrijk vind.

Bank is van alle tijden en dus ook van de toekomst 

De allereerste les is dat er altijd banken of, laat ik het breder definiëren, financiële intermediairs zullen zijn. In een primitieve maatschappij als die van een gevangenkamp ontstaat geld maar ook de bedrijven die zich erin bekwamen om een geldmaatschappij tot bloei te brengen. Tussenpersonen en primitieve banken kan men tegenkomen die het geld in goede banen probeerde te leiden. En men kan zich voorstellen dat in een grotere economie, nog meer specialisatie optreedt dan in een kleine economie zoals die van het gevangenenkamp. Dat is ook het verhaal van de huidige economie waarin naast de banken ook een hele schaduwindustrie is opgebouwd. Alleen, en dat is ook al terug te vinden in het gevangenkamp, tussenpersonen die mede risico dragen bouwen vertrouwen op bij hun klanten, maar het dragen van risico betekent ook dat men failliet kan gaan. Hoofdelijke aansprakelijkheid van bankiers of CEOs zou daarmee een vertaling kunnen zijn van de lessen van het gevangenenkamp. Het model waarin de winsten voor de banken zijn en de verliezen voor de samenleving heeft immers veel kwaad bloed gezet en is ook welbeschouwd een mooi weer ‘business model’. Het verhaal van de huidige crisis is dat de financiële producten en ideeën prima werken op papier maar dat men dacht dat men met zeer geringe buffers wel kon overleven in een wereld vol onzekerheid.

Ethiek doet er toe

De tweede les heeft te maken met ethiek. Dat komt naar voren in het beoordelen door de gevangenen van wat een rechtvaardige prijs is. Maar de ethiek komt ook terug in hoe mensen aankijken tegen de handelwijze van banken of tussenpersonen. Die personen en instanties worden bijna zonder uitzondering in een kwaad daglicht gezet. Dat is in het heden niet veel anders. Banken worden in hoge mate als oneerlijk, instabiel en als instanties gezien die vooral hun eigen belang dienen (zie Van Dalen en Henkens, 2015). Financiële tussenpersonen zijn er nog veel slechter aan toe in de publieke opinie. En ik vrees dat ze dat keer op keer bewijzen dat ze daar zelf schuldig aan zijn.

Toch biedt ook het verhaal van de gevangenen een positieve noot voor de toekomst omdat tussenpersonen die mede risico dragen als betrouwbaarder werden gezien dan zij die geen risico liepen. De ellende is natuurlijk dat financiële tussenpersonen vaak te klein zijn om veel risico te kunnen dragen en daardoor niet geloofwaardig zijn als intermediair. Op bankniveau zou men dat wel kunnen corrigeren door banken grotere buffers te laten aanhouden, maar ook door topbestuurders aansprakelijk te maken voor verliezen. In het verre verleden waren alle bankiers hoofdelijk aansprakelijk omdat de naamlozen en besloten vennootschappen moesten worden uitgevonden. Maar toen de beperkte aansprakelijkheid werd 'uitgevonden' halverwege de negentiende eeuw grepen bankiers hun kans. Maar in Zwitserland zijn er nog steeds vele grote vermogensbeheerders waar hoofdelijke aansprakelijkheid geldt en tot volle tevredenheid van klanten, personeel en bestuurders. 

Centrale planning werkt niet

De derde les is dat centrale planning of volledige staatsregulering om prijzen vast te prikken eveneens een droom is. Althans als je het verhaal van het gevangenkamp bekijkt. Het belang van de rechtvaardige prijs geeft aan dat handel en welvaart, of je het wil of niet, afhankelijk is van de normen die gelden binnen een samenleving. Instanties die willen functioneren binnen de maatschappij kunnen zich daar beter rekenschap van geven. Maar tegelijkertijd moet een maatschappij er rekening mee houden dat een rechtvaardige prijs op gespannen voet staat met de werking van markten. Het is niet voor niets dat bij Radford de rechtvaardige prijs altijd tussen haakjes staat. Rechtvaardigheid kun je maar beter niet van bovenaf opleggen aan een economie zoals met de 'rechtvaardige' prijs in Stalag VII. Het verbeteren van het financiële systeem begint met een systeem waarbinnen mensen handelen naar de geest van wetten en regels en niet naar de letter. De bankiers of intermediairs moeten laten zien dat zij een dienende rol hebben in het bij elkaar brengen van vraag en aanbod en als teken van betrokkenheid risico dragen of zoals Engelsen dat zeggen: "Put your money where your mouth is" of - in gewoon Nederlands: de daad bij het woord voegen.

Dromen

Wat zegt dit verhaal over al die dromen en initiatieven over alternatieve geld- en bankvormen? De allerbelangrijkste les is dat dromen over een toekomst zonder banken of over een geldloze maatschappij ook niet meer dan dromen zijn. Geld, intermediairs en privaat initiatief horen bij elkaar. Maar wat dit verhaal van een kleine economie vooral laat zien is dat rechtvaardigheid net zo'n grote rol speelt als doelmatigheid. De hoofdrolspelers in het verhaal van geld moeten daarom te allen tijde beseffen dat er een publiek belang kleeft aan privaat handelen. De bank van de toekomst zal wat mij betreft de bank zijn die publiek en privaat belang laat samensmelten. Maar misschien is dat ook een droom.

Dit is een lezing gegeven in Spui25 bij de presentatie van het boek Geld (samen met Arjo Klamer) dat deel uitmaakt van de serie Elementaire deeltjes van Amsterdam University Press.

Referenties:

Dalen, H. van, en A. Klamer (2015). Geld, Elementaire deeltjes, no. 22, Amsterdam University Press, Amsterdam.

Dalen, H. van, en K. Henkens (2015), De dubbelhartige pensioendeelnemer, Netspar NEA paper, no. 58, Tilburg.

Jevons, W.S. (1876), Money and the Mechanism of Exchange, Appleton & Co. New York.

Radford, R.A. (1945). The economic organisation of a POW camp.Economica, 189-201.

Te citeren als

Harry van Dalen, “Dromen over een geldloze maatschappij - Lessen uit een gevangenenkamp”, Me Judice, 8 juli 2015.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.