Iedere econoom draagt een bril
Economische perspectieven helpen ons de werkelijkheid te ordenen. Ze brengen bepaalde verbanden scherp in beeld, terwijl andere naar de achtergrond verdwijnen. Juist daarom moet een econoom zich bewust zijn van het perspectief van waaruit zij de werkelijkheid beziet.
Dat bewustzijn is niet alleen van belang voor de economische wetenschap, maar ook voor het economieonderwijs. Een alumnus van de Nijmeegse master Economie, inmiddels werkzaam bij De Nederlandsche Bank, vertelde terugkijkend op zijn opleiding dat economen die alleen standard textbook economics kennen volgens hem voor DNB minder interessant zijn. In monetair beleid en financieel toezicht worden immers inzichten uit verschillende economische benaderingen gebruikt.
| De Week van het Economieonderwijs |
| Dit artikel is onderdeel van een reeks artikelen over economieonderwijs in aanloop naar de jubileumeditie van de Week van het Economieonderwijs (23-27 november 2026). De centrale vraag: “Hoe zorgen we dat wetenschappelijk business- en economieonderwijs aansluit bij de laatste inzichten uit de wetenschap en praktijk?” De andere artikelen van de reeks zijn hier te lezen. Met vakgenoten verder praten over de thema’s uit deze serie? Schrijf je in voor de Week van het Economieonderwijs. |
De noodzaak om verschillende perspectieven te combineren wordt nog groter bij complexe maatschappelijke vraagstukken als de energietransitie en digitalisering. Zulke vraagstukken laten zich niet vanuit één economisch perspectief begrijpen.
Pluralisme helpt bovendien eurocentrische aannames te onderzoeken. Dat vraagt om aandacht voor niet-westerse denktradities en de historische context van economische kennis (Dutt et al., 2025). Daarnaast moeten studenten leren hoe machtsverhoudingen economische processen beïnvloeden (Rath et al., 2024). Bij de ecologische transitie gaat het bijvoorbeeld niet alleen om efficiëntie, maar ook om uiteenlopende opvattingen over welvaart en de verdeling van kosten en baten.
Deze voorbeelden leiden tot een centrale vraag voor het economieonderwijs: hoe leren studenten beoordelen welke benadering bij welk probleem past?
De economische wetenschap ís niet de economie
Economische theorieën bieden altijd een selectief beeld van de werkelijkheid. Robert Heilbroner (1999) waarschuwde in The Worldly Philosophers voor een vernauwing van het blikveld van de economische wetenschap. Theorieën ontstaan in een bepaalde historische context en richten zich op specifieke vragen, terwijl de economie zelf voortdurend verandert.
De economische wetenschap is niet hetzelfde als de economie. Economische kennis helpt ons de werkelijkheid te begrijpen, maar is altijd een selectie en interpretatie daarvan.
Nieuwe technologieën, veranderende instituties en verschuivend menselijk gedrag kunnen ertoe leiden dat een benadering die lange tijd veel verklaarde, later minder toereikend blijkt. Daarmee raakt hij aan een belangrijk onderscheid: de economische wetenschap is niet hetzelfde als de economie. Economische kennis helpt ons de werkelijkheid te begrijpen, maar is altijd een selectie en interpretatie daarvan. Het gevaar ontstaat wanneer zo'n selectie vanzelfsprekend wordt en we haar voor het geheel gaan aanzien.
Die selectiviteit werkt ook door in het onderwijs: niet alleen theorieën, maar ook de manier waarop we ze presenteren, bepaalt welk beeld studenten van economie ontwikkelen. Adam Smith wordt in het economieonderwijs bijvoorbeeld vaak verbonden met eigenbelang, marktwerking en The Wealth of Nations (1776). Maar in dat boek benoemde hij óók de macht van handelaren en fabrikanten om prijzen en beleid in hun voordeel te beïnvloeden. Smith schreef daarnaast The Theory of Moral Sentiments (1759), waarin de betrokkenheid van mensen bij anderen een centrale plaats inneemt.
De les is niet dat de ene Smith de juiste is en de andere Smith de verkeerde. Wat we uitlichten, bepaalt mede welk beeld van zijn denken en daarmee van economie ontstaat. Door steeds dezelfde elementen te benadrukken, kan zelfs een brede denker als Smith uiteindelijk smaller worden voorgesteld dan hij was.
Een vergelijkbare versmalling kan optreden wanneer economische vraagstukken vooral vanuit efficiëntie worden benaderd. Een eenzijdige nadruk op efficiëntie kan vragen over welzijn en ethiek naar de achtergrond drukken. Polanyi (1977) onderscheidde de formele betekenis van economie — kiezen tussen alternatieve aanwendingen van schaarse middelen — van de substantieve betekenis: de manier waarop mensen in wisselwerking met elkaar en hun omgeving in hun levensonderhoud voorzien. Dat onderscheid helpt studenten te zien dat de organisatie van het economisch leven niet vanzelfsprekend samenvalt met marktwerking.
Welke benadering voor welk probleem?
Als pluralisme meer moet zijn dan kennis van verschillende theorieën, moeten studenten leren wat ze met die verschillen kunnen doen. Dat wordt duidelijker bij een concreet economisch vraagstuk. Waarom verdient de ene persoon bijvoorbeeld meer dan de andere?
Een neoklassieke benadering legt onder andere de nadruk op productiviteit. Vanuit feministische economie komen andere factoren nadrukkelijker in beeld, zoals sociale normen, machtsverhoudingen en discriminatie. Die verschillende verklaringen ontstaan niet alleen doordat economen van mening verschillen. Ze vloeien ook voort uit andere uitgangspunten en uit de vragen die binnen elke benadering worden gesteld (Grol, De Muijnck en Sent, 2020).
De kern van pluralisme ligt daarom niet in het aantal perspectieven dat studenten kennen, maar in de kwaliteit van hun afweging.
Het doel van deze vergelijking is niet alleen verschillen te herkennen, maar vooral de verklarende kracht en beperkingen van elke benadering te beoordelen. Het naast elkaar zetten van zulke verklaringen maakt zichtbaar wat een benadering goed kan verklaren en waar haar beperkingen liggen. Vervolgens moet worden onderzocht welke verklaring het beste wordt ondersteund door theorie en empirisch bewijs en het meeste inzicht biedt in het concrete vraagstuk.
Pluralisme betekent dus niet dat alle verklaringen even goed zijn. Het betekent ook niet dat één dominante benadering simpelweg door een andere moet worden vervangen. Daarmee verandert misschien het antwoord, maar nog niet de manier waarop verklaringen tegen elkaar worden afgewogen. Dat vraagt om openheid voor verschillende theorieën en onderzoeksmethoden, en om het kritisch toetsen van de veronderstelde universele geldigheid van modellen en aannames (Dutt et al., 2025).
De kern van pluralisme ligt daarom niet in het aantal perspectieven dat studenten kennen, maar in de kwaliteit van hun afweging. Welke aannames liggen achter een analyse? Wat verklaart een benadering goed? Wat blijft buiten beeld? En hoe overtuigend is zij voor het vraagstuk dat voorligt? Dat bedoelen wij met pluralisme als oordeelsvermogen.
Wanneer een perspectief vanzelfsprekend wordt
Waarom dat oordeelsvermogen ertoe doet, werd tijdens de financiële crisis van 2008 op indringende wijze zichtbaar. Alan Greenspan had als voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve jarenlang vertrouwd op het idee dat het eigenbelang van financiële instellingen hen ertoe zou brengen hun eigen risico's voldoende te bewaken. Na het uitbreken van de crisis erkende hij tegenover het Amerikaanse Congres dat daarin een fout zat (United States House of Representatives, 2008). Hij sprak van een flaw in het raamwerk waarmee hij dacht te begrijpen hoe de wereld functioneerde.
Juist langdurig succes kan het moeilijker maken de uitgangspunten van een benadering nog ter discussie te stellen. Wat ooit een bepaalde manier was om de werkelijkheid te begrijpen, kan na verloop van tijd vanzelfsprekend gaan lijken.
Opvallend is niet alleen dat Greenspan zich had vergist. Hij vertelde ook dat hij ongeveer veertig jaar lang aanzienlijke aanwijzingen had gezien dat zijn zienswijze juist wél werkte. Juist langdurig succes kan het moeilijker maken de uitgangspunten van een benadering nog ter discussie te stellen. Wat ooit een bepaalde manier was om de werkelijkheid te begrijpen, kan na verloop van tijd vanzelfsprekend gaan lijken.
Dit betekent niet dat een andere economische school de financiële crisis wél zou hebben voorspeld. Het laat wel zien waarom economen hun eigen uitgangspunten moeten kunnen onderzoeken, ook wanneer die lange tijd overtuigend lijken. Ook bij vertrouwde modellen hoort daarom de vraag onder welke omstandigheden zij bruikbaar zijn. Zo beschrijft Nobelprijswinnaar Angus Deaton (2024) hoe hij na meer dan een halve eeuw als econoom zijn opvattingen heroverweegt, en hoe ongemakkelijk dat kan zijn.
Wat betekent dit voor het economieonderwijs?
Voor het onderwijs volgt hieruit iets concreets. Studenten moeten oefenen met het vergelijken van economische benaderingen. Dat kan door hetzelfde vraagstuk vanuit verschillende invalshoeken te onderzoeken, aannames expliciet te maken, verklaringen met elkaar te vergelijken en te beargumenteren waarom een bepaalde aanpak in een concrete situatie overtuigender is.
Ook is het belangrijk dat economische theorie en economische werkelijkheid daarbij voortdurend met elkaar worden verbonden. Het is niet genoeg eerst een benadering te leren en pas veel later te vragen waar zij bruikbaar voor is. De vraag naar de reikwijdte en beperkingen ervan hoort bij het leren van die benadering zelf. Bouw die oefening vanaf het begin van de opleiding op en laat haar in latere vakken terugkomen, met steeds complexere vraagstukken en expliciete beoordelingscriteria.
Pluralistisch onderwijs vraagt dus niet noodzakelijk om méér stof, maar wel om ruimte voor vergelijking, reflectie en argumentatie. Op opleidingsniveau betekent dit dat pluralisme expliciet moet worden ondersteund en ingebed.
Dit alles stelt ook eisen aan de inrichting van het onderwijs. Vergelijken kost tijd. Schrijven, discussie en feedback zijn arbeidsintensief. Wie te veel perspectieven in korte tijd behandelt, loopt bovendien het risico dat studenten uiteindelijk van alles iets weten, maar weinig echt begrijpen.
Pluralistisch onderwijs vraagt dus niet noodzakelijk om méér stof, maar wel om ruimte voor vergelijking, reflectie en argumentatie. Op opleidingsniveau betekent dit dat pluralisme expliciet moet worden ondersteund en ingebed. Opleidingen moeten hiervoor docenttijd reserveren, vakken op elkaar afstemmen en rekening houden met verschillen in de voorkennis van studenten.
Ook docenten hebben daarin een rol. Zij moeten duidelijk kunnen maken vanuit welke uitgangspunten een bepaalde analyse vertrekt, ruimte bieden om die uitgangspunten ter discussie te stellen en een inclusieve leeromgeving creëren waarin studenten verschillende ervaringen en perspectieven kunnen inbrengen. Dat is relevant omdat universitair economieonderwijs nog vaak sterk leunt op één manier van economisch denken, kwantitatieve technieken en het correct toepassen van bestaande analytische kaders (Grol, De Muijnck en Sent, 2020). Zulke vaardigheden zijn belangrijk, maar leiden niet vanzelf tot het vermogen te beoordelen wanneer een bepaalde aanpak passend is.
Nieuw lesmateriaal en afstemming op opleidingsniveau zijn nodig, zodat verschillende theorieën, methoden en denktradities een samenhangende plaats krijgen. De transformatie-agenda van de decanen Economie en Bedrijfskunde benadrukt de maatschappelijke impact van het vakgebied (Verhoef et al., 2022). Ons voorstel is om die ambitie in het onderwijs te vertalen naar expliciete leerdoelen voor pluralistisch oordeelsvermogen.
Kritisch oordeelsvermogen als economische expertise
De voorgaande voorbeelden en onderwijsimplicaties wijzen op één centrale opgave: economen moeten niet alleen economische modellen kunnen toepassen, maar ook kunnen beoordelen wanneer die modellen passend zijn. Een samenleving in transitie waarin verschillende crises elkaar kunnen versterken, heeft economen nodig die hun vak goed beheersen, vertrouwde aannames kunnen onderzoeken, alternatieve verklaringen serieus kunnen nemen en kunnen uitleggen waarom zij voor een bepaalde benadering kiezen.
De econoom van de toekomst heeft niet één perfecte bril nodig. Evenmin heeft zij veel aan een kast vol brillen waarvan zij alleen de namen kent.
De toets voor pluralistisch economieonderwijs ligt daarom uiteindelijk bij de afgestudeerde. Kan zij de uitgangspunten achter een analyse herkennen? Kan zij verschillende verklaringen tegen elkaar afwegen? En kan zij haar oordeel herzien wanneer nieuwe inzichten of een veranderende werkelijkheid daar aanleiding toe geven?
De econoom van de toekomst heeft niet één perfecte bril nodig. Evenmin heeft zij veel aan een kast vol brillen waarvan zij alleen de namen kent. Zij moet weten dat zij er één draagt, begrijpen wat die haar laat zien en herkennen wanneer het tijd is van perspectief te wisselen.
Dat oordeelsvermogen is geen aanvulling op economische expertise. Het behoort tot de kern ervan.
Referenties
Deaton, A. (2024). Rethinking My Economics. Finance & Development, 61(1), 20–22.
Dutt, D., C. Alves, S. Kesar en I.H. Kvangraven (2025). Decolonizing Economics: An Introduction. Polity Press.
Grol, R., S. de Muijnck en E.M. Sent, 2020, “Economics: Introducing key concepts and economics education”, in J.A. Bustillos Morales en S. Abegglen (red.), Understanding Education and Economics: Key Debates and Critical Perspectives, Routledge, Abingdon.
Heilbroner, R.L., 1999 [1953], The Worldly Philosophers: The Lives, Times, and Ideas of the Great Economic Thinkers, Simon & Schuster, New York.
Polanyi, K. (1977). The Livelihood of Man. H.W. Pearson (red.). Academic Press, New York.
Rath, J., A. Hornykewycz en M. Burnazoglu (2024). Power of economics without power in economics? Review of Evolutionary Political Economy, 5, 301–328.
Smith, A., 1759, The Theory of Moral Sentiments, A. Millar, London; A. Kincaid en J. Bell, Edinburgh.
Smith, A., 1776, An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, W. Strahan en T. Cadell, London.
United States House of Representatives, Committee on Oversight and Government Reform, 2008, The Financial Crisis and the Role of Federal Regulators, hearing, 23 oktober 2008, Washington, DC.
Verhoef, P. et al. (2022). Transformatie-agenda voor economie en bedrijfskunde. Economisch Statistische Berichten, 107(4816), 566–569.