Afscheidsrede Coen Teulings: Econoom in een neoliberaal tijdsgewricht

Afscheidsrede Coen Teulings: Econoom in een neoliberaal tijdsgewricht image
door Ed van Rijswijk
Vandaag
Op 10 september 2026 hield Coen Teulings zijn afscheidsrede aan Utrecht University. Hij blikte daarin terug op zijn levensloop als econoom, niet zozeer om stil te staan bij zijn wetenschappelijke successen, maar omdat de afgelopen vijftig jaar een bewogen periode vormen. Zo maakte hij als jonge wetenschapper de diepe economische crisis van de jaren tachtig mee, gevolgd door het opmerkelijke economische herstel van de jaren negentig. Volgens Teulings dreigt de kennis van die periode verloren te gaan. Met zijn levensbeschrijving wil hij die kennis doorgeven aan nieuwe generaties.

Studietijd

Ik begon mijn studie economie aan de Universiteit van Amsterdam in 1977. De jaren zeventig waren een periode van oliecrises en stagflatie, een combinatie van hoge werkloosheid en oplopende inflatie. Mijn keuze voor een studie economie was ingegeven door deze maatschappelijke problemen. Naar het voorbeeld van Jan Tinbergen, de eerste winnaar van de Nobelprijs voor de economie, wilde ik bijdragen aan een oplossing.

In mijn eerste studiejaar raakte ik gefascineerd door de schoonheid van de neoklassieke economische theorie. Voor mij als linkse student riep dat vragen op over waardenvrijheid van de sociale wetenschap: hoe is het mogelijk dat men op basis van een paar simpele veronderstellingen zulke verstrekkende conclusies kan trekken, bijvoorbeeld dat marktwerking tot een sociaal wenselijke uitkomst leidt? Die theorie lijkt te impliceren dat normen en waarden irrelevant zijn en dat het nastreven van ieders eigenbelang de wereld drijft. Wie om zich heen kijkt ziet dat dit niet klopt. Normen over goed en fout spelen een grote rol in het maatschappelijk verkeer.

In mijn eerste studiejaar raakte ik gefascineerd door de schoonheid van de neoklassieke economische theorie. Voor mij als linkse student riep dat vragen op over waardenvrijheid van de sociale wetenschap.

Ik heb me achteraf afgevraagd van wie ik in mijn studie economie het meest heb geleerd. Dat zijn twee mensen. Ten eerste Joop Odink, die mij de neoklassieke theorie heeft bijgebracht. En ten tweede van Michael Ellman, die was opgeleid in Cambridge en Moskou en zich had ontwikkeld tot een internationaal expert op het gebied van planeconomieën. Hij leerde mij dat centrale planning niet werkt.

Breed gelezen

In mijn studietijd was ik actief in de linkse studentenbeweging. Die beweging was toen een relikwie uit een voorbije tijd, de grote Maagdenhuisbezetting van 1969. Mijn betrokkenheid had echter één voordeel: het bracht me in contact met slimme, inhoudelijk gemotiveerde studenten in andere disciplines. Ik las daardoor breed, iets wat ik mijn hele carrière ben blijven doen.

Met Annemieke Roobeek liep ik colleges over de sociale geschiedenis van de 19e eeuw, de tijd van de drie grote -ismes: kapitalisme, imperialisme en socialisme, aan de hand van boeken van Eric Hobsbawm.

Rick van der Ploeg liet mij Edward Wilson’s prachtige boek Consilience lezen. Wilson was een evolutionair bioloog, gespecialiseerd in mieren, maar bovenal een uitmuntend wetenschapper. Hij was fervent voorstander van de eenheid van wetenschappen. Een sociologische en economische theorie van een en hetzelfde verschijnsel? Dat vroeg om een unificatie, net zoals de inconsistenties tussen Heisenberg’s onzekerheids- en Einstein’s relativiteitstheorie natuurkundigen nu al een eeuw lang stimuleert om te zoeken naar een overkoepelende theorie. In 1975 had Wilson betoogd dat onze emoties en morele overtuigingen een evolutionaire basis moeten hebben. Voor soortgelijke ideeën werd de criminoloog Wouter Buikhuisen enige jaren later in Nederland publiekelijk verguisd. De Universiteit Leiden heeft hem hiervoor vlak voor zijn dood excuses aangeboden, iets wat die universiteit siert.

Ik las Abram de Swaan’s Zorg en de staat, over het ontstaan van de moderne welvaartstaat. De Swaan sloeg een brug tussen sociologie en economie. Het gevangenendilemma was zijn analytisch instrument. Hij verklaarde de opkomst van de welvaarsstaat uit het welbegrepen eigenbelang van de burgerij. Rondzwervende armen waren een bedreiging voor die burgerij. Zij roofden en verspreiden ziektekiemen. De welvaartsstaat moest dat indammen. Ik vond het prachtig.

Ik voerde lange gesprekken met de bekende speltheoreticus Ken Binmore. In dezelfde denkwereld als De Swaan had hij Game theory and social contract geschreven, waarin hij beargumenteerde dat maatschappelijke normen en het sociaal contract niet voortkwamen uit rationele filosofische discussies, maar ontstonden in een evolutionair proces, analoog aan de ideeën van Wilson. Hij leerde me de betekenis van de antropologie voor ons begrip van de huidige samenleving.

Mark Bovens liet me The history of government van Samuel Finer lezen. Finer onderstreepte het evolutionaire gezichtspunt van Binmore, maar nu niet met ingewikkelde speltheorie, maar met een historisch overzicht van alle bestuursvormen, van het Egypte van de farao’s tot de dag van vandaag. Hij benadrukte het belang van de legitimiteit van gezagsuitoefening. Ook hier: die kwam niet uit een rationele filosofische beschouwing, maar uit religie. De Egyptische farao was god, maar ook koning, legeraanvoerder, wetgever, rechter en bestuurder; van een scheiding der machten was nog geen sprake. Die ontstond pas bij de uittocht van het volk Israël uit Egypte, aldus Finer. Toen Mozes met de stenen tafelen van de berg Sinaï afdaalde, was de wet voortaan in steen gehouwen. Het gaf het volk een zelfstandig beroep op de wet, waarop de profeten onafhankelijk van de zwaardmacht van koning David. Het conflict over Batseba, de vrouw van een legeraanvoerder op wie de koning zijn oog had laten vallen, was het eerste voorbeeld van een confrontatie tussen beide machten. Later zal ik stilstaan bij de economische betekenis van deze machtenscheiding.

Het lezen van Jared Diamond’s Gun, germs and steel heeft mij sterk beïnvloed. Het boek is een stoutmoedige poging om 13.000 jaar menselijke geschiedenis sinds het ontstaan van landbouw in Mesopotamië in één theoretisch kader te vatten. Voor het eerst begreep ik de enormiteit van de Europese verovering van Amerika na 1492 door een slechts paar duizend Spaanse kolonisten. Maar het boek leerde me ook de betekenis van de daaraan voorafgaande waterscheiding tussen Amerika en Eurazië. Na de overtocht van de indianen over de Beringstraat werden beide werelddelen 10.000 jaar van elkaar gescheiden door de stijging van de zeespiegel. Deze waterscheiding is het grootste natuurlijke experiment in de geschiedenis. Na de tien millennia van afzondering leken de samenlevingen van de Azteken en Inca’s op het Egypte van de Farao’s. Ze liepen alleen 2000 jaar achter, een achterstand die hun na 1492 fataal werd. Ik werd ook getroffen door Diamond’s multidisciplinaire aanpak, met dezelfde aandacht voor de antropologie als bij Binmore.

Ondertussen brak in de wereld, en in het bijzonder in Nederland de crisis van de jaren tachtig uit. De stagflatie uit de jaren zeventig liep volledig uit de hand. Ik was er als beginnend econoom ooggetuige van.

Sanjeev Goyal, collega in Rotterdam en Cambridge, liet mij Joe Henrich’s The WEIRDest people in the world lezen. WEIRD is een acroniem voor Western, Educated, Industrialized, Rich, and Democratic. Henrich’s claim is dat het westen, 15% van de wereldbevolking, uitzonderlijk is; vandaar het acroniem WEIRD. Door het openbreken van gesloten clanverbanden werd samenwerking niet langer afhankelijk van bloedverwantschap, maar werd zij ook mogelijk over familiegrenzen heen, op basis van sociale normen en reputaties. Dit eeuwenlange openbrekingsproces werd gedreven door de Katholieke kerk, vanaf het concilie in Elvira in Spanje in 305. Het is een voorwaarde voor het ontstaan van het kapitalisme. Ook Henrich baseerde zijn hypothese op inzichten uit diverse wetenschappen: economie, evolutionaire biologie, psychologie, en opnieuw, antropologie.

Tenslotte raadde Aart Jan Beekman, emeritus hoogleraar psychiatrie aan de VU, mij The righteous mind van Jonathan Haidt aan. Als sociaal psycholoog zoekt Haidt naar de basis van onze morele overtuigingen. Opnieuw: die zijn niet logisch, maar evolutionair bepaald. Het gevangenendilemma staat ook in zijn analyse centraal. Het evolutionair succes van mensen is afhankelijk van hun vermogen dat spel effectief te spelen. Onze normen van fairness en wederkerigheid, van loyaliteit en van respect voor gezag zijn daarop gericht. Ook bij Haidt spelen antropologie en evolutionair biologie een cruciale rol.

Ik heb veel namen laten vallen, u bent de weg inmiddels kwijt en ergert zich aan deze vooralsnog zinloze demonstratie van belezenheid. Troost u: ik heb vele namen weggelaten. Maar ik zal het goedmaken: er volgen er later nog veel meer.

Economische crisis van de jaren tachtig

Ondertussen brak in de wereld, en in het bijzonder in Nederland de crisis van de jaren tachtig uit. De stagflatie uit de jaren zeventig liep volledig uit de hand. Ik was er als beginnend econoom ooggetuige van.

Wilt u weten wat dat is, crisis? Welnu, bezie de jaren tachtig. De werkloosheid steeg met 10.000 mensen per maand, in vier jaar tijd van 200.000 naar 850.000. Aangejaagd door de opeenvolgende golven van stijgende olieprijzen, liep de inflatie op tot meer dan 6% per jaar.  

In Utrecht moesten Werkspoor en de staalfabriek Demka de deuren sluiten. In Amsterdam vielen de scheepswerven ADM en NDSM om; de gigantisch portaalkraan van NDSM werd in een gierende januaristorm omver geblazen. Onze nationale trots, de gloeilampenfabriek in het Zuiden des lands, scheerde langs de rand van de afgrond. De winstgevendheid van het bedrijfsleven zakte tot onder een bedenkelijk niveau.

Met bijna een miljoen mensen in de WW en de bijstand en een tweede miljoen mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering explodeerden de kosten van de sociale zekerheid. Vanwege geldgebrek werd de bouw van het Prins Clausplein bij Den Haag stilgelegd. Onafgemaakte snelwegviaducten eindigden jarenlang in het luchtledige.

In hartje Utrecht en Amsterdam waren Hoog Catharijne en de Zeedijk no-go areas vanwege criminaliteit en drugsoverlast. Tal van huizen werden in die steden met boomstammen tegen de voorgevels overeind gehouden. Voor funderingsherstel was geen geld. Nu zijn die boomstammen verdwenen. De voorheen verveloze kozijnen staan nu strak in de lak.

Het functioneren van de overheid was dramatisch. Voor een nieuw paspoort moest je een dag vrij nemen. Op een telefoonaansluiting moest je maanden wachten. Van Reigersbergenstraat 2 was voor Amsterdammers een berucht adres. Daar zetelde de Gemeentelijke Dienst Herhuisvesting. Zonder woonvergunning werd je zonder pardon uit je woning gezet. De dienst was een broeinest van vriendjespolitiek: met goede contacten kreeg je voorrang.

Het herstel: de neoliberale revolutie

Voor de diagnose van deze crisis moeten we te rade bij Milton Friedman’s spraakmakende lezingen over de natuurlijke werkloosheidsvoet, eerst in 1968 en later bij de uitreiking van zijn Nobelprijs in 1976. Hij zorgde voor een revolutie in de economische wetenschap, samen met een aantal andere economen: Edmund Phelps, Robert Lucas, Thomas Sargent, Finn Kydland, en Edward Prescott die daar tussen 1976 en 2011 allemaal de nobelprijs voor hebben gekregen. Eén van de implicaties van die revolutie was het belang van de onafhankelijkheid van centrale banken. Daarover later meer.

Als de overheid de vraag echter aanjaagt terwijl de werkloosheid al op zijn natuurlijke niveau ligt, dan leidt dit niet tot minder werkloosheid, maar louter tot meer inflatie.

De traditionele Keynesiaanse theorie zocht de oorzaak van bovenmatige werkloosheid in een gebrek aan effectieve vraag. Een beetje werkloosheid is normaal, de zogenaamde natuurlijke werkloosheid. Door de effectieve vraag met overheidsbestedingen aan te jagen kan de overheid bovenmatige werkloosheid voorkomen. Als de overheid de vraag echter aanjaagt terwijl de werkloosheid al op zijn natuurlijke niveau ligt, dan leidt dit niet tot minder werkloosheid, maar louter tot meer inflatie, simpelweg omdat bedrijven geen nieuw personeel kunnen vinden maar de extra vraag hen wel de mogelijkheid biedt hun prijzen te verhogen. Zie hier de oorzaak van de oplopende inflatie.

De oorzaken van de stijging van de werkloosheid moest volgens Friedman elders worden gezocht, met name bij de verstorende werking van sociale zekerheid, waardoor werklozen minder gestimuleerd worden om naar werk te zoeken en lonen zich dus niet aanpassen aan het evenwicht tussen vraag en aanbod. Dat deze theorie werd opgesteld vóór de crisis van de jaren tachtig in volle hevigheid toesloeg droeg bij aan haar geloofwaardigheid.

Onder dit gesternte vond in 1982 in Nederland de neoliberale revolutie plaats. Ruud Lubbers werd premier, Onno Ruding minister van financiën, en Frans Rutten secretaris generaal van het Ministerie van Economisch Zaken. Zij waren de drie musketiers van de revolutie. Naar het voorbeeld van Reagan in de VS en Thatcher in het VK werd Nederland op de schop genomen. Het economisch programma van bezuinigingen, inkrimping van de overheid, deregulering, privatisering, en verlaging van sociale uitkeringen was op Friedman’s ideeën gebaseerd. Werken moest weer lonen.

Een revolutie gaat gepaard met strijd. Zo ook nu. De ambtenarenstakingen in de herfst van 1983 hielden twee maanden aan. Post werd niet meer bezorgd, treinen reden niet meer, het huisvuil stapelde zich op. Maar anders dan in de VS en het VK, werd het conflict gelijktijdig gepacificeerd middels het beroemde Akkoord van Wassenaar tussen vakbonden en werkgeversorganisaties. Hier zette Wim Kok als toenmalig voorzitter van de FNV zijn eerste stap op weg naar zijn latere premierschap.

Werkloosheid kan inderdaad tijdelijk oplopen, maar in een goed functionerende markteconomie herstelt het evenwicht tussen vraag en aanbod zich snel [...] In de VS bleek dit inderdaad het geval te zijn; in bijna alle Europese landen niet, met name in Nederland.

Als jonge linkse econoom stuitte Friedman’s gelijk mij vanzelfsprekend tegen de borst. Ik bezocht talrijke wetenschappelijke conferenties, door de EU gesubsidieerd, met als doel om wetenschappers uit verschillende lidstaten bijeen te brengen voor een Europees beleidsdebat. Een belangrijke inspiratiebron op die conferenties was een paper van Olivier Blanchard en Larry Summers over hysterese in de Europese werkloosheid. Werkloosheid kan inderdaad tijdelijk oplopen, maar in een goed functionerende markteconomie herstelt het evenwicht tussen vraag en aanbod zich snel. Die hoge werkloosheid is dus tijdelijk. Werkloosheid zou een stationair proces moeten zijn. Hiervoor bestaan standaard statistische testen, maar een simpel plaatje zegt vaak al genoeg.

In de VS bleek dit inderdaad het geval te zijn; in bijna alle Europese landen niet, met name in Nederland niet, zoals tabel 1 laat zien. De werkloosheidscijfers in die tabel zijn overigens anders dan nu voor die jaren in boeken staan. Toen werd werkloosheid nog gemeten via de registratie van het arbeidsbureau. In lijn met Friedman’s analyse is tegenwoordig feitelijk zoekgedrag het criterium.

Blanchard en Summers gaven een aantal mogelijke verklaringen voor dit verschil tussen Europa en de VS, aansluitend bij Friedman’s analyse. Simpel gezegd konden in de VS de lonen zich aanpassen, waardoor weliswaar de beloningsverschillen tussen opleidingsniveaus toenamen, maar lager opgeleiden wel aan het werk bleven. In Europa lagen de beloningsverschillen vast en kwamen lager opgeleiden dus in de sociale zekerheid terecht. Dit was op den duur financieel onhoudbaar.

Tabel 1.  Hysterese in de werkloosheid in diverse landen.

Bron: Kennan (1986). Tabel 1a aangevuld met CPB (1987), Bijlage C1.

In de eerste tien jaar na de neoliberale revolutie zijn de inkomensverschillen in Nederland door de verlaging van sociale uitkeringen inderdaad fors toegenomen, zoals weergegeven in tabel 2. Daarna zijn ze, anders dan de algemeen gangbare opinie, min of meer constant gebleven. De inkomens- en vermogensverschillen in Nederland blijven relatief klein, vergelijkbaar met Scandinavië en België, maar kleiner dan in Duitsland en Frankrijk. Qua inkomensverschillen waren de VS al in 1980 een klasse apart, en dat verschil is sindsdien alleen maar toegenomen.

Tabel 2. Gini-coefficienten in 2019 voor diverse landen.

Bron: Wereld Bank, en voor Nederland (voor eerdere jaren): CBS

Heike Vethaak en Egbert Jongen hebben recent laten zien dat inkomensverhoudingen in Nederland sinds 1980 flink zijn verschoven: van mannen naar vrouwen, waarbij de ongelijkheid voor mannen is toegenomen en voor vrouwen juist afgenomen. Dit is het gevolg van de onomkeerbare transitie van een industriële samenleving naar een diensteneconomie. De industrie is een mannenbolwerk, de dienstensector biedt vooral vrouwen emplooi.

Jarenlang werd op deze Europese conferenties het ene na het andere paper in de onderzoekslijn van Blanchard en Summers gepresenteerd: weer een nieuwe test van de stationariteit van de werkloosheid in deze of gene EU-lidstaat; weer een nieuwe analyse van de oorzaken van de werkloosheidsverschillen tussen landen. Er was geen ontkomen aan: ik werd geleidelijk overtuigd van hun analyse.

De neoliberale revolutie heeft alles bijeen vier kabinetten geduurd, de eerste twee met CDA en VVD, daarna met CDA en PvdA, en tenslotte het eerste Paarse kabinet van PvdA, VVD en D66. De laatste grote wapenfeiten waren de versobering van de arbeidsongeschiktheidsuitkering WAO onder Lubbers/Kok en de verruiming van winkelsluitingstijden onder Paars I.

Nederland werd [...] ten voorbeeld gesteld aan de twee mastodonten van de EU waar hervorming maar niet wilde lukken: Duitsland en Frankrijk. In Duitsland heeft het tot [...] 2004 geduurd voordat de koe bij de horens werd gevat. Frankrijk wacht daar nog steeds op.

Al in 1986 werden de eerste resultaten van die revolutie zichtbaar. In Amsterdam opende tussen de Bijlmermeer en de A2 het ene na het andere bedrijf zijn deuren. Dit succes werd ook gevierd. Toen diverse sprekers bij de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer in 1996 superlatieven tekort kwamen voor de Nederlandse economie, stelde de kersverse premier Kok voor om de wave aan te heffen.  Geleidelijk aan veranderde ook de toon op die internationale conferenties, tenminste waar het Nederland betrof. De Nederlandse neoliberale revolutie werd gezien als een succes, mede dankzij de pacificatie van de vakbeweging in het akkoord van Wassenaar. Nederland werd ten voorbeeld gesteld aan de twee mastodonten van de EU waar hervorming maar niet wilde lukken: Duitsland en Frankrijk. In Duitsland heeft het tot de Hartz hervormingen van 2004 geduurd voordat de koe bij de horens werd gevat. Frankrijk wacht daar nog steeds op.

Nederland op zijn breedst

Zoals gezegd was een verschil met de neoliberale revoluties in de VS en het VK dat die in ons land tegelijkertijd gericht was op een nieuw compromis. De ambtenarenstaking van 1983 was niets vergeleken met de staking van luchtverkeersleiders in de VS het jaar daarvoor, waarbij duizenden verkeersleiders na twee dagen staken simpelweg werden ontslagen, of de Britse mijnstaking het jaar daarna, die het VK een jaar in zijn greep hielden. De Nederlandse variant werd daarom het poldermodel genoemd. Op dit compromiskarakter van de Nederlandse versie van de neoliberale revolutie wil ik aan de hand van twee voorbeelden nader stilstaan.

In 1992 publiceerde het CPB onder leiding van Gerrit Zalm de spraakmakende scenariostudie Nederland in Drievoud. Andre de Jong was de voornaamste auteur. De muur was net gevallen, de Sovjet-Unie was ten onder gegaan. Michael Ellman had gelijk gekregen: planeconomie, dat werkt niet. Dat werd nog het duidelijkst geïllustreerd door het dramatische gat in welvaart dat in de 45 jaar tussen Oost- en West Duitsland was ontstaan.

De CPB-studie presenteerde drie scenario’s: Balanced Growth met groei door marktwerking, Global Shift met stagnatie en achteruitgang, en European Rennaissance met gematigde groei op basis van een hervormde welvaartsstaat. Jarenlang hebben deze scenario’s de Haagse beleidsdebatten bepaald. Zalm was zelf voorstander van Balanced Growth. Zo bepleitte hij de afschaffing van het algemeen verbindend verklaren van cao’s, waarmee een cao afgesloten door de vakbeweging en een werkgeversorganisatie automatisch voor alle bedrijven in die bedrijfstak gold. Zalm vond dat dit de concurrentie op de arbeidsmarkt verstoorde. Ik was voor European Renaissance: ja, vraag en aanbod waren maatgevend voor de uiteindelijke uitkomst, maar georganiseerd overleg tussen werkgevers en werknemers kon de marktkrachten een handje helpen.

Met Joop Hartog schreef ik een boek voor Cambridge University Press, Corporatism or competition, waarin we die theorie uitwerkten. Bij het schrijven van dat boek en met name de Nederlandse versie daarvan, Plaats van de vakbeweging in de toekomst, had ik veel baat bij gesprekken met Piet Vos. Vos was een markante persoonlijkheid: een vakbondsman in hart en nieren, maar ook het economisch geweten van de vakbeweging. Al vroeg in jaren zeventig waarschuwde hij voor het vastlopen van de Nederlandse economie. Hij was lid geweest van de commissie Wagner, genoemd naar zijn voorzitter, een oud CEO van Shell. Die commissie had in 1981 een geruchtmakend rapport uitgebracht getiteld Een nieuw industrieel elan, met een blauwdruk voor Lubbers’ neoliberale revolutie. Piet was mijn praktisch leidsman in het begrijpen van de vakbeweging. Of het aan ons boek lag of dat de afschaffing sowieso een kansloos plan was, dat weet ik niet, maar Cao’s kunnen in Nederland nog steeds algemeen verbindend worden verklaard.

In dezelfde geest van polderen is 20 jaar lang gewerkt aan de hervorming van de Nederlandse gezondheidszorg. Die was gebaseerd op klassenongelijkheid. Tot de ziekenfondsgrens waren mensen verplicht verzekerd via een collectief ziekenfondssysteem. Boven die grens moesten mensen zichzelf particulier verzekeren: “ziekenfondspatiënten buiten wachten, particuliere patiënten kunnen in de wachtkamer plaatsnemen”. Maar ook voor particuliere patiënten was het geen rozengeur en maneschijn. Wie een gezondheidsverleden had kon zich voor die klachten niet verzekeren. Dit is een hardnekkige vorm van marktfalen die in de economische theorie bekend staat als averechtse selectie. 

In 1987 bracht een commissie onder voorzitterschap van oud Philips CEO Wisse Dekker hierover een rapport uit. Ook hoogleraar econometrie Bernard van Praag was daarvan lid. De commissie ontwierp een revolutionair systeem van collectieve verevening waarbij enerzijds marktwerking zoveel mogelijk zijn vrije loop kreeg en anderzijds averechtse selectie zo goed mogelijk de kop werd ingedrukt. Het systeem is een voorbeeld voor elders in de wereld.

De feitelijke invoering van het plan was geen sinecure. Er waren grote inkomenspolitieke belangen mee gemoeid. De invoering was alleen mogelijk als de drie grote politieke partijen uit die tijd, CDA, PvdA en VVD, het eens werden. Als voorzitter van het VNO is Alexander Rinnooy Kan in 1991 tegen dit plan te hoop gelopen, met succes. Er is daarna nog lang aan gesleuteld om alle partijen over de streep te trekken, totdat het in 2006 uiteindelijk kon worden ingevoerd.   

Het nieuwe stelsel geeft alle inkomensklassen in principe dezelfde toegang tot zorg, terwijl de financiering daarvan grotendeels inkomensafhankelijk is. Het zorgstelsel draagt zo bij aan zowel een gelijkmatigere inkomensverdeling als de relatief hoge doelmatigheid van de Nederlandse zorg.

De anti-neoliberale tegenrevolutie

De brede instemming met de neoliberale revolutie die sprak uit het aanheffen van de wave in 1996 bleef gemeengoed tot rond de eeuwwisseling. De eerste zichtbare scheur aan dit firmament was het advies van de Raad van State onder het vicevoorzitterschap van Herman Tjeenk Willink uit 1997. De term “neoliberalisme” was toen nog niet gemunt, maar dat is wel waar de Raad van State over schreef. De relevante passage besloeg niet meer dan drie pagina’s. Onder een groot deel van de intelligentsia raakten die pagina’s echter een snaar. Ze waren de voorbode van een publicatiegolf over de kwalen van het neoliberalisme, niet alleen in Nederland, maar wereldwijd.

De term “neoliberalisme” was toen nog niet gemunt, maar dat is wel waar de Raad van State over schreef [...] Onder een groot deel van de intelligentsia raakten die pagina’s [...] een snaar. Ze waren de voorbode van een publicatiegolf over de kwalen van het neoliberalisme [...]

De kern van de anti-neoliberale gedachtegoed wordt goed samengevat door het beroemde citaat uit 1890 van Oscar Wilde: “Nowadays people know the price of everything and the value of nothing". Het idee dat de marktprijs adequaat de sociale waarde van iets zou kunnen reflecteren stuit mensen tegen de borst. Dit kwam ook naar voren in een reactie op een artikel van mijn hand over het anti-neoliberalisme in de NRC. Ik liet zien dat marktwerking een politieke discussie over kerncentrales overbodig zou maken, simpelweg omdat kernenergie veel duurder is dan zon en wind. In reactie vond Annemarieke Nierop, de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, dit een weerzinwekkend idee. Fijn dat Teulings tegen kerncentrales was, maar dat mocht niet afhankelijk zijn van marktprijzen, maar van een politieke discussie op basis van morele uitgangspunten.

Diezelfde spanning tussen waarde en prijs zie je terug in een boek van Michael Sandel, The tyranny of merit. Sandel is een uitstekende wetenschapper die in druk bezochte colleges op Harvard de herkomst van onze normatieve oordelen bespreekt, net zoals Jonathan Haidt. In zijn boek trekt hij van leer tegen meritocratie: het idee dat iedereen gelijke kansen moet krijgen, maar dat gegeven die gelijke kansen je zelf verantwoordelijk bent voor het resultaat. Meritocratie sluit goed aan bij de belangen van de groeiende klasse van hoger opgeleiden die het in de moderne kapitalistische samenleving voor het zeggen heeft. Sandel heeft een punt: waarom zou lichamelijke invaliditeit wel en invaliditeit in capaciteiten niet worden gecompenseerd?

Sandel geeft vervolgens een prachtige beschrijving van twee alternatieven voor meritocratie: Friedrich Hayek’s vrije markt liberalisme en John Rawls’ welvaartsstaat liberalisme. Hayek’s oplossing voor de spanning tussen waarde en prijs is simpel: prijs is alles bepalend, waarde is irrelevant. Daarmee schuift hij ook de waardering van inkomensverschillen terzijde. Er is geen reden de markt op dit punt te corrigeren. Sandel’s interessante inzicht is dat Rawls’ welvaartsstaat liberalisme in feite hetzelfde uitgangspunt hanteert, behalve dat Rawls Hayek niet volgt in zijn laatste stap: prijs is allesbepalend en waarde is irrelevant, maar volgens Rawls kunnen we ons wél een oordeel vormen over de resulterende inkomensongelijkheid: die is te groot en moet met een progressief belastingstelsel worden gerepareerd.

Met die eerste stap, het irrelevant verklaren van waarde, heeft Rawls voor Sandel echter afgedaan. Net als Nierop vindt hij dat wij wel een moreel oordeel moeten hebben. Waarde kan niet worden teruggebracht tot een salarisvergelijking tussen bankiers en verpleegsters. De waarde wordt bepaald door de maatschappelijke waardering voor hun werk. Dat is het enige tegengif tegen de hubris van bankiers. Meer nog dan hun inkomensverlies heeft het gebrek aan respect voor hun werk de staalarbeiders uit Ohio in de handen van Donald Trump gedreven.

Waarde kan niet worden teruggebracht tot een salarisvergelijking tussen bankiers en verpleegsters. De waarde wordt bepaald door de maatschappelijke waardering voor hun werk [...] Meer nog dan hun inkomensverlies heeft het gebrek aan respect voor hun werk de staalarbeiders uit Ohio in de handen van Donald Trump gedreven.

Sandel’s analyse van de overmacht van hoger opgeleiden in een meritocratie is herkenbaar. De implicatie van collectieve politieke besluitvorming op basis van morele waarden is echter een illusie. Ver voor Michael Ellman’s colleges in de jaren zeventig had diezelfde Friedrich Hayek in 1945 de ondergang van de Sovjet-Unie voorspeld. Die voorspelling, 50 jaar voor dato, is een wetenschappelijke prestatie van formaat, vooral omdat Hayek zijn vinger precies op de zere plek had gelegd: het gebrek aan informatie bij de centrale planner. Alleen door mensen een belang te geven komt hun informatie op tafel, aldus Hayek. Zonder prikkels, houden ze die informatie voor zichzelf. Een volksvergadering mist die informatie en wordt het door belangentegenstellingen niet eens.

Collectieve besluitvorming eindigt daardoor veelal in zijn tegendeel, namelijk  besluitenloosheid. Omdat er toch moet worden besloten, is centralisatie van de besluitvorming de enige uitweg, in uiterste consequentie bij één persoon. We komen dan terecht bij Plato’s filosoof koning die voor ons bestwil namens ons beslist, niet gehinderd door de mispercepties van het gewone volk. In de economische theorie staat die figuur bekend als de goedwillende dictator. De filosoof koning is echter ten onder gegaan in de revoluties van 1789, 1917 en 1948; hij is terechtgesteld als veroordeelde of juist verworden tot beul.

Waar Tjeenk Willink en Sandel waarden-gedreven collectieve besluitvorming beschouwen als een nastrevenswaardig ideaal, daar trekken Hayek en Rawls op basis van de geschiedenis de omgekeerde conclusie: collectieve besluitvorming werkt niet. Maak dus zoveel mogelijk gebruik van de private initiatieven van mensen en val alleen terug op collectieve besluitvorming als het echt niet anders kan, zoals bijvoorbeeld het nieuwe zorgstelsel, waar individuele besluitvorming leidt tot averechtse selectie. Dit voorbeeld maakt echter meteen duidelijk hoe moeizaam een collectief besluit tot stand komt.

Deze inzichten waren gemeengoed 40 jaar geleden, tijdens de hoogtijdagen van de neoliberale revolutie. De ondergang van Sovjet-Unie versterkte dit gedachtegoed. Door deze ervaringen aangespoord maakten China en een paar jaar later India de draai naar een meer marktgeoriënteerde economie, in navolging van Zuid Korea, Taiwan, Hong Kong en Singapore. Die draai werd een groot succes. 40% van de wereldbevolking maakten in twee generaties de stap van bittere armoede naar een middenklasse bestaan. De miskenning van het belang van deze ontwikkeling, en zelfs de angst daarvoor, zowel bij links als bij rechts, is een ultieme vorm van westers centrisme. Dat we afhankelijk zijn van de VS is misschien bezwaarlijk, maar afhankelijkheid van India en China? Dat nooit! We raken niet uitgepraat over klimaatrechtvaardigheid, dat Afrika bij de transitie betrokken moet worden, maar dat onze zonnepanelen uit China komen? Doodeng!

Toen ik in 2023 een interview gaf over het, mijns inziens onterechte, anti-neoliberalistische sentiment aan het FD, kreeg ik een complimenteuze app van een FD-redacteur. Hij gaf ook een winstwaarschuwing: hij was op de redactie de enige die er zo over dacht. Als dit geldt voor het FD, hoe zou dat dan zijn voor de NRC? Om maar te zwijgen over de Groene Amsterdammer. Het anti-neoliberalisme leeft breed onder de intelligentsia.

En op een universitair niveau: is er in de Nederlandse opleidingen sociale filosofie nog aandacht voor het werk van Friedrich Hayek, Hannah Arendt , Isaiah Berlin, John Rawls en Ken Arrow [...] Voor de goede orde: De Sovjet-Unie is écht ten onder gegaan.

Die populariteit is moeilijk te begrijpen. Zouden de criticasters weet hebben van de boomstammen tegen de voorgevels in de Amsterdamse binnenstad in de jaren tachtig? Of van de sociale ellende van massawerkloosheid? Zouden ze werkelijk begrip hebben van de revolutie in de economische theorie in de jaren zeventig, of baseren ze zich louter op schoolboeken- en krantenwijsheid? Kennen ze de hysterese-analyse van Blanchard en Summers en de stroom van onderzoek die daarop volgde? En hebben ze zicht op het herstel van Nederland na die neoliberale revolutie? En op een universitair niveau: is er in de Nederlandse opleidingen sociale filosofie nog aandacht voor het werk van Friedrich Hayek, Hannah Arendt , Isaiah Berlin, John Rawls en Ken Arrow, of zijn zij gedegradeerd tot stromannen die slechts dienen als contrapunt voor het eigen morele gelijk? Voor de goede orde: De Sovjet-Unie is écht ten onder gegaan.

De kritiek op het neoliberalisme wordt ronduit lachwekkend als ook de toeslagenaffaire daaronder wordt geschaard. De neoliberale agenda waarschuwt tegen een overheid die de samenleving tot in detail wil regelen omdat zij de informatie daartoe ontbeert. Dit is precies wat het toeslagenstelsel heeft gedaan en wat tot de toeslagenaffaire heeft geleid: alles tot in detail willen regelen. Het fiasco daarvan bevestigt de juistheid van de neoliberale kritiek, niet omgekeerd.

De scheiding der machten

De Nederlandse ervaring in de jaren tachtig en negentig laat het belang zien van liberale democratische rechtsstaat, waarbij maximaal gebruik wordt gemaakt van private informatie. Het is de enige bewezen weg naar welvaart. In een dergelijke rechtsstaat hebben rechters een unieke positie. Op hun terrein, de rechtspraak, hebben zij absolute macht, die prevaleert boven de macht van de politiek. Waar in het recht de macht van de rede heerst, daar heerst in de politiek de macht van het getal: de meeste stemmen gelden.

In twee recente artikelen, in het Nederlands Juristenblad en in Ondernemingsrecht, laat ik zien dat die scheiding der machten cruciaal is voor een markteconomie. Het recht biedt een oplossing voor één van de voornaamste vormen van marktfalen: wij kunnen ons slecht binden aan onze beloften. Lange termijnafspraken komen daardoor moeizaam tot stand, want als het puntje bij paaltje komt moet maar blijken wat onze beloften waard zijn. Dat geldt zowel tussen burgers onderling als voor rechten die de politiek aan burgers toekent. Die rechten zijn niets waard als politiek daar kosteloos op terug kan komen. Daarom moet de rechter de politiek op zijn beloften kunnen aanspreken. De macht van het getal wijkt dan voor de macht van de rede.

Binnen zijn domein is de rechter dus filosoof koning, met alle gevaren van dien. Macht corrumpeert en absolute macht corrumpeert absoluut. Voor rechters is de verleiding van mission creep groot: het uitbreiden van het terrein waarvoor zijn absolute macht geldt. Zo is het niet aan de rechter om te bepalen hoe lang er in Nederland nog benzineauto’s mogen rijden en dus hoe lang Shell benzinestations mag exploiteren. Klimaatbeleid is een populair thema onder de hoger opgeleiden. Het is daarom voor rechters verleidelijk zich als hoeder van het klimaat te profileren.

Onder het mom van haar toezichtrol inzake de financiële stabiliteit, meet de centrale bank zich een rol aan in de besluitvorming over klimaatinvesteringen. De ECB heeft echter een mandaat voor het bewaken van de financiële stabiliteit, niet voor klimaatinvesteringen.

Wie de scheiding der machten voorstaat, moet de grensbewaking op orde houden, aan beide kanten. De politiek moet zich niet bemoeien met rechtspraak, maar evenmin moet de rechter zich wagen op politiek terrein. Dit is geen inhoudelijk oordeel over de toekomst van benzineauto's, maar een oordeel wie waarover gaat. Er zijn meer voorbeelden van mission creep: box 3 in de inkomstenbelasting, Urgenda, Bonaire. De grootste bedreiging van de scheiding der machten is momenteel niet de politiek, maar de rechterlijke macht. Dit is één van de redenen voor het populistische oproer.

De centrale bank verkeert in een soortgelijke positie. Zij heeft van de politiek een absoluut mandaat gekregen over het rentebeleid. Dit mandaat volgt uit de revolutie in de economische theorie uit de jaren zeventig. Met het uitgeven van staatsschuld verplicht de politiek zich om die schuld met rente terug te betalen. De politiek kan achteraf de facto onder die verplichting uitkomen door via inflatie de reële waarde van die schuld uit te hollen.

Dit mechanisme veroorzaakte de stagflatie van de jaren zeventig. Het bedreigt dezer dagen de VS met zijn almaar oplopende staatsschuld. Het onvermogen van de politiek om zich aan zijn beloften te binden bemoeilijkt het uitgeven van nieuwe staatsschuld omdat geldschieters politieke beloften niet vertrouwen. Kydland en Presscott hebben laten zien hoe de politiek dit geloofwaardigheidsprobleem kan oplossen door het rentebeleid uit handen te geven aan een onafhankelijke centrale bank. Met een renteverhoging kan die de inflatie indammen en de politiek dwingen haar schuld af te lossen. Zoals de rechter waakt over de rechten toegekend aan burgers, zo waakt de centrale bank over verplichtingen aangegaan jegens geldschieters.

De afgelopen vijf jaar is deze theorie op de proef gesteld. Door Poetin’s inval in de Oekraïne is de inflatie in de EU opgelopen. De ECB heeft de rente scherp verhoogd, waardoor inflatie na twee jaar weer nagenoeg terug bij af was. De ECB heeft zich daarmee ontwikkeld tot één van de meest betrouwbare centrale banken ter wereld. Dit is een groot succes zowel voor de revolutie in economische theorie uit de jaren zeventig als voor de governing council van de ECB.

Maar net als bij de rechterlijke macht ligt ook bij de centrale bank mission creep op de loer. Ook hier is macht verleidelijk, en absolute macht des te meer. Ook voor de centrale bank is het aantrekkelijk haar mandaat op te rekken richting klimaatbeleid vanwege de sympathie van hoger opgeleiden. Onder het mom van haar toezichtrol inzake de financiële stabiliteit, meet de centrale bank zich een rol aan in de besluitvorming over klimaatinvesteringen. De ECB heeft echter een mandaat voor het bewaken van de financiële stabiliteit, niet voor klimaatinvesteringen. De filosoof koning is dood. Klimaatbeleid vergt een politiek draagvlak. De centrale bank moet zich daar verre van houden.

Tot slot: onze behoefte om te moraliseren

Tot slot de onvermijdelijke vraag: waarom vonden die drie pagina’s van de Raad van State uit 1997 zoveel weerklank? Waarom onze behoefte om te moraliseren? Voor het antwoord op die vraag gaan we terug naar het werk van Jonathan Haidt. Mensen hebben sterke morele overtuigingen. Die maken het mogelijk met elkaar samen te werken als wij een gevangenendilemma spelen: fairness en wederkerigheid, om iemand te belonen als hij met mij samenwerkt en te straffen als hij verzaakt; loyaliteit aan de groep waarmee wij samenwerken, met uitsluiting van andere groepen; respect voor de leider van de groep, als die besluit met een andere groep samen te werken, of juist om die samenwerking te beëindigen. Deze morele overtuigingen zijn evolutionair ontstaan. Ze zijn cruciaal voor de samenleving, omdat ze het mogelijk maken in collectieve goederen te voorzien. Dit inzicht gaat terug tot Adam Smith, zoals blijkt uit zijn twee beroemdste boeken: louter de onzichtbare hand –de metafoor voor concurrentie en het nastreven van het eigenbelang–  uit The wealth of nations werkt niet, ook de morele overtuigingen uit The theory of moral sentiments zijn nodig. Het is juist de combinatie van concurrentie en samenwerking op basis morele principes die het kapitalisme zo succesvol maakt.

Wij hebben de evolutionair ingebouwde neiging de naleving normen moreel verheven te achten boven het nastreven van ons eigenbelang. Voor dat laatste is immers geen morele overtuiging nodig. Dat gaat vanzelf. De naleving van normen vereist dat we onszelf daaraan committeren en dat we anderen daarop aanspreken, liefdevol, of juist verontwaardigd over het gebrek aan de normbesef van de ander. Maar onze normen zijn niet per se moreel verheven boven het nastreven van ons eigenbelang. Onze normen vragen loyaliteit aan de groep, en daarmee uitsluiting van de andere groep. Ze vragen om respect voor de leider, en leiden daarmee tot strijd om het leiderschap. Dezelfde morele overtuigingen die samenwerking tussen mensen mogelijk maken zijn ook aanleiding voor heftige meningsverschillen, of erger nog, de bron van gewelddadige conflicten. Hoe sterker onze morele overtuiging, des te heftiger het conflict. Niet voor niets luidt de ondertitel van Haidt’s boek: Why good people are divided by politics and religion

De wetenschapper in mij raakt in een staat van vervoering. Alles past als een naaimachientje in elkaar: auteurs als Edward Wilson, Daniel Kahneman, Ken Binmore, Samuel Finer, Joe Henrich, en Jonathan Haidt, of in termen van disciplines: evolutionaire biologie, gedragseconomie, speltheorie, geschiedenis, antropologie en psychologie, en deze lijst van disciplines is zeker niet compleet. Dit is multidisciplinaire wetenschap, niet als een optelsom van inzichten, maar zoals Edward Wilson dat in Consilience voor ogen had: een overkoepelende theorie die eerdere inzichten integreert, zoals de zoektocht in de natuurkunde naar een integratie van Einstein en Heisenberg. Ons begrip van de evolutie van menselijke samenlevingen neemt hierdoor voortdurend toe.

Het onderwijs langs die lijnen inrichten, dat blijft mijn droom, die ik in mijn recente leerboek met Marijn Huysmans een stapje verder heb proberen te brengen. Ik hoop dat volgende generaties wetenschappers met die agenda verder gaan, in het onderzoek, maar ook in het onderwijs. Want thans worden onze studenten het inzicht in deze samenhang maar zeer fragmentarisch bijgebracht. Waar gepast hoop ik daaraan te blijven bijdragen.

In deze staat van vervoering wil ik eindigen met een passend citaat van een te vroeg overleden collega econoom, Jules Theeuwes:

De neoklassieke visie unificeert, annexeert en pontificeert, maar excommuniceert niet. Alles wordt meegenomen en van niemand wordt de heilige koe geslacht.

Ik heb gezegd.

Literatuur

Abspoel, E., & Teulings, C. N. (2026). Vermogens nemen toe, vermogensongelijkheid niet. ESB, 246-248.

Acemoglu, D. (2026). What happened to liberal democracy? Remaking a policy of shared prosperity. New York: Penguin Random House.

Arrow, K. J. (1973). Some ordinalist-utilitarian notes on Rawls's theory of justice. Journal of philosophy, 245-263.

Bellah, R. N. (1970). Religious evolution. In S. N. Eisenstadt (Ed.), Readings in social evolution and development (pp. 211–244). Pergamon

Berlin, I. (1958). Two concepts of liberty. Oxford: Clarendon Press.

Binmore, K. G. (1994). Game theory and the social contract (Vol. 1 & 2). Cambridge: MIT press.

Blanchard, O. J., & Summers, L. H. (1986). Hysteresis and the European unemployment problem. NBER macroeconomics annual, 15-78.

Centraal Planbureau (1987). Centraal Economisch Plan. Den Haag: Sdu Uitgeverij.

Centraal Planbureau (1992). Nederland in drievoud: een scenariostudie van de Nederlandse economie, 1990-2015. Den Haag: Sdu Uitgeverij.

Commissie Wagner (1981). Een nieuw industrieel elan.

Diamond, J. M. (1998). Guns, germs and steel: a short history of everybody for the last 13,000 years. New York: Random House.

Diamond, P. (1992). Organizing the health insurance market. Econometrica, 1233-1254.

Finer, S. E. (1997). The history of government from the earliest times (Vol. 1, 2, & 3). Oxford: Oxford University Press.

Friedman, M. (1968). The role of monetary policy. The American economic review, 1-17.

Friedman, M. (1977). Nobel lecture: inflation and unemployment. Journal of political economy, 451-472.

Haidt, J. (2012). The righteous mind: Why good people are divided by politics and religion. New York: Pantheon books.

Hartog, J., & Theeuwes, J. J. M. (1990).  Arbeidseconomie, In L. van der Geest (red.), Economische Theorie: de stand van zaken, Schoonhoven: Academic Services, 211-232.

Hayek, F. A. (1945). The use of knowledge in society. The American economic review, 519-530.

Hayek, F. A. (1960). The constitution of liberty. Chicago: University of Chicago press.

Henrich, J. (2023). The weirdest people in the world: how the West became psychologically peculiar and particularly prosperous, New York: Penguin.

Hobsbawm, E. (1968). Industry and empire. London: Penguin Random House.

Hobsbawm, E. (1977). Age of revolution. London: Abacus.

Kahneman, D., & Egan, P. (2011). Thinking, fast and slow. New York: Farrar, straus and Giroux.

Kennan, J. (1986) comments on Blanchard, O. J., & Summers, L. H. (1986). Hysteresis and the European unemployment problem. NBER macroeconomics annual, 15-78.

Kuhn, T. S. (1970; 1997). The structure of scientific revolutions. Chicago: University of Chicago press.

Kydland, F. E., & Prescott, E. C. (1977). Rules rather than discretion: The inconsistency of optimal plans. Journal of political economy, 473-491.

Layard, P. W., & Walters, A. A. (1978). Microeconomic theory. New York: McGraw-Hill.

Mazzucato, M. (2013). The entrepreneurial state: Debunking public vs. private sector myths. London: Anthem Press.

Nierop, A. (2025). Je moet grenzen stellen aan de economische markt, NRC, 11-9-2025.

North, D. C., Wallis, J. J., & Weingast, B. R. (2009). Violence and social orders: a conceptual framework for interpreting recorded human history. Cambridge: Cambridge University Press.

Piketty, T. (2014). Capital in the twenty-first century. Cambridge: Harvard University Press.

Piketty, T., & Sandel, M. J. (2025). Equality: What it means and why it matters. John Wiley & Sons.

Prigogine, I., & Stengers, I. (2018). Order out of chaos: Man's new dialogue with nature. New York: Verso Books.

Raad van State (1997). Advies over de concept-Miljoenennota 1998. Den Haag, Advies no. W06.97.0530.

Rawls, J. (1971). A theory of justice. Cambridge: Harvard University Press.

Rowthorn, R. E. (1977). Conflict, inflation and money. Cambridge journal of economics, 215-239.

Sandel, M. J. (2020). The tyranny of merit: What's become of the common good?. New York: Farrar, Straus and Giroux.

Smith, A. (1776; 2012). The wealth of nations. Wordsworth Editions.

Smith, A. (1759; 2010). The theory of moral sentiments. Penguin Classics.

Swaan, A. de (1989). Zorg en de staatWelzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd. Amsterdam: Bert Bakker.

Teulings, C. N. (2008). Markt en moraal gaan hand in hand. NRC, 2-2-2008.

Teulings, C. N. (1996). De plaats van de vakbeweging in de toekomst. Welboom.

Teulings, C. N. (2022). Koopkrachtreparatie: werk moet lonen. Me Judice, 12-10-2022.

Teulings, C. N. (2023). Coen Teulings met een pleidooi voor multidisciplinair economie onderwijs. Me Judice, 7-8-2023.

Teulings, C. N. (2025). Recht en economie: Gezworen partners. Nederlands Juristenblad, 190-200.

Teulings, C. N. (2025). Marktwerking is de enige bewezen uitweg. NRC, 11-9-2025.

Teulings, C. N. (2026). De internationale rechtsorde als waardevolle codificatie van machtsverhoudingen. Ondernemingsrecht, 402-409.

Teulings, C., & Hartog, J. (1998). Corporatism or Competition? Labour contracts, institutions and wage structures in international comparison. Cambridge: Cambridge University Press.

Teulings, C. N., & Huysmans, M. (2025). The Microeconomics of Market Failures and Institutions. Springer Books.

Teulings, C. N., & Toussaint, S. J. (2023), Top wealth is distributed Weibull, not Pareto. CEPR, DP 18634.

Teulings, C. N., Van Bavel, B., & Van Besouw, B. (2024). The emergence of government as organized violence-cum-robbery, CEPR, DP 18974.

Vethaak, H. T., & Jongen, E. L. (2024). Stille wateren hebben diepe gronden: een analyse van de inkomensverdeling en haar determinanten over de afgelopen veertig jaar. Leiden: Universiteit Leiden, DERM 2024.01.

Wilson, E. O. (1975). Sociobiology: The new synthesis. Cambridge: Harvard University Press.

Wilson, E. O. (1999). Consilience: The unity of knowledge. New York: Vintage.

Wolf, M. (2023). The crisis of democratic capitalism. London: Penguin Press.

Wrangham, R. (2019). The goodness paradox: How evolution made us both more and less violent. London: Profile Books.

Te citeren als

Coen Teulings, “Afscheidsrede Coen Teulings: Econoom in een neoliberaal tijdsgewricht”, Me Judice, 22 september 2026.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
door Ed van Rijswijk

Ontvang updates via e-mail