Inleiding
In Nederland studeren jaarlijks ruim 52.000 studenten bij Economie en Bedrijfskunde opleidingen op bachelor- en masterniveau. Hiermee is deze studierichting qua aantal studenten een van de grootste in Nederland. Veel van deze studenten gaan werken voor bedrijven of in de publieke sector. Daarmee heeft dit opgeleide talent een grote invloed op de ontwikkeling van de Nederlandse economie.
Maar hoe toekomstbestendig is het economieonderwijs tegen de achtergrond van ingrijpende maatschappelijke, technologische en geopolitieke ontwikkelingen? Daarnaast roept het beeld van een sterke nadruk op economische groei en winstmaximalisatie in delen van het economie- en bedrijfskundeonderwijs vragen op over de mate waarin er aandacht is voor de maatschappelijke en ecologische gevolgen van economische activiteiten. In hoeverre bereidt het onderwijs studenten daarmee voor op de complexe vraagstukken en afwegingen die de toekomst van de economie en het bedrijfsleven zullen bepalen?
Ontwikkelingen in economie- en bedrijfskundeonderwijs
Economische en Bedrijfskunde opleidingen zijn de afgelopen jaren veranderd. Onderzoek van Our New Economy laat zien dat het theoretische perspectief in de bacheloropleidingen economie verbreed is. Zo komt er bijvoorbeeld steeds meer aandacht voor evolutionaire, ecologische en gedragseconomie in de opleidingen (De Muijnck & Tieleman, 2024).
| De Week van het Economieonderwijs |
| Dit artikel is het laatste deel van een reeks artikelen over economieonderwijs in aanloop naar de jubileumeditie van de Week van het Economieonderwijs (23-27 november 2026). De centrale vraag: “Hoe zorgen we dat wetenschappelijk business- en economieonderwijs aansluit bij de laatste inzichten uit de wetenschap en praktijk?” De andere artikelen van de reeks zijn hier te lezen. Met vakgenoten verder praten over de thema’s uit deze serie? Schrijf je in voor de Week van het Economieonderwijs. |
Daarnaast is er in het onderzoek aan Nederlandse universiteiten steeds meer aandacht voor duurzaamheid, publieke gezondheid en ontwikkelingseconomie. Van belang is ook dat de faculteiten in de afgelopen jaren meer zijn gaan samenwerken in het overlegorgaan Decanen Economie en Bedrijfskunde (DEB). Dit heeft geleid tot een gezamenlijke impactagenda (Verhoef et al., 2023). Ook onderwijslaagoverstijgend is er met het Manifest Toekomstgericht Business- en Economieonderwijs een gezamenlijke koers voor de toekomst uitgezet. Hoewel er dus belangrijke stappen zijn gezet, vragen het huidige innovatie- en industriebeleid en de ontwikkelingen op het gebied van AI om verdere vernieuwing van het economie- en bedrijfskundeonderwijs.
Innovatie- en industriebeleid
Landelijke en Europese beleidsmakers pleiten voor innovatie- en industriebeleid, waarbij er prioriteit gegeven moet worden aan het opleiden in tekortsectoren en specifiek op thema’s als life science en biotechnologie, klimaattechnologie en circulariteit, veiligheid en weerbaarheid en natuurlijk digitalisering en AI. In Nederland is hierbij het rapport van Wennink, voormalig CEO van ASML, leidend.
Soms ontstaat dan de neiging om te denken dat we vooral meer studenten moeten opleiden in de techniekopleidingen en juist minder in bijvoorbeeld economie en bedrijfskunde. Economische waarde wordt echter niet alleen gecreëerd door technologische innovatie. Het gaat ook om de acceptatie en toepassing daarvan in markten, om de manier waarop bedrijven dit tot een succes brengen, en om de vraag hoe overheden dit kunnen stimuleren en faciliteren.
Standaard zouden toekomstige economen en bedrijfskundigen meer blootgesteld moeten worden aan technologische innovaties en in het curriculum moet meer aandacht komen voor technologie in relatie tot economie.
Essentieel daarbij zijn ook vragen rondom financiering. Bijvoorbeeld, hoe zorgen we ervoor dat start-ups doorgroeien naar scale-ups en voldoende gefinancierd worden, zonder zich gelijk over te geven aan grote investeerders in de VS? Daarvoor is juist begrip van menselijk gedrag, organisatiekunde, overheidsfinanciën, (financiële) marktwerking en effectieve wet- en regelgeving essentieel. Economen en bedrijfskundigen zijn daarvoor belangrijk. Maar om toekomstbestendig te zijn, is het wel van belang dat deze opleidingen actueel zijn en zich blijven aanpassen aan de veranderende behoeften in de samenleving.
Er moet meer aandacht komen voor techniek in de opleidingen. Standaard zouden toekomstige economen en bedrijfskundigen meer blootgesteld moeten worden aan technologische innovaties en in het curriculum moet meer aandacht komen voor technologie in relatie tot economie. Het werk van recente nobelprijswinnaars zoals Philippe Aghion en Joel Mokyr is daarvoor essentieel (Bolt & Inklaar, 2025), maar ook valt te denken aan het werk van de econome Mariana Mazzucato op het gebied van missiegedreven industriepolitiek.
Meer interdisciplinaire samenwerking
Ook zal er meer samenwerking moeten komen tussen economische faculteiten en technische faculteiten. Hier kan gedacht worden aan het opzetten van nieuwe interdisciplinaire opleidingen rond thema’s als de circulaire economie en de energietransitie. Dit kan bij universiteiten zoals Groningen, Maastricht en Twente binnen de universiteit, waar zowel technische als economie en bedrijfskunde faculteiten zijn.
De ontwikkelingen op het gebied van AI gaan razendsnel en hebben een groot effect op hoe studenten onderwijs afnemen en de manier waarop onderwijs wordt aangeboden en kennis wordt getoetst.
Bij andere brede universiteiten, zoals Leiden, Utrecht, de UvA, en de VU, zijn er bètafaculteiten waarmee samengewerkt kan worden. Deze faculteiten hebben vaak in hun opleidingen een meer theoretische benadering, maar er wordt wel degelijk veel aandacht geschonken aan bijvoorbeeld biotechnologie en kunstmatige intelligentie. Smallere universiteiten zoals de Erasmus Universiteit en Tilburg, met juist grote economie- en bedrijfskundeopleidingen, zouden meer samenwerking kunnen zoeken met nabijgelegen technische universiteiten, zoals Delft en Eindhoven. Kortom, Economie en Bedrijfskunde faculteiten zullen uit hun comfortzone moeten stappen om zo antwoorden te geven op de opleidingsbehoeften van de toekomst.
De economie- en bedrijfskundefaculteiten willen concrete stappen zetten door de uitdagingen uit het rapport-Wennink centraal te stellen in hun sectorplannen. Met onderzoek en onderwijs willen zij bijdragen aan maatschappelijke vraagstukken die spelen in het bedrijfsleven en de publieke sector. Daarbij is ook een belangrijke rol weggelegd voor samenwerking met andere disciplines, waaronder rechtsgeleerdheid, bestuurskunde en technische wetenschappen.
De rol van AI in het onderwijs
Wie denkt aan toekomstgericht onderwijs, moet vanzelfsprekend ook denken aan AI. De ontwikkelingen op het gebied van AI gaan razendsnel en hebben een groot effect op hoe studenten onderwijs afnemen en de manier waarop onderwijs wordt aangeboden en kennis wordt getoetst (Leenheer, 2026).
Daarnaast gaat AI voor veranderingen op de arbeidsmarkt zorgen. Het World Economic Forum voorzag in 2025 dat werk in belangrijke sectoren voor afgestudeerden in de Economie en Bedrijfskunde, zoals accountancy of marketing, sterk zal veranderen. Dit wordt ook bevestigd door onderzoek van het CBS, waaruit blijkt dat bedrijven vooral AI inzetten voor marketing, communicatie en bedrijfsadministratie. Een andere trend waar universiteiten al enige jaren mee worden geconfronteerd, en die nog sterker is geworden sinds de COVID-19 pandemie, is de lage opkomst van studenten bij colleges. Door Izak Dekker, lector aan de Hogeschool van Amsterdam, wordt in dit verband wel gesproken van een ‘studeercrisis’, die nog verder wordt verdiept door AI (Dekker, 2026).
De eerste reactie van universiteiten en faculteiten op het grootschalige gebruik van AI is er vooral op gericht geweest om de kwaliteit van de toetsing te garanderen, zodat de waarde van het diploma behouden blijft. Dit betekent voornamelijk dat opdrachten en werkstukken niet met AI mogen worden gemaakt. Met name ten aanzien van de scriptie, het sluitstuk van de studie, leven hierover grote zorgen. Wanneer studenten volop AI gebruiken, is het de vraag welk deel nu echt eigen werk betreft.
De eerste reactie van universiteiten en faculteiten op het grootschalige gebruik van AI is er vooral op gericht geweest om de kwaliteit van de toetsing te garanderen, zodat de waarde van het diploma behouden blijft.
Ook past waarschijnlijk het aantal studiepunten voor de scriptie, dat oorspronkelijk gebaseerd was op zelf uitgevoerd literatuur- en empirisch onderzoek, niet meer bij een scriptie waarvoor sterk gebruikgemaakt is van AI. Ook is er in het verlengde van ontwikkelingen op het gebied van data science en analytics veel extra aandacht voor de methodologische aspecten en toepassingen van AI en specifiek daarbinnen voor machine learning en generatieve AI (o.a. tekst- en beeldanalyse).
Het doceren van Economie en Bedrijfskunde moet in het AI-tijdperk opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het college en de interactie met studenten zullen weer centraal moeten komen te staan. Studenten zijn aanwezig in de collegezaal en werken in een gecontroleerde omgeving, al dan niet met AI, aan kennistoepassing. Creativiteit en het ontwikkelen van sociale vaardigheden worden belangrijker. De student moet worden uitgedaagd om zelfstandig te denken, daarbij eventueel gebruikmakend van AI, om economische en bedrijfskundige problemen op te lossen. Faculteiten kunnen meer inzetten op beleidsvorming, het analyseren van maatschappelijke vraagstukken en het nadenken over effectieve beleidsinstrumenten, in plaats van kennisverwerking en de reproductie van kennis. Hierbij wordt ook contextuele kennis belangrijker, zoals bijvoorbeeld de kennis over de Nederlandse economie en de bijbehorende instituties (Been et al., 2025). Dit biedt mogelijk een antwoord op de ‘studeercrisis’.
Op facultair niveau moet gekeken worden welke studies op de lange termijn nog voldoende toekomst hebben. Als studies studenten opleiden voor beroepen die (in de toekomst) worden overgenomen door AI, is het de vraag in hoeverre je deze studies nog moet aanbieden. Momenteel vinden de meeste studenten Economie en Bedrijfskunde nog snel een passende baan. Maar de vraag is of dit zo blijft bij bepaalde afstudeerrichtingen.
Als studies studenten opleiden voor beroepen die (in de toekomst) worden overgenomen door AI, is het de vraag in hoeverre je deze studies nog moet aanbieden.
Op dit punt zijn er in het bijzonder zorgen bij marketing- en bedrijfskundeopleidingen. Maar ook de econometrie is niet immuun tegen dit soort ontwikkelingen, omdat bijvoorbeeld veel programmeerwerk door AI kan worden overgenomen. De sector zal dus heel goed moeten nadenken over de vraag hoe het opleidingsportfolio er over vijf tot tien jaar uit zal gaan zien en wat dat vervolgens betekent voor de vakgebieden die bestudeerd worden. Dit kan tot gevolg hebben dat het nodig is om drastische keuzes te maken. Bovendien mogen we als economen verwachten dat wanneer de baankansen van bepaalde afstudeerrichtingen dalen en hiermee de economische waarde van diploma’s afneemt, het aantal studenten ook drastisch zal afnemen. Als faculteiten zelf niet kiezen, zal uiteindelijk de markt keuzes voor ons maken.
De toekomst van het Economie- en Bedrijfskundeonderwijs
Het denken over toekomstgericht onderwijs begint met de vraag hoe afgestudeerden straks een bijdrage kunnen leveren aan belangrijke maatschappelijke uitdagingen op het gebied van gezondheid, duurzaamheid, ongelijkheid, digitalisering, en effectieve instituties.
Maar, het denken over de toekomst van het Economie- en Bedrijfskundeonderwijs anno 2026 moet daarnaast ook fundamenteler van aard zijn. In de geest van het werk van o.a. Philippe Aghion en Peter Howitt en daarmee Joseph Schumpeter, moet de sector economie en bedrijfskunde nieuwe richtingen durven in te slaan. Hierbij denken wij aan nieuwe interdisciplinaire en transdisciplinaire samenwerkingen met bijvoorbeeld de technieksector. Dit betekent ook dat de sector moet durven om bestaande opleidingen en onderwijsmethoden te vernieuwen dan wel zelfs op te geven. Als Economie en Bedrijfskunde durven te vernieuwen, dan zullen de studenten die in deze sector worden opgeleid ook in de toekomst van grote betekenis blijven voor de Nederlandse en Europese economie.
Referenties
Been, J., Van Gruisen, P., & Van Vliet, O. (2025). Werkgevers positief over modernisering universitair economieonderwijs. Economisch Statistische Berichten, 110(4852S), 38-42.
Bolt, J., & Inklaar, R. (2025). Nobelprijs economie biedt Europa kritische spiegel. Economisch Statistische Berichten, 110(4852), 566-567.
Dekker, I. (2026). Terug naar de klas: Hoe we de studeercrisis tegengaan. Hogeschool van Amsterdam. Lectoraat Kansrijke Schoolloopbanen.
Leenheer, J. (2026). AI verandert de wereld, het economieonderwijs moet mee. Me Judice, 13 oktober 2026.
Muijnck, S. de, & Tieleman, J. (2024). The state of economics bachelor programs at research universities in the Netherlands. Amsterdam: Our New Economy.
Verhoef, P., Groenen, P., Heijltjes, M., Witteloostuijn, A. van, Bulte, E., Beetsma, R., Vliet, O. van, Kranenburg, H. van, Frijns, B., Brouwer, W., Houtum, G. van, Boudarouk, T., Knoef, M., Marrewijk, C. van, Hassoldt, A., Majoor, B., (2023). De uitdagingen van transitie: Economie en bedrijfskunde – Wetenschap voor duurzame welvaart. Decanen Sector Economie en Bedrijfskunde.
World Economic Forum (2025). Future of Jobs Report. Genève.