AOW + aanvullend pensioen: nivellerend of denivellerend?

AOW + aanvullend pensioen: nivellerend of denivellerend? image
Afbeelding ‘Opa aan het werk 04’ van Krispijn Beek (CC BY-NC-SA 2.0)
In de AOW vindt herverdeling plaats van hoog- naar laagopgeleiden, terwijl in de aanvullende pensioenen een omgekeerde herverdeling plaatsvindt. Per saldo blijkt de herverdeling in de AOW die in de aanvullende pensioenen te domineren, zodat de collectieve pensioenen gezamenlijk nivellerend uitwerken. Verdere verhoging van de AOW- en pensioenrichtleeftijd zal daarom denivellerend uitpakken. Dit is wat nieuw onderzoek van de economen Jan Bonenkamp en Harry ter Rele laat zien.

Herverdeling in collectieve pensioenen

De discussie bij de leeftijdverhoging van de AOW- en pensioenleeftijd richt zich meestal op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en de belangentegenstelling tussen generaties. Veel minder bekend is dat de pensioenregelingen ook gepaard gaan met overdrachten tussen opleidingsgroepen en tussen mannen en vrouwen. Wel is al onderzoek verricht voor beide regelingen apart. Hieruit bleek dat de overheid, o.a. via de AOW, een forse herverdeling bewerkstelligt van hoogopgeleiden, met vaak relatief hoge inkomens, naar laagopgeleiden (zie Ter Rele, 2007). Deze uitkomst weerspiegelt de herverdelende functie van de overheid. Ander onderzoek (zie Bonenkamp, 2009), gericht op de tweede pijler, kwam juist tot een tegenovergestelde conclusie: laagopgeleiden betalen voor de hoogopgeleiden, omdat zij gemiddeld minder lang van hun opgebouwde pensioen genieten, maar gedurende hun werkzame leven wel hetzelfde percentage van het pensioengevend salaris aan premie afdragen. Omdat mag worden aangenomen dat pensioenfondsen geen herverdelende functie hebben, en zeker niet van laag- naar hoogopgeleiden, kan deze uitkomst als ongewenst worden beschouwd. Vanwege die tegengestelde herverdelingseffecten in de eerste en tweede pijler, is het interessant na te gaan of de totale herverdeling in beide pijlers gezamenlijk nivellerend of denivellerend uitpakt. Dit artikel, dat is gebaseerd op Bonenkamp e.a. (2013) en Bonenkamp en Ter Rele (2013), doet dit.

Omvang van de herverdeling

Tabel 1 presenteert het profijt van de uitkeringen, de lasten van de financiering en het netto profijt als percentage van het levensinkomen uit arbeid. Daarbij worden de effecten voor de AOW en pensioenen afzonderlijk gepresenteerd, als ook voor beide regelingen gecombineerd. De cijfers betreffen contante waarden over de levensloop en hebben betrekking op een 16-jarige in 2011 (cohort 1995), de leeftijd waarop de eersten van het cohort toetreden op de arbeidsmarkt en pensioenrechten beginnen op te bouwen. Het netto profijt van de beide regelingen gecombineerd varieert bij de vrouwen van een positieve waarde van 29,6% (van het levensinkomen) voor de laagst opgeleide groep tot een negatieve waarde van 8,5% voor de hoogst opgeleiden (dus een netto verlies). Bij de mannen zijn de verschillen kleiner. Daar varieert het tussen een netto verlies van 6,3% voor de laagst opgeleiden en 12,1% voor de op één na hoogst opgeleide groep. Ook zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen. Gemiddeld hebben mannen een netto verlies van 11%, terwijl vrouwen een netto profijt van 5,8% hebben.

Tabel 1: Netto profijt van de AOW en aanvullende pensioenen over de levensloop (in % bruto levensinkomen)


Laag Laag
middelbaar
Hoog
middelbaar
Hoog Gemiddeld
Mannen
Uitkeringen 19,9 18,6 18,9 20,1 19,3
  AOW 11,8 9,5 8,2 6,2 8,1
  pensioenen 8,1 9,2 10,8 13,9 11,1
Financiering (-) -26,2 -29,4 -31,0 -30,7 -30,3
  AOW -16,6 -18,8 -19,3 -17,1 -18,4
  pensioenen -9,7 -10,6 -11,8 -13,7 -11,9
Netto profijt -6,3 -10,7 -12,1 -10,6 -11,0
  AOW -4,7 -9,3 -11,1 -10,9 -10,2
  pensioenen -1,6 -1,4 -1,0 0,3 -0,8
Vrouwen
Uitkeringen 47,8 35,9 29,2 24,0 30,6
  AOW 41,4 27,8 19,1 10,8 20,5
  pensioenen 6,5 8,1 10,1 13,1 10,2
Financiering (-) -18,2 -18,6 -24,6 -32,5 -24,8
  AOW -10,9 -10,2 -14,7 -20,0 -14,8
  pensioenen -7,3 -8,5 -9,9 -12,4 -10,0
Netto profijt 29,6 17,3 4,6 -8,5 5,8
  AOW 30,5 17,7 4,4 -9,2 5,7
  pensioenen -0,8 -0,4 0,2 0,7 0,1

 

Het verloop van het netto profijt wordt gedomineerd door de AOW. Bij de mannen is sprake van een netto verlies van de AOW die stijgt van 4,7% voor de laagst opgeleiden naar 11% voor de hoogst opgeleiden. Bij de vrouwen is de daling in netto profijt nog veel scherper: van een netto profijt van 30,5% naar een netto verlies van 9,2%. Dit verloop wordt vooral veroorzaakt door de uitkeringen, waarvan het belang afneemt met het stijgen van het inkomen. Dit is vooral het geval bij de vrouwen, waar het profijt van de uitkeringen bij de lage opleidingen erg hoog is omdat het levensinkomen van deze groep, de noemer, erg laag is. De financieringslasten variëren veel minder. Bij de mannen zijn ze zelfs relatief constant.

Bij de aanvullende pensioenen zijn de verschillen in netto profijt veel kleiner dan bij de AOW. In tegenstelling tot de AOW, herverdelen de aanvullende pensioenen per saldo van laag- naar hoogopgeleiden. Tevens vindt er, evenals bij de AOW, herverdeling plaats van mannen naar vrouwen. Deze overdrachten worden veroorzaakt door verschillen in levensverwachting in combinatie met het doorsneepremiesysteem, waarin elke deelnemer dezelfde pensioenpremie en -opbouw heeft als percentage van het pensioengevend salaris.

Verdere verhoging van AOW-leeftijd

Het is niet ondenkbaar dat beleidsmakers in de toekomst besluiten de AOW- en pensioenrichtleeftijd nog verder te verhogen. Een interessante vraag is wat de herverdelingseffecten van een dergelijke maatregel zijn tussen opleidingsgroepen, en hoe dit uitpakt bij de jongere en oudere generaties. Figuur 1 presenteert de herverdelingseffecten van een scenario waarin de AOW-leeftijd na 2021 sneller omhoog gaat dan in het Regeerakkoord van het kabinet Rutte II. We nemen aan dat in dit versnelde pad de AOW-leeftijd in 2060 uiteindelijk een jaar hoger uitkomt dan bij het Regeerakkoord.

Figuur 1: Effect van additionele verhoging pensioenleeftijd op het netto profit van mannen (links) en vrouwen (rechts) in duizenden euro’s

Figuur 1: Effect van additionele verhoging pensioenleeftijd op het netto profit van mannen (links) en vrouwen (rechts)
 

De effecten van dit scenario op het netto profijt zijn het grootst bij de AOW. Voor de 16-jarigen leidt de extra toename in de AOW-leeftijd door de kortere uitkeringsduur tot een lager profijt van de AOW-uitkeringen. Dit lagere profijt is voor alle groepen ruwweg gelijk. Grote verschillen zijn er echter wel in de verminderde kosten van de financiering. Omdat deze kosten inkomensafhankelijk zijn, lopen ze op met de opleiding en zijn ze voor mannen hoger dan voor vrouwen. De cijfers voor het netto profijt laten zien dat onder de 16-jarigen per saldo alleen hoogopgeleide mannen voordeel hebben van de extra toename in de pensioenleeftijd. Voor de lagere opleidingsgroepen wegen de lagere aanvullende financieringslasten van de AOW niet op tegen het extra verlies aan uitkeringen. Bovendien geldt dit sterker naarmate de opleiding lager is. Zodoende pakt de maatregel denivellerend uit.

Figuur 1 laat tevens zien hoe de extra leeftijdsverhoging uitpakt voor de 30-, 50- en 70-jarigen in 2011 (met respectievelijk de geboortejaren 1981, 1961 en 1941). De cijfers geven derhalve het additionele effect weer bovenop de bestaande herverdeling. Voor de 30-jarigen pakt de extra leeftijdverhoging (nog) minder gunstig uit dan voor de 16-jarigen. Hun netto profijt daalt met gemiddeld 2,8 duizend euro voor mannen en 3,5 duizend voor vrouwen tegenover een daling van respectievelijk 0,3 duizend en 2 duizend euro bij de 16-jarigen. De reden hiervoor is dat men ten volle nadeel heeft van de kortere duur van de uitkering, terwijl de periode waarin men profiteert van de lagere financieringslasten korter is. Daarnaast wordt, door het afnemende belang van de inkomensafhankelijke financieringslasten, het verschil in netto profijt tussen hoog- en laagopgeleiden en mannen en vrouwen kleiner. De 50-plussers profiteren van de extra leeftijdverhoging. Zij worden niet geconfronteerd met de verhoging van de pensioenleeftijd, maar hebben wel voordeel van de lagere financieringslasten die naar rato van het bruto inkomen zijn verdeeld. Al met al blijkt de verhoging van de AOW- en pensioenleeftijd binnen alle generaties denivellerend te zijn.

Conclusie

De geschetste bevindingen, die laten zien dat de collectieve pensioenregelingen fors herverdelen van hoog- naar laagopgeleiden en van mannen naar vrouwen, kunnen relevant zijn bij de (toekomstige) vormgeving van de pensioenregelingen. Voor het eerst is de herverdeling van beide pensioenregelingen gezamenlijk beschouwd en daardoor in een breder perspectief geplaatst. Eerder onderzoek dat alleen betrekking had op de aanvullende pensioenen, en liet zien dat daar sprake is van een perverse herverdeling van lage naar hoge inkomens, zou daardoor in een ander licht kunnen komen te staan.

Referenties

Bonenkamp, J., W. Nusselder, J. Mackenbach, F. Peters en H. ter Rele, 2013, Herverdeling door pensioenregelingen, Netspar Design Paper 16, Tilburg.

Bonenkamp, J., en H. ter Rele, 2013, Herverdeling door pensioenregelingen: een integrale analyse van de AOW en de aanvullende pensioenen, TPE digitaal 7(1): 51-65.

Bonenkamp, J., 2009, Measuring lifetime redistribution in Dutch occupational pensions, De Economist, 157, pp. 49-77.

Rele, H. ter, 2007, Measuring the lifetime redistribution achieved by Dutch taxation, cash transfer and non-cash benefits programs, Review of Income and Wealth, 53, 335-362.

Te citeren als

Jan Bonenkamp, Harry ter Rele, “AOW + aanvullend pensioen: nivellerend of denivellerend?”, Me Judice, 27 maart 2013.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.