Echte economen moeten de economische wetenschap redden

Echte economen moeten de economische wetenschap redden image

Afbeelding: Adam Smith on banknote, Toban B., Flickr

8 okt 2015 |
De wereld van economen draait om wiskunde en econometrie. Hoewel wiskunde zijn nut heeft merkt Edin Mujagic dat de economische wetenschap is doorgedraaid en dat dit een allesbepalende factor is geworden om als econoom mee te tellen. Dat leidt niet alleen tot een naar binnen gekeerde wereld, maar zo stelt hij, het leidt ook tot verkeerde analyse en beleid. De ahistorische moderne econoom heeft dringend behoefte aan een flinke dosis geschiedenis en filosofie. Wellicht dat we dan ook weer echte economen tegenkomen binnen de muren van de universiteit.

Modellengrappen

Er bestaan veel grappen over economen. Een ervan luidt: ‘weet u met wie economen het doen? Met modellen.’ Wiskundige modellen zijn heilig in de economenwereld. Met modellen kunnen ze de complexe wereld van economie zeer simpel maken en van alles voorspellen. En dat tot twee cijfers achter de komma nauwkeurig. Daarmee wordt een schijnzekerheid gecreëerd. Met alle gevolgen van dien.

Een student die carrière wil maken als econoom in de wetenschap moet tegenwoordig vooral een wiskundige zijn. Carrière maken als wetenschappelijk econoom kan alleen door veel te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Papers zonder een flinke hoeveelheid wiskunde erin worden echter door de redacties zonder aarzeling afgewezen, vaak zonder de moeite te nemen die papers te lezen. Als er geen wiskunde in voorkomt, kan het toch nooit goed zijn dus is het lezen ervan zonde van je tijd, is de gedachte. Dat is niet zonder gevolgen gebleven: bij een onderzoek onder Amerikaanse studenten gaf een ruime meerderheid aan kennis van wiskunde als onontbeerlijk te zien in de studie van economie.

Wiskunde domineert

Hoewel het nu wel zo lijkt, is die dominantie van wiskundige modellen in de economische wetenschap niet altijd vanzelfsprekend geweest. Miguel Espinosa, Carlos Rondon en Mauricio Romero, werkzaam bij London School of Economics respectievelijk het Internationaal Monetair Fonds en University of California at San Diego, hebben in hun paper ‘The use of mathiness in Economics and its effect on a Scholar’s Academic Career’ in 2012 gekeken naar het gebruik van wiskunde in de economische wetenschap in loop der tijden. Zij hebben gekeken naar de publicaties in de toonaangevende economische tijdschriften. Wat zij ontdekt hebben is dat het gebruik van wiskunde in de economische wetenschap sinds 1944 fors is toegenomen. Andere onderzoekers spreken van een exponentiële toename van het gebruik van wiskunde in de economische wetenschappen sinds 1944. Vóór 1944 vonden ze wiskunde bijvoorbeeld op slechts 3 procent van de bladzijden in American Economic Review, hét wetenschappelijke economische tijdschrift; in 1990 bedroeg dat percentage 40 procent, met de opmerking dat het ook nog ging om zeer ingewikkelde wiskunde. Een ander onderzoek wijst uit dat tussen 1895 en 1905 er in een economisch-wetenschappelijk artikel gemiddeld 4 vergelijkingen in voorkwamen. Tussen 1996 en 2006 lag dat gemiddelde op 70.

Klassieken deden het met woorden

Een lange tijd was de modus operandi onder economen echter een hele andere. Vraag een econoom om het eerste of het belangrijkste economische boek te noemen en de kans is zeer groot dat hij/zij ‘The Wealth of Nations’ van Adam Smith zal zeggen. Dat boek wordt door velen gezien als het startschot van de economische wetenschap, en Smith dus als grondlegger ervan. Maar dat boek wijkt op minstens één manier van alle gangbare economische wetenschappelijke boeken af: bij Smith vinden we geen wiskunde. Anno 2015 wemelt het er juist van bij zijn vakgenoten.

De eerste moderne economen, naast Adam Smith moeten we dan denken aan Jean Bodin, John Locke, Richard Cantilion, David Hume of David Ricardo om de meest bekende te noemen, waren allemaal filosofen en historici. Zij deden dat wat eigenlijk hoort bij economie: ontwikkelingen en verschijnselen, theorieën en waarnemingen beredeneren en omschrijven. Met woorden wel te verstaan.

Verdwazing

Deze verwiskundisering van de economie is geen triviale zaak. Je kunt ook zeggen dat échte economische wetenschap gekaapt is door wiskundigen en econometristen. Het is iets wat ons allemaal aangaat en wel hierom. Een wiskundig economisch model creëert een soort schijnwerkelijkheid, het zorgt voor een kunstmatig beeld van orde, van simpelheid en zekerheid in de economie. Met een wiskundig model kunnen economen immers voorspellingen over van alles en nog wat doen, van economische groei tot de industriële productie, en wel met een ongekende precisie tot twee cijfers achter het komma. Dat geeft de indruk dat de economie in feite simpel is (is niet zo), vrij nauwkeurig te voorspellen is (is ook niet zo) en een zeer ordentelijk proces is (is zeker niet zo) én – en dat is het ergste deel – te sturen is, en zelfs vrij goed te sturen is (fine tuning) door aan verschillende knoppen te draaien.

Is dat erg?

Als wetenschappelijke economen zich zo in hun ivoren torens gedragen en op conferenties ervan genieten met elkaar te praten in een voor anderen haast onbegrijpelijke taal als het over economie gaat, laat ze. Maar… de voorspellingen die economen doen met hun ronkende wiskundige modellen vormen vaak de basis voor het economisch beleid van de regeringen, beleid dat ons allemaal direct raakt. Voor een voorbeeld hoeven we niet ver te zoeken. Enkele weken geleden presenteerde ons kabinet de jaarlijkse Miljoenennota met daarin allerlei beleidsvoornemens. Die zijn gebaseerd op doorberekeningen van de effecten ervan en de voorspellingen over economische groei door het Centraal Planbureau, dat daarvoor wiskundige modellen gebruikt waar je hoofdpijn van krijgt.

Geld speelt geen rol

En als het nou een beetje een succes zou zijn, dat voorspellen met modellen. In werkelijkheid is de voorspellende waarde laag. Waarom? Om te beginnen kan het feit dat geld geen rol speelt in de veelgebruikte modellen een deel van de verklaring zijn. Geld, dat bijna een synoniem is voor economie, speelt dus geen rol in de veelgebruikte modellen. Het is alsof de KNMI het weer zou gaan voorspellen met een model waarin de luchtstromen afwezig zijn. Dat geld de grote afwezige is, komt omdat de economische modellen dan instabiel worden en daar houden wetenschappelijke economen niet van. Dat schopt het eerder genoemde beeld van simpliciteit, zekerheid en orde in de war.

Rationaliteit

Dat de modellen stoelen op aannames die weinig realistisch zijn, om een understatement te gebruiken, kan ook een deel van de verklaring zijn. In een beetje economisch model is de mens bijvoorbeeld altijd rationeel en handelt hij ook altijd rationeel. Als er echter íets is wat de mens kenmerkt, dan is het wel dat het een emotioneel wezen is. Die emotie is echter afwezig in economische modellen (omdat die niet te vatten is in een vergelijking en het model instabiel en waardeloos wordt?), modellen die de werking van onze economieën, dus ons handelen (want dát is de economie) verklaren. Het mooie van aannames, hoe onrealistisch ze ook zijn, is dat wetenschappelijke economen er alles mee kunnen. Een andere mop over economen illustreert dat.

Veronderstel dat…

Een natuurkundige, een scheikundige en een econoom komen vast te zitten op een onbewoond eiland. Zij hebben enorme honger en ineens spoelt er een blik soep aan op het strand. Alleen, omdat ze geen blikopener hebben, zitten ze met het probleem hoe dat blik soep te openen. De natuurkundige stelt voor de blik soep vanuit een boom te laten vallen zodat die open gaat. De scheikundige meent dat ze een vuurtje moeten stoken en die blik soep erin moeten gooien en dan wachten totdat die open knalt. Hij en de natuurkundige beginnen vervolgens een beetje te ruziën over wat de beste aanpak is van die twee totdat de econoom tussen beide heren komt. ‘Jongens, jongens, dat gaat allemaal niet werken, wat we ook kiezen we verliezen de meeste soep. Wat we moeten doen is gewoon aannemen dat we een blikopener hebben.’

Wetenschappelijke economen kunnen met wiskunde, zoals een econoom onlangs schreef, ‘bekend klinkende woorden zodanig herdefiniëren dat ze een onbekende betekenis krijgen, onrealistische aannames maken, aan hypothetische conclusies praktische relevantie verbinden en dat alles zonder te vrezen dat ze ontmaskerd zullen worden, schuilend achter een rookgordijn van wiskundige vergelijkingen’. Tijdens een gesprek dat ik eerder dit jaar had met voormalig Fed-voorzitter Paul Volcker gaf hij een prachtig voorbeeld van deze gewoonte toen hij zei het onbegrijpelijk te vinden dat de huidige centrale bankiers (vaak academische economen, sic!) streven naar 2 procent inflatie per jaar (ruim 20 procent na tien jaar tijd dus) en dat prijsstabiliteit noemen. Volcker sprak van het corrumperen van de taal, wat je ook als het herdefiniëren van de betekenis van woorden kunt noemen.

Waartoe heeft dit alles geleid?

In mijn ogen kan men stellen dat de huidige crisis een van de gevolgen van deze verwiskundisering van de economische wetenschap is. Deze verwiskundisering van de economie heeft, in combinatie met de toenemende populariteit van het keynesianisme sinds, toeval of niet, eind jaren ‘40 van de vorige eeuw, geresulteerd in de dominantie van de op keynesiaanse leest geschoeide economische modellen in de economische wetenschap en daarmee dus bij beleidsmakers. De keynesiaanse theorie en de bijbehorende modellen regeren bij de centrale banken, op de universiteiten en andere economische instellingen wereldwijd.

Politici hadden daar geen enkele moeite mee aangezien keynesianisme onder meer een grotere overheid en structureel roodstaan propageerde, stelt dat de economie te sturen valt door de overheid en gestuurd moet worden anders volgt er chaos. Politici kregen zo een soort wetenschappelijk alibi voor het maken van torenhoge staatsschulden, verregaande regulering van de markten, grote(re) overheden, manipulatie van markten (denk aan de centrale banken, zeker sinds het begin van de huidige crisis). De andere kant op roeien was niet alleen ongewenst maar zelfs gevaarlijk, want de heilige economische modellen lieten zien dat in dat geval de economische groei gevaar loopt. Dus streven naar begrotingsevenwicht of een overschot om met dat positieve saldo de staatsschuld te reduceren, dat was levensgevaarlijk beleid. Immers, de vraag naar goederen en diensten zou dan zakken en daarmee de economische groei ook.

Overladen met schuld

Het gevolg van dit alles is dat wij ondertussen in economieën vertoeven waar de groei vooral op krediet stoelt. De groei van de kredietverlening moet koste wat kost aanhouden want stokt die motor dan volgt meteen een recessie. Alles op alles moet dus gezet worden om kredietverleningsmachine te laten draaien. Het probleem is alleen dat dat model vroeg of laat tegen een muur aanloopt met als gevolg een hevige, diepe en langdurige crisis met langdurige, structurele negatieve gevolgen voor onze economieën.

Niet dat die wetenschappelijke wiskundige economie-modellen dat voorspellen, laat staan zien aankomen trouwens. Maar dat is ook geen probleem voor de echte gelovigen die wiskundige modellen als het Sancta Sanctorum zien. Als die modellen de werkelijkheid niet goed voorspellen, dan is de impliciete conclusie namelijk al snel dat er iets mis is met de werkelijkheid, niet met de theorie en al helemaal niet met de gebruikte modellen. Jaren geleden nam ik deel aan een economische conferentie waar onder meer een paper werd gepresenteerd waarin de auteur gekeken heeft naar de voorspelwaarde van een aantal economische modellen. Hij liet onder meer zien dat zij allemaal de recessie in 2009 misten. De conclusie was echter níet dat de modellen onbruikbaar zijn. Zijn conclusie was dat de modellen nuttig zijn en de reden waarvoor was dat de voorspellingen van de modellen waar hij naar gekeken heeft, niet zo gek veel afweken van de voorspellingen die een grote centrale bank had gedaan met zijn modellen!

Meer van hetzelfde

Het is dan ook geen verrassing wat die modellen voorschrijven wat te doen om de economie recht te trekken, namelijk meer van hetzelfde. Neem het beleid van de centrale banken. De rentes zijn verlaagd naar 0 procent en de geldpersen draaien op volle toeren (we noemen dat met een onschuldige term quantitative easing, nog een voorbeeld van hoe de taal misbruikt wordt) maar het gewenste effect, namelijk economisch herstel, komt maar niet. Toen het duidelijk was dat de eerste ronde van quantitative easing (verder QE) geen zoden aan de dijk zette, lanceerde de Amerikaanse Fed de tweede ronde. En toen die niet werkte, kwam er de derde ronde achteraan. Nu het steeds duidelijker wordt dat de Amerikaanse economie bij lange na niet stevig is hersteld, gaan al geluiden op voor een vierde ronde! In de eurozone is het niet anders.

De ECB verlaagde de rente om de economische groei aan te jagen en toen dat niet werkte…verlaagde de bank de rente verder. Toen dát niet werkte… u raadt het al. Ondertussen zit de ECB met zijn officiële rente op 0,05 procent en de situatie is niet bepaald beter dan enkele jaren geleden. Dan maar QE in gang zetten. Sinds maart dit jaar drukt de ECB 60 miljard euro per maand bij, dat is ruim 23.000 euro per seconde, maar het gewenste effect blijft uit. Gelukkig heeft de ECB dé oplossing daarvoor: meer QE!

Meer overheid als redding

Dat heilig verklaren van de wiskundige economische modellen zorgt ervoor dat we als ‘oplossingen’ voor de huidige crisis pleidooien voor meer overheid krijgen waar de overheid het probleem is om te beginnen. We krijgen pleidooien voor meer centrale planning door de centrale banken, lees nog meer rente- en wisselkoersmanipulatie, waar die centrale banken het probleem zíjn. Wij krijgen pleidooien voor meer greep op de marktwerking waar de overduidelijk zichtbare hand van de overheden vaak het probleem is in de eerste plaats. En als dat allemaal niet blijkt te werken, net zoals QE-beleid, dan is dat volgens beleidsmakers, centrale bankiers en wetenschappelijke economen altijd wel de schuld van iets anders. De vraag stellen of het soms zo kan zijn dat het keynesiaanse recept en de modellen die die recepten voorschrijven niet werken, is vloeken in de economische kerk. Wie aan die modellen twijfelt of die bekritiseert die wordt zo goed als verketterd, net zoals de denkers van weleer die durfden te stellen dat de Aarde rond is en geen centrum van het heelal is maar om de zon draait die daarvoor verketterd werden.

Ahistorische benadering

Het bovenstaande kunnen we ook anders opschrijven, namelijk : wetenschappelijke economen leren niets van het verleden. Dat verbaast op zich niet, de moderne economische wetenschap heeft veel weg van een sekte en zoals bekend is binnen een sekte elke twijfel aan de leer ervan uit den boze. En dat terwijl het in de economische wetenschap heel anders had kúnnen zijn.

Een van de nadelen van die sektarisch-aandoende fascinatie met modellen, keynesianisme en de dominantie ervan in de economische wetenschap, is dat daardoor het belang van economische historie uitgeschakeld wordt. Historie is immers niet in een wiskundig model te gieten en is daarmee bijna per definitie inferieur, onbelangrijk voor de moderne economen. Dat zien we heel duidelijk in ons economisch onderwijs. Daarin is er erg weinig aandacht voor veel andere economische stromingen dan het keynesianisme. Sommige stromingen komen zelfs niet aan bod. Het is heel goed mogelijk dat een student economie zijn studie afmaakt zonder ooit van de Oostenrijkse School, Ludwig von Mises of Friedrich Hayek gehoord te hebben. Ikzelf ben een voorbeeld: als het niet was voor een ouderwetse hoogleraar macro-economie, die niets moest hebben van de wiskunde en fancy economisch onderzoek maar zijn colleges vaak baseerde op wat die dag in het Financial Times stond, had ik er ook gedurende mijn studie waarschijnlijk niet van gehoord (wellicht ten overvloede: die hoogleraar, daar werd door zijn collega’s een beetje op neergekeken want hij had nauwelijks publicaties in de top wetenschappelijke journals).

Verkeerde verwachtingen

Wie economie op het VWO leuk vindt en daardoor besluit een cursus macro-economie te volgen in de hoop daarin over de economische actualiteiten te hebben, erover te praten en die ontwikkelingen te ontleden om erachter te komen wat er gaande is en wat beter kan, komt er al snel achter dat het niet zo in elkaar zit. Zo’n cursus is vaak een aaneenschakeling van wiskundige formules en technieken hoe vergelijkingen op te lossen om bijvoorbeeld een optimale combinatie van belastingen, uitgaven en investeringen te vinden. Studenten economie brengen misschien wel de minste tijd tijdens hun studie met het bestuderen van de economie zelf! Economische geschiedenis of geschiedenis van het economisch denken krijgen ze al bijna helemaal niet, dat vak wordt hooguit als een keuzevak aangeboden. Ik ben ervan overtuigd dat de economengilde de huidige crisis wel degelijk had kunnen zien aankomen als het (meer) aandacht had gehad voor economische historie! In plaats daarvan werden en worden economische studenten, de wetenschappers en beleidsmakers van morgen, bedolven onder wiskunde en statistiek terwijl ondertussen filosofie, de kunst van het beredeneren, overtuigen en economische historie dus niet of nauwelijks aan bod komen. Met als gevolg dat wie een economiestudent vraagt een economisch probleem op te lossen, zal zien dat er meteen wiskunde uit de kast wordt gehaald. De vraag ‘wat leert de historie ons eigenlijk?’ wordt nooit gesteld.

Gekaapte wetenschap

De moderne economische wetenschap is gekaapt door econometristen en wiskundigen die van de economische wetenschap iets willen maken wat die niet is, namelijk een exacte wetenschap, en dat wat die wel is maar weigeren te erkennen, namelijk een gedragswetenschap waar geen ruimte is voor wiskundige modellen. De gevolgen ervan zijn overigens niet alleen gevaarlijk, maar soms ook absurd en duur voor de maatschappij. Neem die tijdschriften waar economen dus moeten publiceren om carrière te maken.

Die artikelen die erin verschijnen leest vervolgens niemand, dat is niemand buiten hun vakgenoten om (die er overigens veel geld voor moeten betalen, sterker nog de universiteit waar een hoogleraar werkt en zijn onderzoek doet waarover hij dan publiceert in zo’n journal moet die artikelen zelf ook kopen en de prijs is torenhoog!). Vervolgens feliciteren de economische wetenschappers elkaar met een goede publicatie, waar vaak maanden aan gewerkt is. Dat laatste heeft minstens één bijzonder onplezierig effect overigens, namelijk dat het heel vaak voor komt dat studenten op de economische faculteiten, ook in Nederland, de internationale toppers nauwelijks zien tijdens hun studie. Zij krijgen nauwelijks les van ze omdat die toppers zo druk bezig zijn om zich vrij te kopen om geen onderwijs te geven en zich te wijden aan het schrijven van wetenschappelijke papers waar ze dus enkele maanden voor nodig hebben! En in veel landen, zoals Nederland, betaalt de belastingbetaler fors voor het schrijven van die artikelen omdat hoogleraren ambtenaren zijn. Artikelen die vervolgens niemand leest en die, als ze gebruikt worden om beleid te ontwikkelen, vaak een middel voorschrijven dat op den duur niet tot genezing maar meer kwalen leidt.

Geschiedenis is geen succesfactor

Niet zo lang geleden stuurde een student een mailtje naar de wereldberoemde Amerikaanse hoogleraar economie Gregory Mankiw ( talloze generaties economiestudenten zijn opgeleid met zijn boeken, letterlijk nu, terwijl u dit leest, bladeren talloze studenten door zijn, vaak verplicht gestelde, boek ‘Principles of Economics’ waarvan miljoenen zijn verkocht, in bijna 20 talen) met de vraag waarom er toch zoveel focus is op wiskunde in de economie. Mankiw, een keynesiaanse econoom, antwoordde hem met onder meer dat ‘je de basiskennis van de economie niet kunt verkrijgen zonder wiskunde te begrijpen’ en dat ‘we wiskunde gebruiken om na te gaan wie slim is’. Met andere woorden, als je de economische geschiedenis bestudeert, kun je onmogelijk de economie begrijpen en alleen iemand die wiskunde gebruikt is slim (en wie economische geschiedenis dus belangrijk vindt is dan per definitie dom). Persoonlijk hecht ik meer waarde aan de woorden van de Spaanse auteur Miguel de Cervantes die de geschiedenis ‘de moeder van de waarheid…getuige van het verleden, voorbeeld en advies voor het heden, waarschuwing voor de toekomst’ noemde of Cicero die niet alleen optekende dat ‘Historia…est lux veritas, vita memoriae, magistra vitae, nuntia vetustatis’ maar ook opmerkte dat wie negeert wat zich afgespeeld heeft voordat hij geboren werd, voor altijd een kind zal blijven.

Geschiedenis van het denken verplicht

Wat dan ook hard nodig is, is zo snel mogelijk filosofie en geschiedenis van het economisch denken verplicht stellen op alle economische faculteiten. Al in het eerste jaar moet het lezen van de werken van Smith en andere economen van het eerste uur verplicht zijn. Waarom? Omdat die eerste economen allemaal filosofen waren, denkers dus, die analyserend en erover nadenkend wilden doorgronden waarom de prijzen stijgen, of dat een goede of een slechte zaak is, een economie wel of niet groeit of de prijs van goed X explodeert terwijl die van goed Y de grond ingeboord wordt. Die vaardigheid moet bij de economen van nu ingeramd worden maar die vaardigheid is in loop der tijd verdwenen. En bij het schrijven van hun scriptie, afstudeerwerkstuk of een proefschrift moeten studenten zich veel meer laten leiden door de principes die de beroemde Britse econoom én filosoof Alfred Marshall in 1906 reeds opstelde: 1) gebruik wiskunde als een soort inkorting van je tekst terwijl je bezig bent, 2) behoud die wiskunde totdat je klaar bent, 3)vertaal vervolgens dat wat je met wiskunde kort hebt gehouden in woorden, 4) verduidelijk dat met voorbeelden uit de praktijk die herkenbaar zijn en tot slot, 5) laat de wiskunde vallen. Als je de vierde stap een onmogelijke opgave vindt, vervolgde Marshall, ga terug en doe de derde stap opnieuw want blijkbaar heb je het niet goed genoeg onder woorden gebracht. De economische wetenschap moet teruggegeven worden aan de economen en moet bevrijd worden uit de wurggreep van diegenen die ervan een exacte wetenschap maken want dat is de economische wetenschap niet. Van economische wetenschap een exacte wetenschap maken heeft absurde en gevolgen.

Echte economen gevraagd

Ik heb eerder in dit stuk genoemd dat als je een econoom vraagt het eerste of het belangrijkste economische boek te noemen of vraagt wie de grondlegger van de moderne economie is, het antwoord bijna altijd ‘The Wealth of Nations’ c.q. Adam Smith zal zijn. Het is ironisch dat Smith, die voor bijna alle economen dus de grondlegger is van de wetenschap waar ze zich mee bezig houden, vandaag de dag met zijn manuscript van ‘The Wealth of Nations’ waarschijnlijk (heimelijk) uitgelachen zou worden door de redacties van wetenschappelijke journals en geen kans op een aanstelling op een moderne economische faculteit zou maken. Zo ver is de economische wetenschap dus gezakt, dat de grondlegger ervan eigenlijk niet voldoet aan de definitie van ‘econoom’. Het is alsof Johan Cruijff niet meer een voetballer genoemd zou mogen worden of Rembrandt van Rijn geen schilder omdat hij heel anders schilderde dan de moderne schilders.

* Dit is een licht gewijzigde versie van het artikel dat eerder verschenen is bij online opiniemagazine Jalta.nl

Naschrift Piet Keizer over “Echte economen moeten de economische wetenschap redden”

Edin Mujagic maakt in zijn aanklacht tegen de moderne economiebeoefening een onderscheid tussen econometristen, waaronder wiskundig economen, en echte economen. Op dit moment heerst de kwantitatieve aanpak, waarbij de economische inhoud het onderspit dreigt te delven. We moeten weer leren om Adam Smith te lezen en de Oostenrijkers, aldus Mujagic Dan zouden we weer in staat zijn om de dagelijkse realiteit een beetje te begrijpen. Twee zaken zijn me bij dit artikel opgevallen, die niet zonder weerwoord kunnen blijven.

In de eerste plaats is het betoog tegen het gebruik van wiskunde erg extreem. Het vak hoort niet thuis in de economie, want ‘economie is geen exacte wetenschap’. Ik ben wel van mening dat er veel meer wiskunde wordt gebruikt dan doelmatig, en dat wiskunde een statussymbool is geworden. Maar in elke wetenschappelijk programma doen zich fasen van ontwikkeling voor, waarin wiskunde en statistische analyse een goed middel is om vooruitgang te boeken.

In de tweede plaats wordt de term ‘keynesiaans’ gebruikt voor zaken, waar Keynes zich niet in zou herkennen. Het keynesianisme zou aan de basis liggen van de wiskundige modellen, die bij de beleidsvoorbereiding worden gebruikt. Het keynesianisme zou een grotere overheid en een structureel rood staan propageren. Hier hoort ook bij dat alles op alles moet worden gezet om de kredietmachine te laten draaien, ter voorkoming van chaos. “De keynesiaanse theorie en de daarbij horende modellen regeren bij de centrale banken, op de universiteiten en andere economische instellingen wereldwijd. Mujagic komt zelfs op de proppen met de ‘keynesiaanse’ econoom Mankiw, bekend van zijn tekstboeken (Mankiw, 2010). In deze boeken wordt de typische neoklassieke interpretatie gegeven van Keynes’ General Theory. Het is alsof we aan het bestuur van Shell vragen wat voor bedrijf Esso is. Het grote nadeel van de wijze waarop Mankiw en de zijnen omgaan met de term ‘keynesiaans’ is, dat lezers denken dat ze Keynes kennen. Daarvoor zullen ze toch eerder te rade moeten gaan bij Keynes zelf en bij de post-Keynesianen.

Ook het beleid van de centrale banken, bekend onder de naam “quantitative easing” (QE), wordt als keynesiaans gezien. Hieruit blijkt dat Mujagic de aan de neoklassieke analyse gelieerde monetaristische theorie niet kent. Met name Milton Friedman heeft het theoretische werk geleverd, dat ten grondslag ligt aan de idee van een QE-beleid. Keynes’ analyse staat hier haaks op. Zijn navolgers (de post-Keynesianen) zijn juist wars van een zware rol van monetaire politiek als wapen tegen depressie.

In de derde plaats koppelt Mujagic de mathematisering en de rol van Keynes in de economische theorie aan elkaar. Dit is echt de wereld opm zijn kop. Keynes was een wiskundige, die juist wars was van een belangrijke rol van zijn vak in de economie. Bekend (in keynesiaaanse kring althans) is zijn artikel in the Economic Journal van 1939, waarin hij zich keert tegen Tinbergen, die zich als een van de eerste econometristen manifesteert (Keynes, 1939).

Uit het voorgaande blijkt waar een gebrek aan kennis van de geschiedenis van het economisch denken toe leidt. Wel moet ik toegeven dat het vak vaak gegeven wordt als een doffe opsomming van theorietjes; van een heldere weergave van een aantal essentiele debatten is vaak geen sprake. Hetzelfde geldt voor het vak economische geschiedenis. Daar wordt echt niet een serieuze behandeling gegeven van de debatten tusssen Keynes, Galbraith en Friedman over de ‘Great Depression’ van de jaren ’30 van de vorige eeuw. Telkens blijkt dat alleen kennis van economische wetenschapsfilosofie, op pluralistische wijze gedoceerd, wetenschappers tot kritische personen opleidt. Mijn boek over multidisicplinaire economie is een poging om orthodoxie en heterodoxie op die basis te vergelijken (Keizer, 2015). Het is een grote ontmaskering geworden van allerhande dogmatismen, waaraan ons kennisveld, inclusief psychologie en sociologie, aan leidt.

Referenties:

Keynes, J.M., Professor Tinbergen’s Method, The Economic Journal, Vol.49, no.195 (September 1939), pp. 558-577.

Keizer, P.K., Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press, 2015.

Mankiw, N.G., M.P.Taylor, Economics, Hampshire, UK: South-Western Cengage Learning EMEA.

Te citeren als

Edin Mujagic, “Echte economen moeten de economische wetenschap redden”, Me Judice, 8 oktober 2015.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.