Het beeld van ‘de arme oudere’ op de snijtafel

Het beeld van ‘de arme oudere’ op de snijtafel image
Afbeelding ‘Henk Krol bij Alt-S IT Security congres’ van Sebastiaan ter Burg (CC BY 2.0)
11 feb 2013 | | 6536 keer bekeken
De ophef over de inkomenspositie van ouderen is groot en het debat wordt tot nu toe beheerst door een strategisch gebruik van feiten door de partij 50Plus. Het gebrek aan nuance ten aanzien van de totale groep ouderen is het meest in het oog springende feit van het huidige debat. Van de kant van kiezers moet men geen heil verwachten dat zij de verhalen van Henk Krol gaan onderzoeken omdat hun kennisniveau ondanks alle krantenberichten laag is: slechts 40 procent van de Nederlanders weet de armoedepositie van ouderen op de juiste waarde te schatten.

Feitenbrij

Het fenomeen fact-free politics heeft zich de afgelopen jaren sterk genesteld in de Nederlandse politiek. De verkiezingen werden gedomineerd door bureaus en kranten die uitspraken van politici tegen het licht hielden, hetgeen soms aardige en verhelderende discussies opleverde. Ondanks deze inspanning van kranten en nieuwsrubrieken heeft Henk Krol de laatste paar maanden alle feitenkrakers van zich af kunnen schudden. Interessant is hoe hij de geloofwaardigheid van statistieken ontkracht om zijn gelijk te bewijzen. Hij ontweek op kritische vragen waarin wordt gesteld dat onder 65-plussers het aandeel lage inkomens het laagst is van alle leeftijdscohorten me de opmerking “Kille rekenmethoden”. En dat het inkomen van 65-plussers gemiddeld hoog is, wordt door hem afgedaan met: “Dat is maar een gemiddelde. Het zal maar net je vader of moeder wezen die daar buiten valt.” In een interview met het Reformatorisch Dagblad (2 februari 2013) antwoordde hij op de vraag “Is het dan zó slecht gesteld met de Nederlandse oudere? Volgens het CBS is het armoederisico onder hen het allerlaagst.”

“Die statistieken kijken altijd naar bezit. Maar daar zit juist het manco: ouderen zitten veelal in een eigen huis dat ze tegenwoordig aan de straatstenen niet kwijtraken. Juist die mensen worden nu van alle kanten gepakt, terwijl ze op papier nog vermogend zijn ook.”

Het gegeven dat politici feiten afkraken dan wel naar hun hand zetten is uiteraard niet nieuw of verrasssend, de vraag is of het beeld dat Krol en anderen neerzetten op een voedingsbodem kunnen rekenen? Of, om het anders te formuleren: hoe bestempelen de ouderen zelf hun inkomenspositie en hoe kijken Nederlanders tegen de inkomenspositie van ouderen aan? En hoe verhoudt dit zich met de feiten zoals officiële instanties als het CBS en SCP deze optekenen?

Koopkrachtervaringen

Hoewel kennis over deze kennis niet bij iedereen voorradig zou zijn, zouden mensen als ze het nieuws gevolgd hadden het antwoord kunnen weten. Op 20 november 2012 kwam het SCP nog uitgebreid aan het woord in de pers op basis van een studie van Soede (2012) waarin overduidelijk werd gesteld dat ouderen de afgelopen decennia er meer in inkomen op vooruit zijn gegaan dan jongeren. Figuur 1 laat op ondubbelzinnige wijze zien hoe 65-plussers de afgelopen twintig jaar er (naar eigen zeggen) op vooruit gegaan zijn. Deze vraag komt tegemoet aan de bezwaren van Henk Krol omdat hier de ouderen zelf aan het woord komen en er niet op technocratische wijze naar bezit wordt gekeken. De ouderen die stellen dat zij (zeer) makkelijk van hun (huishoud)inkomen kunnen rondkomen is gestegen van ongeveer 40 procent in 1991 naar 63 procent twintig jaar later. De groep die (zeer) moeilijk kan rondkomen vertoonde halverwege de jaren negentig een beperkte stijging, maar twintig jaar later is het percentage ouderen in moeilijkheden net zo hoog als aan het begin van de waarnemingsperiode. Onder invloed van de vergrijzing van de bevolking is ook in absolute aantallen sprake van een spectaculaire toename van het aantal 65-plussers dat gemakkelijk rondkomt. Het aantal ouderen dat moeilijk tot zeer moeilijk rondkomt vertoont een veel minder grote stijging.

Figuur 1: Mate waarin oudere leeftijdsgroepen rond kunnen komen van hun inkomen, 1991-2011 (percentages)

Figuur 1: Mate waarin oudere leeftijdsgroepen rond kunnen komen van hun inkomen, 1991-2011

Noot: De vraag waarop deze figuur is gebaseerd luidt: “Hoe goed kunt u rondkomen met het totale netto huishoudinkomen?”. Bron data: Soede (2012) en CBS Statline.

Armoedige ouderen?

Moeilijk rondkomen wil nog niet zeggen dat men in armoede leeft. Om daar grip op te krijgen zal men zijn heil moeten zoeken in diverse maatstaven die ontwikkeld zijn door het SCP en andere instanties. Het SCP vermeldt in het Armoedesignalement 2012 dat de armoede onder 65-plussers aanzienlijk lager is dan onder de jongere leeftijdsgroepen. Op basis van de budgetmethode van het SCP is gekeken wat een huishouden minimaal nodig heeft om niet arm te zijn. Het armoedepercentage voor de gehele Nederlandse bevolking was in 2010 6,5%, voor 65-plussers was dit slechts 2,6%.

Om de armoedepositie duidelijk in beeld te brengen heeft het SCP op basis van CBS-cijfers ook nog eens een onderscheid gemaakt in huishoudens die (langdurig) onder een minimale inkomensgrens leven gemeten naar de leeftijd van de hoofdkostwinnaar van een huishouden (figuur 2). Deze grafiek brengt de nuance aan die in het huidige inkomensdebat nodig heeft. Armoede – zoals gedefinieerd door het SCP – is onder 65-plussers vele malen lager dan onder de jongere leeftijdsgroepen. Gebeurtenissen tijdens de levensloop, zoals scheiding, sterfte, opvoeden kleine kinderen, groeiende uitkeringsafhankelijkheid van oudere werknemers – maken dat de armoede een kans krijgt. Echter het positieve nieuws is dat door pensioenen (AOW en aanvullende pensioenen) de armoede aanzienlijk minder is.

Figuur 2: Huishoudens (langdurig)* onder de lage-inkomensgrens, naar leeftijd van de hoofdkostwinner, 2011 (in procenten, voorlopige cijfers) 

Figuur 2: Huishoudens (langdurig) onder de lage-inkomensgrens, naar leeftijd van de hoofdkostwinner, 2011 (in procenten, voorlopige cijfers)
* Huishoudens met niet alleen in 2011, maar ook in de jaren 2008-2010 een laag inkomen. Bron: SCP, Armoedesignalement 2012.

Stereotype beelden over 65-plussers

Ondanks de publieke verontwaardiging die al snel valt te noteren wanneer de inkomenspositie van ouderen ter sprake komt is het is de vraag hoe ver de feitenkennis in de samenleving strekt. Om die vraag te beantwoorden is in januari 2013 via een steekproef van CenterData een vraag voorgelegd aan een panel van 5646 respondenten, die een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking vormen. De casus en vraag die werd voorgelegd was de volgende “In Nederland leeft een deel van de bevolking van een inkomen dat dicht bij de armoedegrens ligt. In welke leeftijdsgroep denkt u dat de armoede hoger is? Onder ouderen (65-plus), of onder jongere mensen (30-65 jaar)?”

Tabel 1 laat zien dat 40 procent van de respondenten het correcte antwoord geeft. Afgezien van jongeren (15-24 jaar) die vaker dan de andere leeftijdsgroepen het goede antwoord geven, is er geen significant verband met de leeftijd van respondenten. En de geringe samenhang met andere sociaal-economische kenmerken is ook opvallend: het geven van het correcte antwoord heeft niets met opleidingsniveau, geslacht of de eigen inkomenspositie (en de perceptie van de toereikendheid daarvan) te maken. Het beoordelen van armoedepositie in Nederland is daarmee blijkbaar voor de meerderheid van de bevolking een moeilijk vast te stellen feit en daarmee is de relatieve inkomenspositie van ouderen een hardnekkig misverstand.

Tabel 1: Waar is armoede het grootst: jongeren of ouderen? De mening van Nederlanders van verschillende leeftijdsgroepen (percentages)


Leeftijdsgroepen


15-24

25-34

35-44

45-54

55-64

65+

Gemiddeld

Armoede 65-plus hoger

26

34

33

34

32

33

32

Beide groepen even arm

28

26

27

28

29

30

28

Armoede 30-65 jarigen hoger

46

40

40

38

39

37

40

Bron: CenterData, 2013.

Het gebrek aan kennis van sociaal-economische feiten is enerzijds begrijpelijk, omdat het inschatten van een situatie die voor velen geen dagelijkse kost is moeilijk is. Anderzijds, wordt hier geen exacte kennis gevraagd, zoals een percentage of een aantal, maar een ruime inschatting van een inkomensverhouding waarover de feiten redelijk eenduidig zijn en waarover in eind november 2012 nog uitgebreid is bericht in de kranten. Het is mogelijk dat de ondervraagden bij beantwoording van dit type vragen sterk leunen of ingesleten stereotype opvattingen over ouderen die eeuwenlang opgeld deden; ouderen waren arm, eenzaam en hadden gebreken.

Politiek gekleurde verhalen

De feiten weerspreken het beeld en de perceptie van kiezers en sommige volksvertegenwoordigers. Het feit dat mensen geringe kennis van feiten hebben valt nog te excuseren. Dat politici de nuance uit het oog verliezen zodra zij in het strijdperk treden om het publieke belang te verdedigen is begrijpelijk maar ook verwerpelijk. Begrijpelijk omdat een politicus de belangen van zijn achterban vertegenwoordigt en behartigt. Zoals Glaeser (2005) in zijn analyse van opportunistisch handelende politici liet zien moet een politicus de buitengroep in een kwaad daglicht stellen met verhalen, waarbij de impact van die verhalen niet voortkomt uit feiten of de waarheid maar uit herhaling. Als men maar genoeg een verhaal herhaalt dan wordt dit op den duur geloofd.

Er is echter wel een ‘maar’ in dit verhaal. Die ruimte krijgen politici alleen maar als kiezers gewillig naar dergelijke politici luisteren en niet op onderzoek gaan naar de waarheid, bijvoorbeeld door de krant te lezen of uitgebreid in contact te komen met de groep die in het middelpunt van de discussie staat. In een snel individualiserende en complexe samenleving waarin men niet snel in contact komt met andere groepen hebben opportunisten vrij spel. Het maken van tegenwerpingen van concurrerende partijen zoals Samsom (PvdA) in het programma Nieuwsuur, is sympathiek maar zal naar alle waarschijnlijkheid niet veel impact hebben op de groeiende groep aanhangers van 50Plus. De private baten voor een kiezer om een verhaal - dat hun belang ontkracht - te onderzoeken is er eenvoudigweg niet.

Zoek de nuance

Wat overblijft voor wie het debat over de inkomenspositie volgt is de verrassing dat het debat wordt gevoerd met zo weinig nuance, terwijl ook mogelijkheden zijn voor belangenbehartigers om feiten naar voren te brengen die wel kloppen. Henk Krol zou bijvoorbeeld gelijk kunnen hebben als hij zijn vizier richt op de armoede van de groep ouderen van 50-64 jaar omdat daar de kans op armoede relatief hoog is en er onder invloed van de kabinetsplannen voor de arbeidsmarkt niet kleiner op zullen worden. Echter, de discussie gaat bijna uitsluitend over de groep van 65-plussers die met pensioen is en die wellicht pensioenkortingen moeten vrezen en hogere bijdragen in de zorg. Deze somber stemmende gedachten over de toekomst zijn wellicht gerechtvaardigd maar ze laten onverlet dat het recente verleden er een is waarin ouderen grosso modo aanzienlijke verbeteringen in welvaart hebben gezien, maar waarin diversiteit in ervaringen en inkomensposities, net als andere groepen in de samenleving, groot is. Om prinses Maxima te parafraseren: 'de' oudere bestaat niet. Diversiteit biedt uiteraard wel de gelegenheid om de waarheid naar je hand te zetten. Als percentages je gelijk niet aantonen dan zijn er nog altijd de absolute aantallen. Zo kan Henk Krol niet vaak genoeg benadrukken dat zijn mailbox volstroomt met klachten. Wat hij vergeet te vertellen of deze respons groot dan wel klein is. De partij 50Plus heeft bijvoorbeeld 5000 reacties gekregen op haar Meldpunt Koopkracht. Uiteraard is dit een fors aantal maar als men de cijfers van het SCP over ouderen (die moeilijk kunnen rondkomen) vertaalt naar het heden dan had de mailbox van Henk Krol eigenlijk 230.000 à 250.000 klachten moeten bevatten. Door dit soort gedachtekronkels en debattrucs verdwijnt het perspectief op het grotere geheel.

Tot slot

“De Eerste Kamer is belangrijk en de Tweede Kamer is belangrijk, maar de huiskamer is het allerbelangrijkst,” aldus Henk Krol in het programma Pauw & Witteman. En daarmee hebben we wellicht de belangrijkste reden te pakken waarom kennis van de samenleving zo verschillend wordt geïnterpreteerd en uitgevent. Iedere huiskamer is uniek en daarmee heeft het verzamelen van cijfers om zo een beeld van de samenleving te construeren nooit zin. Voor wie de Res publica aan het hart gaat is dat wellicht een nog sombere toekomst dan die Henk Krol zijn achterban voorspiegelt.

Referenties

Glaeser, E.L., 2005, The Political Economy of Hatred, Quarterly Journal of Economics, pp. 45-86.

Soede, A., 2012, Tevreden met pensioen, SCP, Den Haag.

Te citeren als

Harry van Dalen, Kène Henkens, “Het beeld van ‘de arme oudere’ op de snijtafel”, Me Judice, 11 februari 2013.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

In de media
Ontvang updates via e-mail