Rente overal omlaag, behalve bij de belastingdienst

Rente overal omlaag, behalve bij de belastingdienst image
Afbeelding ‘Closing Pressconfrence EU Finance Ministers’ van EU2016 NL (CC BY 2.0)
6 okt 2016 | |commentaar
Het aanslaan van spaarders voor een "forfaitair rendement" van 4 procent heeft het karakter van een onrechtmatige onteigening, stelt Mark Romyn. Terwijl de rente verder zakt, gaat de belastingdienst volgend jaar zelfs met een nog hoger rendement rekenen. In plaats van jaren de tijd te nemen om een ander stelsel voor de vermogensrendementheffing te bedenken, zoals staatssecretaris Wiebes wil, is het nu tijd een direct verband tussen haalbaar rendement en forfaitair rendement vast te leggen.

Hint Hoge Raad

Aan het begin van de zomer gaf de Hoge Raad de belastingwetgever een vriendelijke waarschuwing over de hoogte van het forfaitaire rendement in de Wet op de inkomstenbelasting. De raad oordeelde: “dat als duidelijk wordt dat particuliere beleggers de wettelijke 4% niet meer zonder veel risico kunnen behalen en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, van hem mag worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen” (HR, 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, r.o. 2.5.0). Op dat tijdstip had het parlement al een wijziging in de vermogensrendementsheffing aangenomen die, afgezien van belastbare vermogens tot ca. €100.000, vanaf 2017 het forfaitaire rendement niet verláágt maar juist verhoogt van 4% naar 4,7% of zelfs naar 5,5%.Ook vermogens van minder dan €100.000 zullen straks jaarlijks worden aangeslagen voor (30% van 2,9 is) 0,87%, terwijl een spaarrekening momenteel slechts 0,3 tot 0,5% rente betaalt. Dit resulteert in een effectieve belastingdruk van 170 tot 300% over spaarrente. Prof. Leo Stevens noemde het arrest van de Hoge Raad een gele kaart voor de fiscale wetgever (Stevens, Het Financieele Dagblad, 13 juni 2016).

Eens, 15 jaar geleden...

Bij de invoering van de vermogensrendementsheffing in 2001 achtte de regering het risicovrij haalbare rendement gecorrigeerd voor inflatie maatgevend. Minister Zalm stelde: “De vier procent beoogt te zijn het reële rendement dat je op langere termijn met beleggen risicovrij moet kunnen halen. Dan kom je inderdaad uit bij de staatsobligaties als benchmark, als benaderingswijze van het rendement. We spreken dan wel over reëel rendement en niet over nominaal rendement” (Kamerstukken 26 727 en 26 728, nr. 8).

Op aandringen van de Tweede Kamer onderzoekt Staatssecretaris Wiebes of de vanaf 2017 geldende regeling niet beter kan worden vervangen door een systeem dat – zoals in alle andere landen in Europa - daadwerkelijk behaalde rendementen belast. Uit de brief van de staatssecretaris aan de kamer van 20 september blijkt dat een wetsontwerp tot herziening van de belastingheffing over inkomsten uit vermogen op zijn vroegst in het najaar van 2018 wordt ingediend. Rekening houdend met de door de staatssecretaris genoemde implementatiefase zal een nieuwe wettelijke regeling pas in 2020 of 2021 van kracht zijn.

Onrechtmatig

Dit betekent dat de vorig jaar aangenomen regeling, die is gebaseerd op brutoresultaten van zeer specifieke beleggingscategorieen van soms vele decennia geleden, nog zeker vier jaar zal gelden. Wiebes laat zich kennelijk niet opjutten door de Hoge Raad. Wellicht meent hij dat een belastingdruk van 300% de toets van de rechterlijke kritiek kan doorstaan. De kans is echter niet gering dat het Europese mensenrechtenhof oordeelt dat een belastingheffing die niet uit de inkomsten uit het vermogen zelf kan worden betaald - en die dus het vermogen zelf aantast - als onrechtmatige onteigening moet worden aangemerkt.

Alternatief

In zijn voortgangsrapportage schetst de staatssecretaris een alternatief voor de huidige heffing (“Variant C”), waarin het forfaitair rendement jaarlijks achteraf wordt vastgesteld. Daarmee zou de grote discrepantie tussen forfaitair rendement en daadwerkelijk haalbaar rendement grotendeels worden weggenomen. Deze verbetering had al voor 2017 kunnen worden ingevoerd. Dat de staatssecretaris dat niet deed en nu nog vijf jaar lang niet wil doen hangt samen met het feit dat hij – anders dan in het huidige systeem – onderscheid wil gaan maken tussen verschillende beleggingscategorieen, hetgeen een nieuw stelsel nodeloos gecompliceerd maakt en gevoelig voor arbitrage. Zo rijst bijvoorbeeld de vraag, als je voor aandelen en obligaties verschillende forfaitaire rendementen in aanmerking wil nemen, wat te doen met het rendement op aandelen in obligatiebeleggingsfondsen.

Uitgangspunten Zalm en Vermeend

Eenvoudiger en minder tijdrovend is het om voort te bouwen op de uitgangspunten van het huidige stelsel van Zalm en Vermeend. Daarin is het forfaitair rendement (i) een benadering van het rendement dat belastingplichtigen daadwerkelijk netto kunnen halen, (ii) zonder risico en (iii) gecorrigeerd voor inflatie. Die uitgangspunten kunnen eenvoudig in de wettekst worden omgezet op een wijze die voorziet in een jaarlijkse actualisering. Het percentage voor enig jaar kan worden bepaald op de uitkomst van ((a+b)/2-c) waarin a het gemiddelde rendement is over dat jaar op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank; b het jaarcijfer voor de kapitaalmarktrentevoet van de aan het einde van dat jaar jongste

Nederlandse tienjarige staatsobligatie, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank; en c: de procentuele mutatie van de Consumentenprijsindex over dat jaar zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Op deze wijze beperkt de reparatie zich - binnen het kader van de door de Hoge Raad gegeven waarschuwing - tot een oplossing voor het enige werkelijke probleem waaraan het huidige stelsel lijdt, zonder een poging te doen het wiel van de belastingheffing op inkomsten uit vermogen geheel opnieuw uit te vinden. Met de jaarlijkse aanpassing wordt bereikt dat de belastingplichtige over enig jaar wordt aangeslagen voor het rendement dat in datzelfde jaar ook daadwerkelijk had kunnen worden behaald.

Minder inkomsten

Als gevolg van de sinds 2001 sterk gedaalde rentestand zal dit alternatief wel tot een aanzienlijke vermindering leiden van de opbrengst van de vermogensrendementsheffing. Budgettaire compensatie is niettemin in ruime mate aanwezig nu de lagere rentes op spaarrekeningen en op staatsobligaties waarop de berekening van het voorgestelde forfaitaire rendement is gegrond de keerzijde zijn van de tientallen miljarden euro’s die de staat als debiteur jaarlijks bespaart. De huidige heffing over 4% van het vermogen komt bovendien veelal neer op een heffing die niet is te voldoen uit de opbrengsten van dat vermogen, hetgeen het Europese mensenrechtenhof zeer wel, zoals gezegd, zou kunnen aanmerken als een onrechtmatige onteigening. Dat maakt die heffing weinig “robuust”.

Te citeren als

Mark Romyn, “Rente overal omlaag, behalve bij de belastingdienst”, Me Judice, 6 oktober 2016.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.