Het verleden kan nieuw licht werpen op economische groei nu

Het verleden kan nieuw licht werpen op economische groei nu image
door 'Mark Doliner'
Recent is er een nieuwe versie van het Maddison databestand gelanceerd. Het Maddison Project doet lange termijn onderzoek naar economische- en bevolkingsgroei, met wereldwijde data van nu, maar ook uit het verre verleden. De toenemende kennis over BBP leert ons veel over de oorzaken van versnellingen en vertragingen in het proces van economische groei onder andere gerelateerd aan globalisering. 

Inleiding

Het Maddison Project is uniek. De bron van inspiratie is het werk van Angus Maddison, tussen 1978 en 1997 verbonden aan de RUG, die de bestaande schattingen van de ontwikkeling van BBP en bevolking op het niveau van landen samenbracht in een consistent databestand dat de hele wereldeconomie afdekt. Daarbij integreerde hij het onderzoek dat veelal op het niveau van individuele landen wordt uitgevoerd en schuwde daarbij de lange termijn niet. Na zijn overlijden in 2010 is dit onderzoek voortgezet in het Maddison Project. Tientallen internationale economen en economisch-historici werken voor het project samen, onder leiding van een kleine projectgroep verbonden aan de RUG en de UU. Het project produceert regelmatig een synthese van het onderzoek naar het meten van economische groei van de experts op dit terrein. De schattingen van het Maddison Project, in het bijzonder de periode voor 1914, worden als de standaard gezien en op grote schaal gebruikt in historisch en economisch onderzoek.

Het BBP als concept staat onder druk, maar blijft vooralsnog een belangrijke maatstaf van economische prestaties (performance). Het is niet zonder betekenis dat het BBP per hoofd van de wereldbevolking met een factor 15 is toegenomen tussen 1820 en 2022, en dat het BBP per hoofd van Zimbabwe 3% is van het niveau van dat van de VS – om enkele voorbeelden te noemen. Dat Griekenland, na een diepe val, nog steeds niet naar het niveau van voor 2008 is teruggekeerd, zegt iets. Hoe deze verschillen in tijd en ruimte precies te meten, is een ‘kunst apart’. Vooral het probleem dat relatieve prijzen in de loop van de tijd veranderen, en dat deze tussen rijke en arme landen ook sterk verschillen, zorgt voor hoofdbrekens. De Wereldbank doet veel onderzoek naar de schatting van PPPs (Purchasing Power Parities) van de gebruikte nationale munten die nodig zijn om de BBP schattingen in locale munten te vertalen naar een internationale maat.

De update van het Maddison Project (2023) is gebaseerd op een gedetailleerde vergelijking van drie methoden om dergelijke transformaties te maken, waarbij de oorspronkelijk door Maddison voorgestelde aanpak er als beste uitkwam. Daarmee is het systeem opnieuw geijkt, waarbij ook recente PPP benchmarks nu zijn meegenomen om optimaal gebruik te maken van  de beschikbare informatie. De standaard waarin alles wordt uitgedrukt zijn de internationale prijzen van 2011. En belangrijk, bij elke update wordt nieuw onderzoek naar lange termijn economische groei geïntegreerd. Historische bronnen – zoals de bekende Catasto van 1427 die in Toscane opgetekend werd om een nauwkeuriger vermogensbelasting te kunnen heffen – worden systematisch gebruikt om schattingen van historische nationale rekeningen te maken. Zo is er een fascinerende economisch-historische legpuzzel ontstaan dat een steeds betrouwbaarder beeld geeft van trends in de wereldeconomie in de afgelopen 1000 jaar.

Bevolkingsgroei en covid

De kracht van het Maddison bestand is vooral het samenbrengen van schattingen die ver teruggaan in het  verleden, maar elke update bevat ook nieuwe gegevens voor de meest recente periode. Die data kunnen, bijvoorbeeld, iets vertellen over de wereldeconomie en de wereldbevolking in de jaren na Covid[1]. Covid zie je bijna niet in de bevolkingsstatistieken. De geschatte wereldbevolking nam voor 2020 toe met 1,1% op jaarbasis, wat daalt naar 1% in 2020 en 0,9% in 2021 en 0,8% in 2022. Nergens zien we een spectaculaire krimp van de bevolking, maar dat de groei nu voor het eerst sinds het begin van de 20e eeuw beneden de 1% uitkomt is een significant teken. In de jaren zestig piekte deze groeivoet nog met ruim 2%[2].

Terwijl de bevolkingsgegevens nauwelijks de Covid-schok registreren, is het beeld bij de cijfers van het BBP heel anders.

Het valt op dat de contrasten tussen de wereld-regio’s met betrekking tot bevolkingsgroei steeds verder toenemen. Europa, de Western Offshoots (waarmee Maddison Canada, USA, Australië en en New Zeeland bij elkaar veegde) en meer recent Oost-Azië, laten een vrijwel stilvallende bevolkingsgroei zien. De toename die er wel is, wordt grotendeels verklaard uit immigratie. Daar staat Sub-Sahara Afrika (SSA) tegenover: de bevolkingsgroei is daar met 2,7% nog steeds dicht bij het maximum dat in historische samenlevingen gemeten wordt, en loopt vrijwel niet terug. Tussenposities worden ingenomen door Latijns-Amerika, Zuid- en Zuid-Oost Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Daar neemt de bevolking ook toe, maar met minder dan de helft van het tempo van Sub-Sahara Afrika.

Groeivertraging BBP merkbaar in (bijna) elk land

Overigens betekent het ontbreken van een dip in de bevolkingsgroei niet dat er geen Covid-effect in  de zin van ernstige oversterfte geweest is. Deze is echter niet zo groot dat het opvalt in de ontwikkeling van de totale bevolkingsaantallen. Terwijl de bevolkingsgegevens nauwelijks de Covid-schok registreren, is het beeld bij de cijfers van het BBP heel anders: elke regio in de wereld zag het BBP per capita in 2020 scherp dalen – met uitzondering van Oost-Azië, dat wel een forse groeivertraging liet zien[3]. BBP per hoofd van de wereldbevolking daalde met bijna 4% in 2020, maar herstelde zich het volgende jaar razendsnel (groei 5,3%), om in 2022 weer met een ‘normaal’ tempo van 2,4% toe te nemen. Dit patroon zien we in vrijwel alle werelddelen, met uitzondering van Oost-Europa dat in 2022 weer een nieuwe daling laat zien door de gevolgen van de oorlog in Oekraïne (op vooral de Russische economie). De andere uitzondering is SSA, dat wel een flinke krimp in 2020 laat zien (minus 4,4%), maar daarna zeer beperkt hersteld, waardoor het niveau van voor Covid nog steeds niet overtroffen is. Van de 70 landen die in 2022 een lager BBP per capita hebben dan in 2019, liggen er 25 in SSA.

De kwetsbaarheid van SSA sluit aan bij oudere trends: in SSA was er per saldo geen stijging van het BBP per hoofd na 2015. Het niveau van 2022 ligt nog steeds 2,5% beneden dat van 2015, toen er een eind kwam aan de groeispurt die het continent vanaf circa 1990 had doorgemaakt. Zelfs een land als Zuid-Afrika, dat in het verleden het trekpaard was van de regio, laat vanaf 2013 geen groei van BBP per capita zien. Het gemiddelde BBP per capita van de regio in 2022 is $3.437 (in internationale 2011 dollars), net het dubbele van het niveau in 1910. De kloof met de rest van de wereld is gigantisch (en groeiend): Het BBP pc van SSA was in 1820 nog ongeveer gelijk aan het globale gemiddelde, maar het continent verloor sindsdien onafgebroken terrein: 40% van het globale gemiddelde in 1950 en nog maar 20% in 2000, op welk niveau het heden nog steeds ligt. De groei die er is geweest, is bovendien regionaal geconcentreerd in Zuid-Afrika (dat het BBP pc verzesvoudigde tussen 1910 en 2022) en in enkele olie-producerende landen zoals Angola en Equatoriaal Guinee. Het aantal witte raven – Botswana, Rwanda – is beperkt. De relatie met de alsmaar voortgaande snelle groei van de bevolking in SSA dringt zich natuurlijk op.

Aan het andere eind van het spectrum, onder de rijke OECD-landen, doet zich al geruime tijd een groeivertraging van een geheel ander karakter voor. Deze begon al in 1973, maar is vanaf de jaren negentig ernstiger geworden omdat het meer landen treft. Japan is de ‘moeder van de seculaire stagnatie’ die al na 1990, met het knappen van een grote vastgoed bubbel, begon. Japan is een van de rijke landen waar het BBP pc in 2022 lager is dan voor de Covid-crisis. In West-Europa zijn Spanje, Duitsland, het VK en IJsland in 2022 nog niet hersteld van de epidemie. Op de lange termijn (gemeten over de periode 2000 – 2022) behoren Italië, Spanje, Frankrijk, Italië, Griekenland, het VK en natuurlijk Japan tot de groep van rijke landen die het slecht doen (minder dan 20% groei in 22 jaar; de VS groeide in deze periode met 27,5% in totaal). Het zijn, opvallend genoeg, vooral de Zuid-Europese landen die deel uitmaken van de EMU. De Scandinavische landen, Centraal Europa en de Lage Landen vertonen een grotere toename van het BBP per capita, al verzwakt de groei vooral in Duitsland wel merkbaar tegen het eind van deze periode.

De ongelijkheid op wereldschaal nam gedurende de eerste eeuw van moderne groei sterk toe, maar heeft sinds het ontwaken van China in de late jaren 1970 de neiging terug te lopen, zij het op bescheiden wijze.

China is in termen van economisch groei de grote uitschieter: het verviervoudigde het BBP pc vanaf 2000. India komt daar niet bij in de buurt (toename 182%) en de andere grote Aziatische staat, Indonesië, blijft steken op 138%. In 2022 is het Chinese BBP per capita met $19.238 van 2011 aanzienlijk hoger dan dat van India ($7.766); Indonesië zit daar tussenin met $12.802. Volgens deze schattingen is overigens de race tussen de USA en China om de grootste economie (totale omvang van het BBP) al sinds 2014 beslist in het voordeel van China, dat in dat jaar de USA voorbij streefde[4].

Lange termijn groei tussen 1820-2020

Met de explosieve groei van China en in mindere mate de rest van Azië, ontstond na 1970 een patroon waarbij de landen met lage inkomens structureel sterker groeiden dan de rijke landen. Per saldo versnelde de groei op wereldschaal daardoor niet: de jaren 1960 zijn nog steeds ‘recordhouder’ op dit terrein, met een gemiddelde groei van het wereld GDP p.c. van 3,1% per jaar (jaren 1950: 2,7%), terwijl de groei in de jaren 2000 op 2,9% bleef steken (jaren 2010 ‘slechts’ 1,7%). Ter vergelijking, in de 19e eeuw, toen de groei beperkt was tot het industrialiserende centrum van de wereldeconomie, kwam dit globale groeicijfer niet boven de 1,2% uit. Dit beeld verandert echter als je kijkt naar het naar bevolkingsomvang gewogen GDP (ipv het naar aandeel in het wereld GDP gewogen cijfer). Deze maatstaf beantwoordt de vraag: welke groei ervoer de (gemiddelde) wereldburger. Doordat groei na 1970 zich over een veel breder front afspeelde, was het naar bevolkingsomvang gemeten tempo aanzienlijk hoger en kwam het zelfs na 2000 voor het eerst boven de 4% per jaar uit, om na 2008 weer te  vertragen overigens. In de 19e eeuw was dit andersom: toen groeide het naar bevolking gewogen BBP aanzienlijk minder dan het (naar aandeel in BBP gewogen) wereld BBP. In de periode 1820-1850, toen de ‘convergentieclub’ nog klein was en beperkt was tot West-Europa en de Offshoots, was de groei van het wereld BBP slechts 0,5% per jaar en kwam het naar bevolking gewogen groeicijfer niet boven de 0,2% uit. Groei was dus een proces dat na 1820 geleidelijk als een olievlek over de wereld verspreidde. Niet alle landen profiteerden – met name Afrika bleef grotendeels buiten het proces van ‘moderne economische groei’, door een van de grondleggers van de nationale rekeningen, Simon Kuznets, gedefinieerd als ‘a sustained increase in income per capita’.

De ongelijkheid op wereldschaal (gemeten door de verschillen tussen landen) nam dus gedurende de eerste eeuw van moderne groei sterk toe, maar heeft sinds het ontwaken van China in de late jaren 1970 de neiging terug te lopen, zij het op bescheiden wijze. De meeste economisch-historici benadrukken het ‘unieke’ karakter van het groeiproces van de afgelopen 200 jaar, waar we een enorme toename van materiële welvaart aan danken. Op wereldschaal nam het BBP per capita zoals al opgemerkt met een factor van bijna 15 toe. Deze toename varieerde van ongeveer 20 in het rijke westen en Oost-Azië tot rond 9 in Zuid- en Zuid-oost Azië en nog geen 3 voor SSA. Zelfs in Latijns-Amerika (LA) – een ander continent met regelmatige economische en politieke problemen - was dit nog 14,7. Voor Nederland was deze groeifactor ook ‘slechts’ 16,5 – niet omdat we het slecht doen, maar vooral omdat er in de 17e eeuw een naar internationale maatstaven zeer hoog BBP p.c. gerealiseerd werd. De meeste economisch-historici zien de discontinuïteit rond 1820, toen de industriële Revolutie doorbrak, als kantelpunt in de geschiedenis van de mensheid, want groei voor 1820 was eeuwenlang zeer beperkt geweest.

BBP-groei zegt niet alles

De klassieke verklaring hiervoor, geinspireerd door de groeitheorie uit de jaren 1950 en 1960, is dat technologische ontwikkeling de belangrijkste drijver van dit proces is. De groei van total factor productivity verklaart in deze visie het grootste deel van de toename van het BBP per hoofd. De rol van de groei van productiviteit wordt nog verder geaccentueerd door het feit dat de arbeidsinput in de loop van deze twee eeuwen minder toenam dan de bevolking, door verkorting van de werkweek, vakanties en een latere toetreding tot de beroepsbevolking door het volgen van meer onderwijs. De arbeidsproductiviteit per gewerkt uur nam in de afgelopen 200 jaar misschien wel twee keer zo sterk toe dan de toename van het BBP per capita. Het proces van ‘moderne economische groei’ is een overtuigend bewijs van de enorme toename van de collectieve slimheid van het vermogen goederen en diensten te produceren. De populaire opvatting dat economische ontwikkeling eigenlijk een zero-sum game was, en dat de rijkdom van het westen veroorzaakt werd door de exploitatie van het zuiden, lijkt weerlegd te worden door deze enorme productiviteitswinst die de echte motor van de wereldwijde economische groei was. Dit neemt natuurlijk niet weg dat kolonialisme en uitbuiting op wereldschaal een factor van betekenis zijn (geweest), vooral in de ongelijke verdeling van de groei en in het introduceren van instituties zoals slavernij die groei ernstig belemmerden.

Dat de groeivertraging in het westen begon in 1973 met het plots veel duurder worden van de aardolie, is geen toeval. Met even veel recht kan gesteld worden dat de groei mogelijk werd gemaakt door het claimen van steeds meer ruimte en door het vervuilen van een eens schoon milieu. 

Bij het optimistische beeld van de determinanten van economische groei zijn nog wel meer kanttekeningen te maken. Veel groei bestond uit de vervanging van dure arbeid door goedkope energie – steenkolen in het stoomtijdperk, olie en aardgas daarna, en had misschien meer het kenmerk van een wandeling langs een meta-productiecurve (met arbeid en energie als ultieme inputs) met maar beperkte winsten in termen van totale productiviteit. Dat de groeivertraging in het westen begon in 1973 met het plots veel duurder worden van de aardolie, is geen toeval. Met even veel recht kan gesteld worden dat de groei mogelijk werd gemaakt door het claimen van steeds meer ruimte (ten koste van ‘ruimte voor de natuur’, dus biodiversiteitsverlies), en door het vervuilen van een eens schoon milieu. Misschien is de seculaire stagnatie van de afgelopen jaren wel verbonden met het feit dat de grenzen aan de groei vooral bij de eerste pioniers van dit proces in de 19e eeuw in zicht beginnen te raken (of al ver overschreden zijn). En toch is de mensheid de afgelopen 200 jaar veel slimmer en veel geleerder geworden, en zijn de technologische mogelijkheden exponentieel gestegen. Of we die kwaliteiten ook voldoende kunnen mobiliseren om een transitie naar een echt duurzame vorm van ontwikkeling te realiseren, zal moeten blijken.

Stagnatie en groei voor 1820

De afgelopen 50 jaar hebben economisch-historici ook veel onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van inkomen en productie in de pre-industriële periode. Bronnen om de historische nationale rekeningen voor deze periode te reconstrueren zijn schaars, maar dankzij de inspanningen van de zich ontwikkelende staten om belastingen te heffen, is er toch verrassend veel kwantitatieve informatie beschikbaar, wat reconstructie van groeitrends en economische structuren mogelijk maakt. En voor sommige jaren of perioden – is er zoveel informatie dat schattingen van de hoogte van het BBP gemaakt kunnen worden. Holland in 1514 is zo’n benchmark, dankzij de bekende ‘Informacie’ van dat jaar, een vrijwel alles omvattende enquete naar de toestand van de Hollandse economie en samenleving. Het Engelse Domesday book van 1086 en de Toscaanse Catasto van 1427 zijn andere voorbeelden. Dit beperkt zich niet tot West-Europa: China en Japan kenden bureaucratische tradities die nog verder terug gaan in de tijd. De boekhouding die de VOC aanhield in de Kaapkolonie leverde data op over vrijwel alle aspecten van de economie van dat deel van de wereld. In het Maddison project worden al deze studies bij elkaar gebracht in een samenhangend kader, waarmee de ontwikkeling van het BBP per hoofd van grote delen van de wereld tussen 1000 en 1820 in beeld gebracht kan worden. Het maken van schattingen voor de wereld als geheel is daarbij niet mogelijk – gezien de grote gaten in beschikbare informatie – en bij alle schattingen moet met forse marges rekening gehouden worden, maar toch is geleidelijk een goed beeld ontstaan van economische ontwikkeling in deze lange periode.

We zijn dan wel in een heel andere wereld terecht gekomen. Economische groei is nu de uitzondering, en landen laten op de lange termijn op zijn best stabilisatie zien. Spanje heeft in 1277, wanneer de eerste schattingen beschikbaar zijn, een even hoog BBP pc als in 1800 (van $1.330 dollars); er zijn wel flinke fluctuaties waarneembaar, vooral de 16e eeuw laat aanzienlijk hogere niveaus zien, maar over een periode van ruim 500 jaar is de lijn horizontaal. Tussen 1500 en 1820 groeit het BBP per hoofd van Frankrijk met 8%, Duitsland met 16%, blijft België gelijk, terwijl Polen een krimp van 13% en Zweden zelfs van bijna 20% laat zien. Italië is in de late Middeleeuwen het rijkste land van Europa, met een BBP per hoofd dat er boven uitsteekt ($2.530, dus bijna het dubbele van het Spaanse niveau), maar stagneert op dat hoge niveau. De groei concentreert zich vrijwel geheel in het Noordzeegebied, waar Holland vanaf 1350 aan een opmars is begonnen die leidt tot een toename van $1.400 in 1348, $2.332 in 1500 naar $4.270 pc in 1600[5]. Zo mogelijk nog interessanter is de groeicurve van Engeland, dat net als Nederland een spurt maakt in de 50 jaar na de Zwarte Dood van 1348 (van circa 1.200$ naar 1.800$ pc), dan even stil staat maar vanaf de tweede helft van de 17e eeuw begint aan een versnelling die naadloos overgaat in de moderne economische groei van de 19e eeuw. In de late 18e eeuw haalt het UK Nederland in, en als in 1815 de eerste nationale schattingen van Nederland beschikbaar komen, is het UK met $3.300 duidelijk Nederland met $3.000 pc voorbij gestreefd.

Tegenover de opkomst van het Noordzeegebied staat stagnatie zo niet achteruitgang in de grote staten van Eurazië die voorheen de centra van de wereldeconomie waren. Nieuw onderzoek heeft met name de groeicurve van China in enige detail blootgelegd. Lang was dit vermoedelijk het meest ontwikkelde deel van de wereld met, in de 15e eeuw, een BBP per hoofd van zo’n $1.400 tot $1.500. Dat is minder dan Italië, maar vergelijkingen met de veel kleinere staten in West-Europa gaan een beetje mank want China was in zekere zin een continent op zichzelf, en het meest ontwikkelde deel ervan, de Yantze-delta, zal een aanzienlijk hoger inkomensniveau gehad hebben. Hoewel met grote fluctuaties bleef dit niveau tot 1700 min of meer stabiel, maar in de 18e eeuw nam het BBP veel minder snel toe dan de bevolking, en daalde BBP per hoofd van $1.406 in 1710 naar $900 in 1810, waarna er enig herstel volgde in  de 19e eeuw. India laat een veel meer geleidelijke achteruitgang zien, maar ook daar daalt het BBP per hoofd van $1.264 in 1600, $1.033 in 1800, tot $947 in 1850. Alleen Japan laat een tegenovergesteld beeld zien, van heel geleidelijke stijging van het BBP per hoofd in de eeuwen voor 1800 ($867 in 1450 naar $1.317 in 1800).  Zo lijken trends in de periode voor 1800 al te preluderen op de ‘grote divergentie’ die zich in de 19e eeuw zou voordoen.

Slot

Wat veroorzaakte de eeuwenlange stilstand in de periode voor 1800, en waarom wist het Noordzeegebied daaraan te ontsnappen? Waarom deed zich rond 1820 zo plots een omslag voor en ontstond een proces van moderne economische groei dat zich zou uitbreiden over vrijwel de hele wereld? Wat verklaart de ‘andere’ ontwikkelingslijn van SSA? Waarom raken steeds meer landen in een proces van seculaire stagnatie? Het aantal vragen dat over deze lange termijn trends in de wereldeconomie gesteld kan worden, is schier eindeloos. Het Maddison project beantwoordt deze vragen niet, maar biedt een instrument aan om grip te krijgen op deze trends. We zijn ons bewust van de beperkingen van BBP, en hebben in samenwerking met de OECD veel geïnvesteerd in het ‘How was Life?’ project gericht op de verzameling en standaardisatie van andere performance criteria. Dat onderzoek liet overigens zien dat ook als een groot aantal indicatoren van ‘brede welvaart’ in de analyse wordt betrokken, het BBP een centrale rol blijft spelen. Historische nationale rekeningen hebben het mogelijk gemaakt om de evolutie van de wereldeconomie systematisch in kaart te brengen. Het Maddison project zal dit de komende jaren blijven doen.

Voetnoten


[1] De bevolkingsschattingen van het Maddison-project dekken niet de hele wereldbevolking af – de data betreffen de 169 grootse landen, dus mini staatjes als Monaco, Vaticaanstad en Tivalu zijn er niet in opgenomen. Hierdoor zijn de schattingen een paar procentpunten te laag, maar de ‘big picture’ is wel duidelijk.

[2] Waar deze piek precies valt, hangt af van de inschatting van de timing en de omvang van de grote hongersnood in China die werd veroorzaakt door de Grote Sprong Voorwaarts.

[3] Deze schattingen zijn sterk afhankelijk van de officiële Chinese cijfers, die vaak te optimistisch zijn; voor eerdere perioden is vastgesteld hoe groot die overschatting was, en is daarvoor gecorrigeerd in deze update; dergelijk onderzoek voor recente jaren is nog niet afgerond.

[4] Momenteel zou de Chinese economie bijna 40% groter zijn dan die van de VS.

[5] Dit beeld is wel vertekend omdat van Nederland alleen van de meest ontwikkelde regio, Holland, schattingen beschikbaar zijn.

Literatuur

Bolt, Jutta, and Jan Luiten Van Zanden. "Maddison‐style estimates of the evolution of the world economy: A new 2023 update." Journal of Economic Surveys, 2024, 1-41.

Maddison, Angus. The World Economy. A Millennial Perspective. OECD, 2006.

van Zanden, J. L., Baten, J., d’Ercole, M. M., Rijpma, A., Smith, C., & Timmer, M. P. How was Life? Global well-being since 1820. OECD, 2014.

van Zanden, J. L., d’Ercole, M. M., Malinowski, M., & Rijpma, A. How Was Life? Volume II: New perspectives on global inequality throughout history. OECD, 2021.

Te citeren als

Jan Luiten van Zanden, Jutta Bolt, “Het verleden kan nieuw licht werpen op economische groei nu”, Me Judice, 21 mei 2024.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
door 'Mark Doliner'

Ontvang updates via e-mail