Inleiding
Kan het nóg goedkoper in de zorg? De onderhandelingen voor de vorming van het nieuwe Kabinet zijn volop bezig, maar boven de zorgsector pakken er donkere wolken samen. Als D66, VVD en CDA hun programma’s uitvoeren, ontkomt de sector niet aan forse bezuinigingen (CPB, 2025). Om dit te legitimeren stellen politici dat de zorguitgaven onhoudbaar groeien, veel sneller dan de economie.
Maar deze stelling wordt inmiddels al zo’n vijftien jaar bestreden door de feiten. Volgens OECD-cijfers (2025) groeien de uitgaven per inwoner in ons land, in tegenstelling tot andere landen, al een aantal jaren nauwelijks. De CPB-ramingen (2025), de facto historische tijdsreeksen van groei, tonen ook een dalende tendens: voor 2008-2011 voorspelde het CPB een groei van 4,1% (bij ongewijzigd beleid), nu is dat voor 2027-2030 nog 3,1%.
Als D66, VVD en CDA hun programma’s uitvoeren, ontkomt de sector niet aan forse bezuinigingen. Om dit te legitimeren stellen politici dat de zorguitgaven onhoudbaar groeien. Maar deze stelling wordt inmiddels al zo’n vijftien jaar bestreden door de feiten.
De werkelijke uitgaven lagen bovendien steeds fors onder deze percentages (Pomp, 2025), de cumulatieve onderschrijdingen sinds 2012 bedroegen ongeveer 20 miljard euro. Dit komt vooral door lager dan verwachte uitgaven bij de geneesmiddelen en thuiszorg. De sectoren waarvan beleidsmakers telkenmale zeggen dat ze kostengroei willen beheersen, zoals de ziekenhuizen en tot recent ook de verpleeghuizen, overschrijden juist met enige regelmaat hun budgetten (Jeurissen en Maarse, 2021; Begrotingen Ministerie van VWS).
“Goedkoop” bleek in het verleden “duurkoop”
Met een besparing van ongeveer zeven miljard per jaar zal de budgettaire groei van de zorgkosten afnemen tot minder dan 2,5%. Omdat hieruit ook de salarisstijgingen betaald moeten worden, is er hooguit 1,5% beschikbaar voor meer en betere zorg (kwaliteit), het laagste percentage sinds D66 minister Els Borst in 1994 aantrad met de opdracht de groei van de zorg te beperken tot 1,3%. Met de kennis van nu bleek dat de start van een lange periode van jaarlijkse miljarden overschrijdingen die zouden oplopen tot 27 miljard in 2012 (Jeurissen, 2016) én ook van groeiende wachtlijsten: de toegestane groei bleef achter de voorspelde toename van de zorgvraag en Borst had bovendien, mede met het oog op de kostenbeheersing de productieprikkel uit de specialistenhonoraria gehaald (Mot, 2002).
De sector wees keer op keer op de noodzaak van meer geld om de wachtlijsten op te lossen en de kwaliteit te verbeteren. Een poging om in 1998 met meerjarenafspraken bestuurlijke rust te creëren mislukte. De in de ogen van de kiezer “tekortschietende” zorg ontwikkelde zich tot een politieke topprioriteit. Na een rechtszaak die het recht-op-zorg bevestigde reageerde de politiek door met “boter-bij-de-vis” helikopter geld over de zorg uit te storten. In 2002 was de uitgavengroei bijna tien procent (Companje et al, 2021).
Als het gat tussen de zorgvraag en de beschikbare budgettaire ruimte te groot wordt ontstaat het gevaar dat deze zorgkloof uiteindelijk met “rente” dient te worden terugbetaald.
Wij pleiten voor zorgbudgetten die aan de objectieve groei van de zorgvraag en aan de dynamiek van de zorgverlening zijn gekoppeld. Het risico van het almaar verder knijpen in de budgetten in een periode van snelle vergrijzing mondt onvermijdelijk uit in stagnatie, oplopende wachtlijsten en een door de burger ervaren toename van de ziektelast. Omdat de kiezer goede zorg erg belangrijk vindt zullen deze problemen leiden tot politieke turbulentie. Het risico is dan dat men wederom de geldkraan wagenwijd open moet zetten (op een later moment). Op termijn zal ook de schatkist hier niet bij gebaat zijn. Als het gat tussen de zorgvraag en de beschikbare budgettaire ruimte te groot wordt ontstaat het gevaar dat deze zorgkloof uiteindelijk met “rente” dient te worden terugbetaald.
Het nieuwe Kabinet zal wederom inzetten op meer doelmatigheid
De zorgsector staat op het menu van de onderhandelaars van VVD, D66 en het CDA. Net als al haar voorgangers zetten zij in op bezuinigen zonder dat dit ten koste mag gaan van de kwaliteit of noodzakelijk zorg: doelmatigheid. Het gesternte daarvoor staat echter ongunstig. Op de eerste plaats is er de afgelopen vijftien jaar behoorlijk bespaard waardoor de “rek” er in sommige sectoren uit lijkt te zijn. We kunnen denken aan de openbare apotheken, maar ook de kapitaalinvesteringen lopen al sinds jaar en dag terug en dit is een belangrijke reden dat veel instellingen nog een kleine positieve marge op de exploitatie weten te behalen.
Ten tweede is het moeilijk je een scenario voor te stellen waarin de zorgvraag niet behoorlijk stijgt: niet tegenstaande alle hoge verwachtingen van minder zorg door passende zorg is er over tien jaar toch gewoon meer zorg nodig. Deze zorg wordt bovendien complexer doordat patiënten vaker meerdere aandoeningen hebben.
Vanuit het axioma van de brede welvaart (Hal en Jones, 2007) is het, ten derde, verontrustend dat de groei van de levensverwachting in ons land achterblijft bij veel andere Europese landen (Global Burden of Disease Europe Life Expectancy Collaborators, 2025). Extra zorguitgaven dragen zeer waarschijnlijk bij aan de levensverwachting (zonder beperkingen) (van Baal et al, 2013). Door dit alles lijkt het geitenpaadje van meer doelmatigheid - momenteel verpakt als passende zorg – erg smal geworden. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2021) stelde dan ook in haar rapport over houdbare zorg dat meer doelmatigheid weliswaar nodig is, maar niet afdoende om dit vraagstuk op te lossen.
De tijd van makkelijk bezuinigen lijkt voorbij
Het koord waarop de zorgsector momenteel balanceert is dun geworden. Wat te doen? In verschillende verkiezingsprogramma’s wordt gepleit voor hogere eigen bijdragen en het bevriezen van het basispakket, maar vooral die laatste maatregel is op grote scepsis gestuit. Andere voorstellen: de medisch specialisten komen in vaste loondienst en stevige kortingen op de universitaire medische centra en de medische vervolgopleidingen. Voor de langdurige zorg wordt gehint op omvangrijke bezuinigingen, die kunnen oplopen tot maar liefst 2,1 miljard.
Het enige waar men het van links tot rechts over eens lijkt, is het belang van meer preventie, maar de gedachte dat hiermee een kostenproblematiek van miljarden kan worden opgelost is illusoir.
Het enige concrete voorstel om de ouderenzorg doelmatiger te maken – het benchmarken van zorginstellingen – is de afgelopen jaren niet van de grond gekomen en wordt door zowat alle partijen bekritiseerd. Wat resteert is drukken op de tarieven voor de verpleeghuiszorg en het inzetten op meer zelfredzaamheid, maar dat is niet zonder risico’s voor de kwaliteit. Het enige waar men het van links tot rechts over eens lijkt, is het belang van meer preventie, maar de gedachte dat hiermee een kostenproblematiek van miljarden kan worden opgelost is illusoir. Bovendien neemt de prevalentie van overgewicht, een belangrijke determinant van toekomstige zorgvraag, ondertussen nog steeds toe.
Vier inhoudelijke vraagstukken belemmeren de betaalbaarheid van zorg
Sommige delen van de zorg groeien (veel) sneller dan andere, zonder dat hier altijd een objectieve groei van de vraag aan ten grondslag ligt. Budgettair is een inhoudelijke aanpak van deze groeiers het meest interessant voor een betaalbare zorg. De grootste groeiers richting het jaar 2050 zijn artrose, dementie, diabetes, huidkanker en in bredere zin het hebben van meerdere chronische aandoeningen (multimorbiditeit) (RIVM, 2024). Dit zal een groter beroep doen op de generalistische- en meer basale medisch-specialistische zorg en de uitdaging is dan ook om deze zorg veel productiever te leveren, zodat professionals tijd per behandeling weten te winnen, bijvoorbeeld door de toepassing van AI.
Wij zien vier grote vraagstukken die, mits effectief door een nieuw Kabinet aangepakt, de zorg betaalbaar en houdbaar houden zonder grote negatieve effecten voor de kwaliteit. De gemeenschappelijke noemer van deze vraagstukken is bovendien dat de “politiek” nodig is om ze succesvol te adresseren.
Ten eerste, Nederland beschikt over de duurste langdurige zorg ter wereld, maar is minder vergrijsd dan veel andere ontwikkelde landen. Het aantal diagnoses dementie zal tot 2050 verdubbelen tot een half miljoen Nederlanders. De kosten voor de langdurige zorg zijn sinds 2015 al verdubbeld. Deze zorg wordt gekenmerkt door een omvangrijk pakket arrangementen, met een van de hoogste percentages verpleeghuisbewoners in de wereld en een scala aan collectieve gefinancierde vormen van ondersteuning en hulp. Strenger afbakenen wie, niet alleen op basis van zorgvraag, maar ook afhankelijk van inkomen en sociaal netwerk, recht heeft op collectief gefinancierde is nodig. Denk dan aan het volledig pakket thuis (VPT) en het persoonsgebonden budget (PGB) waarmee met veel publiek geld en een voor hogere inkomens bijzonder lage eigen bijdrage, zorg op maat in kleinschalige woonvormen wordt aangeboden. Het gebruik van deze regelingen groeit razendsnel met als bijvangst een “risicoloos” verdienmodel voor commerciële partijen die bovenop een door het collectief gefinancierd deel, extra kunnen verdienen aan allerlei hieraan gekoppelde services. Zonder limiteren van dit type regelingen is geen betaalbare langdurige zorg mogelijk. De politiek moet kiezen voor sobere langdurige zorg en hogere eigen bijdragen; de eigen bijdragen voor de zorg thuis van de hogere inkomens moet gelijk worden getrokken met die voor het verpleeghuis.
Ten tweede. Beleid moet zich concentreren op waar er te veel vet op de botten is gekomen. De budgetten van de grotere ziekenhuizen groeien sneller dan van de kleinere ziekenhuizen. In Nederland is ook in internationaal perspectief een grote derde lijn ontstaan met daarin, behalve de zeven UMCs, tientallen topklinische- en categorale ziekenhuizen en bijna honderd top ggz-afdelingen. Hoe belangrijk de derde lijn ook is, de groei van de vraag zit met name in de meer aardse (medisch-specialistische) basis- en reguliere zorg en die is relatief minder ruimhartig bedeeld. Grote instellingen in de derde lijn beschikken over marktmacht en zijn beter in staat hun budgettaire belangen te behartigen bij verzekeraars. Naar analogie van de toch redelijk succesvolle prijsafspraken van dure geneesmiddelen zou de inkoop hier meer moeten worden gecentraliseerd onder een stringent budgetplafond.
Beleid moet zich concentreren op waar er te veel vet op de botten is gekomen.
Ten derde. De meeste ziektelast concentreert zich bij mensen met meerdere chronische aandoeningen. Deze groep groeit snel, maar komt vervolgens terecht in een gefragmenteerd zorglandschap waarin de specialisatie zich steeds verder doorzet waardoor integrale zorg in de knel komt en de afstemmingskosten automatisch toenemen. Kleinere ziekenhuizen en brede gezondheidscentra kunnen voor de doelmatige zorg van deze groep patiënten een belangrijke rol spelen, maar werken met relatief krappe kaders. Beschikbaarheid van integrale en geavanceerde diagnostiek is van groot belang voor een goede behandeling van deze patiënten. OECD onderzoek schat dat momenteel zo’n 15% van alle diagnoses incorrect is en dat hiermee 17,5% van de zorgkosten is gemoeid. In potentie kan betere diagnostiek de zorguitkomsten sterk verbeteren en veel middelen besparen (Slawomirski et al, 2025). Nodig is een infrastructuur van zorgaanbieders, anderhalvelijnscentra en kleinere ziekenhuizen die én goede diagnostiek én holistische zorg voor deze patiënten kunnen leveren, maar deze instellingen missen veelal de investeringsautonomie om dit op eigen kracht te kunnen financieren. De overheid zou een investeringsagenda in deze richting dienen te faciliteren.
Ten vierde, de regeldruk. De indirecte kosten belopen tussen de 25% (verpleeghuizen) en 50% (UMCs). Daarbovenop komen nog de kosten voor het laten draaien van het zorgstelsel, zoals het ministerie, allerlei bestuurs- en uitvoeringsorganen, verzekeraars en zorgkantoren etc. Er zijn bovendien voor enkele miljarden per jaar (semi)frauduleuze zorgdeclaraties, de aanpak hiervan werkt volgens de Algemene Rekenkamer (2022) in de praktijk niet of nauwelijks. De tendens van dit alles is stijgend. Wat misschien nog meer verontrustend is, is dat de toenemende institutionele verdichting sterk conserverend werkt en noodzakelijke veranderingen tegenhoudt of in ieder geval vertraagt. De extra kosten voor de uitvoering van al die regels voor worden nauwelijks meegewogen en het personeel om eraan te voldoen ontbreekt. Het schrappen van overbodige regels biedt slechts tijdelijk soelaas omdat er steeds nieuwe bijkomen. Om die reden is vooralsnog ook nog niet duidelijk of technische oplossingen zoals het gebruik van artificiële intelligentie voldoende soelaas zullen bieden. De aanpak van dit probleem moet zich toespitsen op de diepere oorzaken van de toename van de regeldruk: 1) de doorgeschoten complexiteit van het zorgaanbod, bijvoorbeeld bij de grote ziekenhuizen, wordt ‘beheerst’ met steeds meer regels; 2) gebrek aan standaardisering bij zo’n beetje alle (verantwoording)processen; en 3) gebrek aan (toegang tot) goede informatie en uitwisseling van (klinische) gegevens. De sector lijkt niet in staat dit zelf op te lossen. De ‘verplichte’ registraties worden soms wel erg volgzaam aangeleverd en de sector mist stevige regie en sturing door een derde partij en zonder daadkrachtig optreden van de overheid zal de regeldruk alleen maar verder toenemen.
Groot onderhoud zorgstelsel is nodig
Een slotvraag is of voor uitvoering van deze agenda ook groot onderhoud van het zorgstelsel nodig is. Twintig jaar na de invoering van de Zorgverzekeringswet en tien jaar na invoering van de Wet langdurige zorg menen wij van wel. De nadruk op samenwerking en regie begint steeds meer te knellen met de uitgangspunten van het stelsel. De hierboven genoemde vier vraagstukken kunnen niet worden aangepakt zonder meer effectieve en sterkere politiek en publiek bestuur.
De zorg staat aan de vooravond van een grote transformatie en veel instellingen hebben de eerste stappen ook al gezet. Disruptieve technologieën zoals robotica, minimaal invasieve behandelingen, digitale zorg, genomics en artificiële intelligentie zullen de zorg vergaand veranderen. Beloftes over gepersonaliseerde zorg met accurate diagnoses, betere uitkomsten en zorg onafhankelijk van plaats en tijd lijken haalbaar. Het huidige honderd jaar oude landschap met ziekenhuizen, verpleeghuizen en kleine praktijken dient dan wel fundamenteel te veranderen. Het grote financiële risico bestaat eruit dat de kosten hoog zullen oplopen, als men naast de opbouw van het “nieuwe” ook het “bestaande” in stand houdt en allerlei budgettaire vangnetten spant. Voor dat laatste zal ongetwijfeld stevig worden gelobbyd. Een Kabinet dat hieraan toegeeft zal geen betaalbare zorg achterlaten.
Referenties
Algemene Rekenkamer (2022), Een zorgelijk gebrek aan daadkracht. Onderzoek naar de effectiviteit van zorgfraudebestrijding, Den Haag.
Baal P van et al (2013), The influence of healthcare spending on life expectancy, Netspar, Panel Paper 35.
CPB (2025), Keuzes in Kaart 2027 – 2030 & Zorgramingen, www.cpb.nl
Companje KP et al (2021), Vijftig jaar kostenbeheersing in de zorg. Deel II: 1995 – 2020, SDU, Den Haag.
GBD Europe Life Expectancy Collaborators, Changing life expectancy in European countries: 1990 – 2021. A subanalysis of causes and risk factors from the Global Burden of Disease Study 2021, The Lancet Public Health, 2025.
Hal RI en CI Jones, The value of life and the rise in health spending, The Quarterly Journal of Economics, February, 2007.
Jeurissen PPT (2016), Steeds meer zorg een betaalbare oplossing? Radboud Universiteit, 2016.
Jeurissen PPT en HAM Maarse (2021), The market result in Dutch healthcare. Results, lessons and prospects, European Observatory on Health Systems and Policies, Health Policy Series 55.
Mot ES (2002), Paying the medical specialist: the eternal puzzle: experiments in the Netherlands, proefschrift, Universiteit van Amsterdam.
Pomp M (2025) Overschat het CPB de groei van de zorguitgaven? – Healthcheck, marcpomp.nl
RIVM (2025), Volksgezondheidstoekomstverkenning 2024, www.rivm.nl
Slawomirski et al (2025), The economics of diagnostic safety, OECD Health Working Papers 176, Paris.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) (2021), Kiezen voor houdbare Zorg. Mensen, middelen en maatschappelijk draagvlak, Den Haag.