Deregulering zonder Herijking: Waarom de overheid, ondanks krimpambities, toch blijft groeien

Deregulering zonder Herijking: Waarom de overheid, ondanks krimpambities, toch blijft groeien image
Plenaire zaal van de Tweede Kamer op tijdelijke locatie vanachter sprekersgestoelte. Door Jeroen van der Meyde/Tweede Kamer.

Het kabinet streeft deregulering na, maar stelt de onderliggende groei van overheidstaken niet ter discussie. Zonder grondige hervorming zal sprake blijven van een grote en complexe overheid. Pogingen tot vereenvoudiging zonder herijking zijn ineffectief. We moeten naar een herinrichting van de overheid naar klassiek-liberale principes, net zoals Argentinië dit doet.

Inleiding

Op 30 januari publiceerden regeringspartijen D66, VVD en CDA hun coalitieakkoord (het “akkoord”) waarin zij onder andere zeggen te streven naar een slanke, slagvaardige en betrouwbare overheid. Daartoe kondigt de coalitie deregulering aan via een periodieke Vereenvoudigingswet, het schrappen en vereenvoudigen van minimaal 500 regels en een afbouw van het ambtenarenapparaat (akkoord, p. 5-6). Maatschappelijke partijen worden uitgenodigd om vroegtijdig mee te denken.

Wij bekritiseren de onderliggende beleidsrichting, die naar onze verwachting zal leiden tot een verder toenemende rol van de overheid, zeker nu de oppositie aan het minderheidskabinet heeft aangekondigd dat het parlement zich niet gebonden acht aan het voorgenomen financieel kader (TK, 36 848). Pogingen tot deregulering en inkrimping zijn zinloos zolang de overheid steeds meer doelen stelt, deze slechts ten dele realiseert en daaruit concludeert dat meer regie noodzakelijk is. Oplopende uitvoeringsproblemen, onderuitputting van budgetten en inflatoire druk versterken zo de vicieuze cirkel van uitvoeringsfalen en hernieuwd interventionisme.

Pogingen tot deregulering en inkrimping zijn zinloos zolang de overheid steeds meer doelen stelt, deze slechts ten dele realiseert en daaruit concludeert dat meer regie noodzakelijk is.

De huidige beleidsrichting wordt gelegitimeerd door de diagnose dat marktwerking in de afgelopen decennia zou zijn doorgeschoten. Die diagnose is moeilijk te rijmen met het feit dat het overheidsaandeel in de economie deze eeuw is gegroeid. Zolang beleidsambities zijn vastgelegd in steeds verder reikende sociale rechten, creëert de overheid structureel nieuwe verplichtingen en taken.

Wij betogen dat een fundamentele herbezinning op de reikwijdte van positieve sociale rechten in de Grondwet en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) nodig is om uit de impasse op veel beleidsdossiers te komen. Daarbij putten wij uit de ervaringen met deregulering in Argentinië en stellen wij een alternatieve beleidsrichting voor, gebaseerd op de kernpunten van het klassiek-liberalisme.

De realiteit van een uitdijende overheid

Nederland heeft zich sinds de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld tot een corporatistische verzorgingsstaat (Hoogduin, 2023, p. 24). De uitdijende Nederlandse overheid manifesteert zich in de groeiende Rijksbegroting, het groeiende aantal Rijksambtenaren en een toename van wetten en regels.

De rijksbegroting nam tussen 2016 en 2026 toe van € 311 miljard tot € 556 miljard, een groei van 78,7%, terwijl de cumulatieve inflatie in dezelfde periode 38,1% bedroeg (CBS). Ook het aandeel van de bruto collectieve uitgaven steeg structureel, van circa 41% in 2018 naar circa 44,8% in 2025, met een verwachte stijging naar 46% in 2027 bij een onderuitputting van € 10 miljard (CPB, 2025, p. 11).

Parallel hieraan groeide het personeelsbestand van de Rijksoverheid tussen 2016 en 2024 met circa 43%, van 109.000 naar ruim 157.000 (TK, 1205, p. 2). Daarbij groeide het aantal FTE in een beleidsfunctie veel sneller (55%) dan in uitvoeringsfuncties (29%). De personeelskosten namen in diezelfde periode met 56,5% (ca. € 6,3 miljard) toe, terwijl het aandeel externe inhuur steeg van 12,2% in 2020 naar 15,4% in 2024, structureel boven de Roemer-norm van 10% (TK 31 701). In 2024 was 59% van de externe inhuur actief in beleidsondersteuning, d.w.z. juridisch advies, automatisering, accountancy en administratie (JBR 2024, p. 131-141).

Hoewel D66, VVD en CDA zeggen te streven naar deregulering en een inkrimping van de overheid, biedt het coalitieakkoord daarvoor niet de vereiste basis. De coalitie heroverweegt de huidige beleidsrichting niet.

De toename van personeel en kosten hangt nauw samen met de groei en toenemende complexiteit van wet- en regelgeving. Het aantal actieve wetten en regels nam tussen 2005 en 2024 met 14% toe, terwijl het aantal regels voor uitvoeringsorganisaties en toezichthouders met respectievelijk 147% en 291% steeg (PwC 2025). Wetgeving wordt bovendien complexer door een sterke toename van het aantal wijzigingen (125%), uitzonderingen (88%), vrijstellingen/ontheffingen (124%), verwijzingen (105%) en hardheidsclausules (253%). Deze complexiteit verlaagt de productiviteit van uitvoeringsorganisaties: meer maatwerk vereist meer handmatige verwerking en leidt tot langere doorlooptijden en grotere verschillen in behandeling tussen burgers.

Beschouwing coalitieakkoord

Hoewel D66, VVD en CDA zeggen te streven naar deregulering en een inkrimping van de overheid, biedt het coalitieakkoord daarvoor niet de vereiste basis. De coalitie heroverweegt de huidige beleidsrichting niet en zet daarmee het interventionisme van de kabinetten Rutte voort.

Dat interventionisme is gebaseerd op de notie van een vergaande verzorgingsstaat, vastgelegd in de sociale grondrechten (artikelen 19 – 23 Grondwet) bij de Grondwetherziening van 1983 en in het EVRM. Na de Tweede Wereldoorlog kozen Europese lidstaten ervoor om de negatieve rechten uit de klassieke rechtsstaat aan te vullen met positieve rechten. Negatieve rechten beschermen burgers tegen inbreuken op hun vrijheid door de overheid en door medeburgers. Positieve rechten geven burgers aanspraken tegenover een overheid ter bevordering van hun ontplooiing (Berlin, 1958).

Deze sociale grondrechten hebben geleid tot een collectief verwachtingspatroon ten aanzien van bestaanszekerheid, welvaart(spreiding), sociale zekerheid, welzijn, verbetering van het leefmilieu, culturele ontplooiing en vrijetijdsbesteding. Nederlandse burgers menen recht te hebben op welvaart, gegarandeerd door de overheid.  

De overheid wordt daarmee aangesproken op het realiseren van uitkomsten die zij slechts beperkt kan sturen. Dit vergroot de noodzaak tot verder interveniëren in het handelen van burgers en draagt zo bij aan een beperking van individuele vrijheden (Hoogduin, 2023, p. 26). Burgers verliezen de mogelijkheid om hun levensdoelen na te streven. Zij voelen zich niet (of slechts deels) verantwoordelijk voor hun keuzes en verwachten dat de overheid zorgt voor bestaanszekerheid. Dat kan de overheid niet, want het bestaan is fundamenteel onzeker. Maatregelen om het bestaan te verzekeren, leiden in de praktijk vaak tot een gevoel van bestaansonzekerheid en machteloosheid bij burgers.

Nederlandse burgers menen recht te hebben op welvaart, gegarandeerd door de overheid. De overheid wordt daarmee aangesproken op het realiseren van uitkomsten die zij slechts beperkt kan sturen.

Het nieuwe coalitieakkoord ademt een sterk geloof in maakbaarheid. De neiging tot interventionisme springt het meest in het oog in de paragrafen over sociale zekerheid, woningmarkt en klimaatbeleid. In de sociale zekerheid – in 2024 goed voor 26% van de Rijksbegroting – belooft de coalitie meer werkzekerheid, inkomensbescherming (“zekerheid bij tegenslag”) en perspectief in een snel veranderende economie. Deze ambities worden vertaald in een omvangrijk pakket ondersteunende maatregelen, nieuwe wetgeving en complexe regelgeving. Ook introduceert de coalitie twee nieuwe positieve rechten: het “recht op vergissen” en het “recht op begrijpelijke taal”, die uitnodigen tot meer bureaucratie (akkoord, p. 8).

Op het gebied van de sterk gereguleerde woningmarkt gaat de coalitie weliswaar schrappen in bezwaarprocedures en de regels voor optoppen, splitsen en woningdelen vereenvoudigen, maar zij laat de fundamentele aantasting van de eigendomsrechten van woningeigenaren onder de in 2024 ingevoerde Wet betaalbare huur ongemoeid, in plaats van deze wet integraal te schrappen om de verstorende effecten op de woningmarkt teniet te doen.

Op het gebied van klimaatbeleid kiest de coalitie nadrukkelijk voor centrale sturing. Het akkoord bevat vergaande emissiedoelen (90% reductie in 2040), sectorale programma’s (energie, industrie en landbouw) en schept privileges (verstoring van marktwerking via “picking winners” t.a.v. adoptiesubsidies en inzet op elektrificatie). Klimaatbeleid verwordt zo tot economische planning. Effectief klimaatbeleid vraagt juist om voorwaardenscheppend beleid waardoor maximaal gebruik wordt gemaakt van ondernemerschap en decentrale kennis (Van Breda, Hoogduin en Janssen, 2022).

Daarnaast toont de coalitie zich een uitgesproken voorstander van de Nederlandse cultuur van overleg en compromissen en wil zij het “poldermodel” en de samenwerking met “medeoverheden” in ere herstellen (akkoord, p. 1, 5). Dit vergroot de rol voor niet-democratisch gelegitimeerde organisaties in de politieke besluitvorming en, via de invloed van deze organisaties, een bredere maatschappelijke taakopvatting van de overheid. Ook keert het concept “brede welvaart” terug als leidraad voor economisch beleid (akkoord, p. 29, 64). Omdat welvaart subjectief is, voortvloeit uit individueel handelen en niet kan worden gekwantificeerd of opgeteld, ontbeert dit begrip een solide economische grondslag en versterkt het een technocratische benadering van beleid (Hoogduin, 2023, p. 26).

Tegen deze achtergrond ogen de dereguleringstoezeggingen weinig geloofwaardig. Het schrappen van regels via een Vereenvoudigingswet en het terugdringen van “nationale koppen” laat de bron van regeldruk onaangeroerd.

Het CPB becijfert dat de overheidsschuld in 2060 bij ongewijzigd beleid oploopt tot bijna 120% van het bbp, vanaf het huidige niveau van nog geen 50% van het bbp. Tegen deze achtergrond bevestigen de doorrekeningen van het CPB en het PBL dat het coalitieakkoord op lange termijn leidt tot een verhoging van de overheidsschuld in 2060 met 19% van het bbp ten opzichte van het basispad. De kosten van het openbaar bestuur stijgen van € 118,3 miljard in 2026 naar € 121,4 miljard in 2030 en het effect van de dereguleringsexercitie wordt niet zichtbaar in de omvang van de overheid. De lasten voor gezinnen en bedrijven stijgen verder. Daarnaast leidt het coalitieakkoord tussen 2027 en 2030 tot hogere overheidsuitgaven, stagnerende bbp-groei à 1,2% per jaar en stijgende collectieve lasten (CPB & PBL, 2026, p.9). Het overheidstekort wordt vooral geremd door onderuitputting, wat wijst op structurele uitvoeringsproblemen (CPB, 2025). De doorrekening sluit aan bij het beeld van een overheid die meer ambities formuleert dan zij kan realiseren.

Tegen deze achtergrond ogen de dereguleringstoezeggingen weinig geloofwaardig. Het schrappen van regels via een Vereenvoudigingswet en het terugdringen van “nationale koppen” laat de bron van regeldruk onaangeroerd. De instelling van een Taskforce Slagvaardige Overheid bevestigt vooral het geloof dat betere organisatie en coördinatie volstaan, terwijl het onderliggende patroon van structurele taakexpansie intact blijft.

De analyse roept de vraag op of grootschalige deregulering mogelijk is zolang wordt vastgehouden aan het beleidsparadigma waarin rechten primair worden opgevat als aanspraken op collectieve zorg en sturing. Een alternatief vergt een fundamentele herijking van de rol van de overheid en van de betekenis van rechten, waarbij niet de garantie van de uitkomsten centraal staat, maar de bescherming van individuele vrijheid en eigendom. In de recente praktijk biedt Argentinië een voorbeeld van zo’n alternatieve benadering.

Lessen uit Argentinië

Nederland kent in zijn recente geschiedenis geen voorbeelden van grootschalige deregulering en overheidsinkrimping. Nederlandse en Europese politici kunnen echter belangrijke lessen trekken uit de invoering van klassiek-liberaal beleid in Argentinië, na decennia van interventionisme en bureaucreatie. Op dinsdag 2 december 2025 gaf Dr. Federico Sturzenegger, minister van Deregulering en Staatstransformatie in de regering van president Javier Milei, een lezing in Den Haag waarin hij de kernpunten en de resultaten van het Argentijnse overheidsbeleid behandelde[1].

De constatering is dat het verminderen van bureaucreatie door ingrijpende hervormingen wel degelijk mogelijk is als een regering daarvoor kiest. Sinds december 2023 is het aantal ministeries in Argentinië teruggebracht van 18 naar 8, werd 20% van het totale aantal wetten en regels afgeschaft of vereenvoudigd en zijn meer dan 58.000 ambtenaren ontslagen. Dit ging gepaard met een besparing op de overheidsuitgaven van 5% van het bbp, een daling van de inflatie van 220% naar 25% per jaar (oktober 2025), een economische groei van 5%, een stijging van de privébestedingen met 10% per jaar, een significante daling van de armoede en – voor het eerst sinds jaren – een begrotingsoverschot.

De uitgangspunten van het klassiek-liberalisme zijn herkenbaar in de uitgangspunten van het Argentijnse beleid: inkrimping van de staat, economische vrijheid en binnenlandse veiligheid. De focus ligt daarbij sterk op het eerbiedigen van eigendomsrechten en op het terugdraaien van schendingen daarvan. Voor de regering-Milei is “vrijheid een doel op zichzelf en economische vrijheid is daarvan de kern” (dixit Sturzenegger).

Het klassiek-liberalisme als beleidsfilosofie

De Argentijnse ervaring roept de vraag op welk institutioneel raamwerk grootschalige deregulering en inkrimping van de overheid mogelijk maakt. Het instrumentarium voor deregulering en inkrimping van de overheid dat wel succesvol is, is reeds voorhanden. De uitgangspunten van het klassiek-liberalisme kunnen als kompas dienen voor het kabinet-Jetten om uit de huidige impasse te komen.

Von Mises (2005, p. 125) omschrijft klassiek-liberalisme als een leer van sociale samenwerking, waarin individuele belangen harmonieus kunnen samenvallen als de samenleving is gegrondvest op eigendom van de productiemiddelen. Hieruit vloeien vijf uitgangspunten voort:  

  1. Vrijhandel en contractvrijheid: Maken economische calculatie, arbeidsdeling en marktwerking mogelijk (Mises, 2005, p. 1-36; Hoogduin, 2023, p. 23).
  2. Rechtsstaat: Gelijke toepassing van algemene en abstracte regels voor iedereen en de bescherming van eigendomsrechten (privébezit) en contractvrijheid tegen willekeur en privileges in overheidsoptreden (Hayek, 2011). Het klassiek-liberalisme streeft naar gelijkheid voor de wet, niet naar gelijkheid van inkomen, status of resultaten en ook niet naar gelijke kansen.
  3. Beperkte overheid: Overheidstaken beperken zich tot de bescherming van leven, eigendom en vrijheid, de handhaving van recht en contract en de verdediging tegen externe agressie (Mises, 2005, p. 30).
  4. Democratie: Maakt regeringen politiek verantwoordelijk en waarborgt een vreedzame machtsoverdracht overeenkomstig de wil van de burgers (Mises, 2005, p. 21). Democratie begrenst meerderheidsmacht zodat zij de negatieve vrijheden van burgers en van minderheden niet kan ondermijnen.
  5. Onzekerheid: Klassiek-liberalisme erkent fundamentele onzekerheid als onveranderlijk onderdeel van de menselijke conditie, waar de mens mee heeft om te gaan. Onvoorspelbare uitkomsten van het vrije marktproces zijn de drijvende kracht achter vooruitgang, innovatie en (subjectieve) welvaart. Onzekerheid is geen “fout” die door de overheid hersteld kan en moet worden.

Waar de institutionele randvoorwaarden ontbreken of structureel worden uitgehold raakt het marktproces verstoord en verdwijnt de basis voor vreedzame samenwerking en duurzame internationale vrede. Door vrijheid en maatschappelijke samenwerking tussen burgers en ondernemers te bevorderen, kunnen er tussen leden van de samenleving gevoelens van sympathie, vriendschap en saamhorigheid ontstaan (Mises, 2025). Het klassiek-liberalisme bevordert via deze weg tolerantie en vreedzame co-existentie en vormt de brug naar het ontstaan van maatschappelijke samenhang en cultuur. De klassiek-liberale uitgangspunten moeten vervolgens worden omgezet in concreet regeringsbeleid waarbij het marktmechanisme optimaal tot zijn recht kan komen.

Een vrije samenleving is gebaseerd op het inzicht bij bestuurders dat geen enkele centrale planner de omvangrijke, verspreide kennis in de samenleving kan overzien (Hayek, 1945; 1974). Dit impliceert voorwaardenscheppend overheidsbeleid waarbinnen coördinatie tot een spontane liberale orde resulteert waarin vrijheid en vreedzame samenwerking de basis vormen voor welvaart en maatschappelijke vooruitgang (Hayek, 2021).

Klassiek-liberalisme erkent fundamentele onzekerheid als onveranderlijk onderdeel van de menselijke conditie, waar de mens mee heeft om te gaan [...] Onzekerheid is geen “fout” die door de overheid hersteld kan en moet worden.

Waar Mises de rol van de overheid strikt begrenst tot de bescherming van eigendom, contract en rechtsorde, laat Hayek daarbovenop ruimte voor een beperkt sociaal vangnet. Die ruimte is strikt afgebakend waarbij het vangnet generiek en non-discretionair is vormgegeven en het marktmechanisme zo veel mogelijk benut. Dit betreft geen stelsel van positieve rechten, maar een minimuminkomensvloer, een ondergrens waaronder niemand hoeft te vallen (Hayek, 2021). Friedmans voorstel van een negatieve inkomensbelasting vormt hiervan een concrete beleidsuitwerking (Friedman, 1962). In de Nederlandse context kan dit worden opgevat als een algemene verzilverbare heffingskorting, waarmee inkomensondersteuning wordt geboden zonder een omvangrijke verzorgingsstaat te institutionaliseren.

Het klassiek-liberalisme richt zich op negatieve vrijheid: de afwezigheid van dwang en inmenging als voorwaarde voor een vrije samenleving. Positieve rechten staan op gespannen voet met negatieve rechten, omdat de overheid steeds actiever moet worden om bestaanszekerheid en brede welvaart te garanderen en daarmee steeds meer inbreuk maakt op negatieve rechten, waardoor onbegrensde positieve vrijheden uiteindelijk kunnen omslaan in tirannie (Berlin, 1958). Binnen dit kader is herverdeling geen legitiem beleidsdoel, een positie die bij Hayek (2021) expliciet tot uitdrukking komt in zijn afwijzing van het concept “social justice”.  Dit impliceert dat toeslagen, subsidies en andere discretionaire overdrachten, inclusief die aan bedrijven, niet verenigbaar zijn met een klassiek-liberale rechtsorde. Het schrappen of vergaand inperken van positieve rechten ontneemt de wettelijke basis aan veel overheidstaken binnen de verzorgingsstaat waardoor herverdeling sterk wordt ingeperkt.

Conclusie

De nieuwe coalitie constateert diepgevoelde problemen in de samenleving, maar stelt de verkeerde diagnose door deze toe te schrijven aan te veel marktwerking en daaruit af te leiden dat de overheid op steeds meer terreinen de regie moet nemen. Daarmee blijft reflectie op de onderliggende oorzaken uit, namelijk het onvermogen van politiek en openbaar bestuur om hun beleidswensen te beperken tot de kernfuncties van de klassieke rechtsstaat, gebaseerd op negatieve vrijheden.

De nieuwe coalitie constateert diepgevoelde problemen in de samenleving, maar stelt de verkeerde diagnose door deze toe te schrijven aan te veel marktwerking en daaruit af te leiden dat de overheid op steeds meer terreinen de regie moet nemen. 

Deze analyse leidt tot de conclusie dat pogingen tot deregulering en inkrimping van de overheid slechts beperkt effect sorteren. Zolang de overheid blijft interveniëren om overspannen verwachtingen van burgers in te lossen door positieve rechten te waarborgen die in een fundamenteel onzekere wereld niet realiseerbaar zijn, blijft structurele hervorming uit. Burgers raken hierdoor afhankelijk van de overheid, verliezen de regie over hun leven en ervaren druk op hun koopkracht.

Een slagvaardige overheid vergt meer dan het schrappen van regels. Zij vereist een voorafgaande politieke keuze over welke doelen de overheid niet langer nastreeft. Zonder deze afbakening leidt elke vereenvoudiging tot nieuwe beleidswensen en neemt de regeldruk opnieuw toe. Pas wanneer deze grondoorzaak wordt aangepakt kan een dereguleringsexercitie daadwerkelijk effect sorteren, te beginnen bij het terugdringen van de hoeveelheid en complexiteit van wet- en regelgeving voor uitvoeringsorganisaties.

Interventies in eigendomsrechten, zoals in de woningmarkt en het klimaatbeleid, moeten worden heroverwogen. Wetgeving zou zich moeten richten op algemeen geldende regels, niet op het afdwingen van specifieke uitkomsten. Zoals Hayek (1974) benadrukt, vereist het streven naar maatschappelijke verbetering erkenning van fundamentele kennisbeperkingen en de onmogelijkheid om sociale processen volledig te beheersen.

Voetnoten


[1] Voor een volledig verslag van zijn lezing verwijzen wij naar de website van het Mises Instituut (www.mises.nl).

Referenties

Berlin (1958), Two concepts of liberty. Four Essays On Liberty, (Oxford, England: Oxford University Press, 1969), p. 118-172.

Breda, J.P.H. van, L. Hoogduin en J. Janssen (2022), Een werkend klimaatbeleid stelt complexiteit centraal. ESB 107(4814), 444-447.

Centraal Planbureau (2025), Centraal Economisch Plan 2026.

Centraal Planbureau en Planbureau voor de Leefomgeving (2026), Analyse Coalitieakkoord 2026-20230.

Coalitieakkoord (2026), Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026-2030 – D66, VVD en CDA.  

Friedman, M. (1962). Capitalism and Freedom. University of Chicago Press, Chicago.

Hayek, F.A. (1945), The use of knowledge in society. American Economic Review, XXXV, No. 4; September, 1945, pp.519-530. Liberty Fund.

Hayek, F.A. (1974), The pretense of knowledge. Nobel Lectures, Economics 1969-1980, World Scientific Publishing Co., Singapore, 1992.

Hayek, F. A. (2011), The constitution of liberty: The definitive edition (R. Hamowy, Ed.). University of Chicago Press.

Hayek, F. A. (2021), Law, legislation and liberty: A new statement of the liberal principles of justice and political economy (J. Shearmur, Ed.). University of Chicago Press.

Hoogduin (2023), Een liberaal pleidooi tegen de uitdijende rol van de Nederlandse overheid. Liberale reflecties.

Kamerstukken II, 2009/10, 31701, nr. 32. (Roemer-norm).

Kamerstukken II, Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1205.

Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 34 (motie Klaver c.s.).

Kamerstukken II 2025/26, 36 870, nr. 2 (initiatiefnota Erkens).

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2025), Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2024.

Mises Instituut (2026), Lezing F. Sturzenegger, Van bureaucratie naar vrijheid – Lessen uit Argentinië.

Mises, L. von, (2005) Liberalism. The Classical Tradition. Indianapolis

Mises, L. von (2022), Het menselijk handelen: een economische verhandeling. Rotterdam: Stichting Pierson & Templeton.

PWC (2025), Feiten en effecten wet- en regelgeving op uitvoeringsorganisaties.

Te citeren als

Joost van Breda, Lex Hoogduin, Joris Naalden, “Deregulering zonder Herijking: Waarom de overheid, ondanks krimpambities, toch blijft groeien”, Me Judice, 1 mei 2026.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
Plenaire zaal van de Tweede Kamer op tijdelijke locatie vanachter sprekersgestoelte. Door Jeroen van der Meyde/Tweede Kamer.

Ontvang updates via e-mail