Internationale detachering groeit, maar kwetsbare werknemers blijven deels buiten beeld

Onderwerp:
Internationale detachering groeit, maar kwetsbare werknemers blijven deels buiten beeld image
Door 'Marien van Os'

Internationale detachering is beperkt in omvang, maar beleidsmatig relevant. De inzet concentreert zich in enkele sectoren en raakt deels kwetsbare werknemers. Betrouwbare monitoring ontbreekt en vraagt om betere toegang tot meldgegevens en meer openheid over toezicht, overtredingen, sancties en herstelmaatregelen.

Klein en kwetsbaar

Internationale detachering – tijdelijk werk in Nederland via een buitenlandse werkgever – vormt een structurele vorm van arbeid op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het betreft een jaarlijks terugkerende stroom van werknemers vanuit andere lidstaten van de Europese Unie (EU), op basis van het vrije verkeer van diensten (art. 56-57 VWEU). In macro-economisch perspectief is de omvang echter beperkt: het aandeel gemelde gedetacheerde buitenlandse werkenden bedraagt ongeveer 1 procent van de werkgelegenheid (zie Figuur 1) (Bussink, Rutten & Heyma, 2025). Ter vergelijking: het aandeel reguliere arbeidsmigranten dat op grond van het vrije verkeer van personen (art. 45 VWEU) in dienst is bij een Nederlandse werkgever wordt geschat op circa 7 procent van de werkgelegenheid (Ruit, Heyma & Bussink, 2026).

Gedetacheerde werknemers verrichten tijdelijk arbeid in Nederland, maar blijven formeel in dienst van een buitenlandse werkgever [...] Daardoor worden zij niet als werknemers van Nederlandse werkgevers geregistreerd in de reguliere werkgelegenheidsstatistieken.

Internationale detachering neemt een bijzondere positie in op de arbeidsmarkt en in de statistieken daarover. Deze vorm van arbeid ligt op het snijvlak van internationale arbeidsmobiliteit en grensoverschrijdende dienstverlening: gedetacheerde werknemers verrichten tijdelijk arbeid in Nederland, maar blijven formeel in dienst van een buitenlandse werkgever die een dienst levert op de Nederlandse markt. Daardoor worden zij niet als werknemers van Nederlandse werkgevers geregistreerd in de reguliere werkgelegenheidsstatistieken. De inzet van deze groep op de Nederlandse arbeidsmarkt kan daarom alleen worden benaderd op basis van de meldingen die buitenlandse werkgevers doen bij het nationale meldloket. Dit loket is sinds 2020 ingericht op grond van de WagwEU: de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie.

Figuur 1. Aantal gemelde gedetacheerde buitenlandse werkenden (incl. zelfstandigen), aantal geschatte reguliere arbeidsmigranten en overige werkzame beroepsbevolking (x1.000), 2024.

Bron: SZW en CBS, eigen bewerking.

Beleidscontext van internationale detachering

Hoewel internationale detachering in macro-economisch perspectief beperkt is, concentreert deze vorm van arbeid zich in specifieke sectoren, zoals het wegtransport, de bouw en de industrie. In deze sectoren is niet alleen het absolute aantal gedetacheerde werkenden het hoogst, maar ligt ook hun aandeel in de totale werkgelegenheid aanzienlijk boven het landelijke gemiddelde.

Tegelijkertijd maakt juist deze concentratie de groep beleidsmatig relevant. Het betreft in toenemende mate werknemers in relatief kwetsbare posities, waaronder zogenoemde derdelanders: werknemers die zelf afkomstig zijn van buiten de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland en via een werkgever in een andere EU-lidstaat in Nederland werkzaam zijn. Hun afhankelijkheid van de buitenlandse werkgever, de grensoverschrijdende constructies waarin zij werken en de complexiteit van hun verblijfsrechtelijke positie maken hen gevoeliger voor misstanden en rechtsonzekerheid.

Tegen deze achtergrond is goed zicht op de omvang en samenstelling van de groep gedetacheerde buitenlandse werknemers, evenals op de naleving van arbeids-, socialezekerheids- en verblijfsregels, van belang. Dat zicht is echter beperkt.

Tegen deze achtergrond is goed zicht op de omvang en samenstelling van de groep gedetacheerde buitenlandse werknemers, evenals op de naleving van arbeids-, socialezekerheids- en verblijfsregels, van belang. Dat zicht is echter beperkt. Hoewel beschikbare gegevens waardevolle informatie opleveren, geven zij geen volledig beeld van de feitelijke inzet, de verblijfsduur of de naleving van regels. Daardoor blijven zowel de werkelijke omvang van internationale detachering als mogelijke overtredingen gedeeltelijk buiten beeld.

Kader 1: Beschikbare gegevens over gedetacheerde werknemers

Internationale detachering naar Nederland is zichtbaar via twee bronbestanden: A1-verklaringen en het nationale meldloket. A1-verklaringen geven aan onder welk socialezekerheidsstelsel een werknemer valt, terwijl het meldloket (de intentie tot) tijdelijke dienstverlening in Nederland registreert. Beide bronnen meten daarmee verschillende aspecten en zijn niet direct met elkaar te vergelijken.

A1-verklaringen zijn bovendien slechts beperkt bruikbaar voor analyse van de feitelijke inzet van gedetacheerde werknemers in Nederland. Deze verklaringen zijn niet uniek naar personen en het is niet altijd bekend welke lidstaat de verklaring heeft afgegeven. Daardoor is het lastig om op basis van deze gegevens de omvang van internationale detachering in Nederland te bepalen.

Wij gebruiken daarom primair melddata uit het Nederlandse meldloket. Deze gegevens bieden het beste zicht op detacheringen naar Nederland. Tegelijkertijd blijft dit een administratieve benadering van detachering: niet iedere melding leidt tot daadwerkelijke inzet en wijzigingen in opdrachten worden niet altijd aangepast in het systeem. Daardoor geven de gegevens een benadering van detachering, maar geen exacte meting van feitelijk gewerkte uren of verblijfsduur.

Omvang en kenmerken van gedetacheerde werknemers

In de periode 2021-2024 is het aantal internationaal gedetacheerde werknemers gestegen met 30 procent. In 2024 werden ruim 102 duizend gedetacheerde buitenlandse werknemers gemeld via het Nederlandse meldloket; tegenover bijna 80 duizend in 2021. Ook het vestigingsland van de buitenlandse werkgever is door de tijd heen opvallend stabiel. De grootste groepen komen uit Polen (ongeveer 24–28 procent) en Litouwen (14–17 procent), gevolgd door buurlanden Duitsland (19–21 procent) en België (9–11 procent). Daarnaast is Portugal een belangrijke zendende lidstaat, met een aandeel van ongeveer 3–5 procent.

Figuur 2. Aantal gemelde gedetacheerde buitenlandse werknemers naar vestigingsland, 2020-2024.

Bron: SZW, De Staat van Migratie 2021-2025, eigen bewerking.

Het aandeel gemelde gedetacheerden was in 2023 het hoogst in de energiesector (ruim 8 procent) en de bouw (ruim 7 procent). In de landbouw lag het aandeel op ruim 4 procent (Bussink, Rutten & Heyma, 2025). Opvallend is dat de landbouw ondanks een relatief hoge vraag naar buitenlandse arbeidskrachten relatief weinig buitenlandse gedetacheerden telt. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat veel reguliere arbeidsmigranten in deze sector via Nederlandse uitzendbureaus werken. Daardoor staan zij niet als internationaal gedetacheerden geregistreerd.

Toch moet voorzichtig worden omgegaan met deze percentages. Een specifieke blinde vlek betreft het internationale wegtransport (De Smedt, Bussink, De Wispelaere & Heyma, 2025). In 2020 en 2021 werden in het Nederlandse meldloket nog circa 250 tot bijna 300 duizend gedetacheerde werknemers in deze sector gemeld. Sinds februari 2022 worden meldingen echter gedaan via het Europese meldloket (Road Transport Posting Declaration (RTPD) portal).[1] Hierdoor ontbreken consistente nationale statistieken over de vermoedelijk grootste sector, wat leidt tot beperkingen in het vaststellen van de werkelijke omvang van internationale detachering.

Derdelanders

Misschien wel de belangrijkste ontwikkeling is de groei van het aandeel derdelanders onder gedetacheerde buitenlandse werknemers. Derdelanders zijn werknemers met een nationaliteit van buiten de EER (EU, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) en Zwitserland (samen de EER+). In 2023 bestond ruim een vijfde van alle gemelde gedetacheerden uit niet-EU-onderdanen. Deze groep wordt vooral gedetacheerd via ondernemingen gevestigd in Polen, Litouwen, Duitsland en Portugal.

In Polen bestaat bijna de helft van de gedetacheerde werknemers uit derdelanders, met name uit Oekraïne en Wit-Rusland. Dat hangt mede samen met de relatief grote instroom van Oekraïense werknemers in Polen sinds de oorlog in Oekraïne.

De gedetacheerde werknemers zelf zijn vaak afkomstig uit onder meer Oekraïne, Wit-Rusland, Azerbeidzjan, de Filipijnen en India (zie Figuur 3). In Polen bestaat bijna de helft van de gedetacheerde werknemers uit derdelanders, met name uit Oekraïne en Wit-Rusland. Dat hangt mede samen met de relatief grote instroom van Oekraïense werknemers in Polen sinds de oorlog in Oekraïne. In Litouwen gaat het eveneens vaak om Oekraïners en Wit-Russen, al worden ook relatief veel Litouwse werknemers zelf gedetacheerd. In Portugal is het aandeel derdelanders eveneens hoog, vooral van werknemers uit Brazilië en India. Duitsland detacheert relatief weinig derdelanders, maar door het grote absolute aantal detacheringen gaat het nog steeds om substantiële groepen, waaronder werknemers uit de Filipijnen en Turkije.

Figuur 3. Herkomstland van gemelde gedetacheerde buitenlandse werknemers, 2023.

Bron: SZW en Bussink, Rutten & Heyma (2025), eigen bewerking.

In kwantitatief opzicht is de detacheringsroute voor derdelanders belangrijker geworden dan reguliere arbeidsmigratie uit deze herkomstlanden van buiten de EER+. Het aantal derdelanders dat rechtstreeks via een Nederlandse tewerkstellings- en verblijfsvergunning wordt toegelaten (exclusief kennismigratie) is aanzienlijk kleiner dan het aantal derdelanders dat via een werkgever uit een andere lidstaat in Nederland werkt.

Daarmee functioneert detachering niet langer slechts als instrument van de Europese interne markt voor grensoverschrijdende dienstverlening, maar ook als een relevante migratieroute voor derdelanders (Kramer, Van Gardingen & Boonstra, 2022). Deze ontwikkeling roept juridische vragen op over de vereiste band met het zendende land – bijvoorbeeld de eis van een ‘gewoonlijk werkland’ en substantiële economische activiteiten – en over de proportionaliteit van nationale verblijfsvereisten (Houwerzijl & Van Gardingen, 2025).

Het Hof van Justitie heeft in 2024 in het SN-arrest geoordeeld dat lidstaten na 90 dagen verblijf een verblijfsvergunning mogen eisen van gedetacheerde derdelanders. Dat vormt weliswaar een beperking van het vrij verkeer van diensten, maar kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van rechtszekerheid voor de werknemer en bescherming van de openbare orde. Daarmee bevestigt het Hof dat gedetacheerde derdelanders geen automatisch afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan het vrij verkeer van diensten. Het verblijfsrecht in het ontvangende land is dus geen louter administratieve bevestiging, maar vereist een zelfstandige beoordeling door de nationale autoriteiten (Van Gardingen & Kramer, 2024).

Iets minder dan de helft van de gemelde derdelanders wordt voor een periode van meer dan 90 dagen aangemeld, goed voor circa 10 duizend personen in 2023 (Bussink, Rutten en Heyma, 2025). Ter vergelijking: in 2023 zijn 1.140 gecombineerde vergunningen voor verblijf en werk afgegeven voor arbeid via een buitenlandse werkgever (Staat van Migratie, 2024). In 2024 lag dit aantal met 1.530 iets hoger, maar nog altijd ver onder wat op basis van het aantal gemelde derdelanders verwacht zou worden (Staat van Migratie, 2025).

Het feit dat het aantal derdelanders dat langer dan 90 dagen via detachering werkzaam is hoger ligt dan het aantal afgegeven vergunningen, kan erop wijzen dat een deel van deze groep mogelijk niet volledig in overeenstemming met de nationale verblijfsregels werkzaam is. Dit verschil vormt daarmee een relevant aanknopingspunt voor toezichthouders om nader onderzoek te doen naar de feitelijke naleving, de aard van de arbeidsrelatie en de vereiste band met het zendende land.

Risico’s en toezicht in de praktijk

Internationale detachering wordt in de praktijk geassocieerd met verhoogde risico’s zoals onderbetaling, overschrijding van arbeidstijden, niet-naleving van socialezekerheidswetgeving (bijvoorbeeld via premieshoppen), illegale tewerkstelling en arbeidsuitbuiting (Inspectie SZW, 2019). Deze risico’s hangen samen met complexe grensoverschrijdende constructies waarin verantwoordelijkheden verdeeld zijn tussen zendend en ontvangend land, wat toezicht en handhaving bemoeilijkt.

Binnen dit bredere risicobeeld zijn derdelanders extra kwetsbaar: hun afhankelijkheid van de werkgever is vaak groter, hun kennis van hun rechten beperkter en hun verblijfsstatus kan bij onzuivere detachering direct onder druk komen te staan (Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten, 2020; Adviesraad Migratie, 2024).

Een bijzondere complicatie is het onderscheid tussen ‘zuivere’ en ‘onzuivere’ detachering. Voor zuivere detachering moet onder meer sprake zijn van een tijdelijk karakter, een reële band met het zendende land en substantiële activiteiten van de werkgever daar. Dit zijn echter open normen. Wanneer feitelijk geen sprake is van tijdelijke inzet met werkelijke terugkeer, verschuift de situatie richting reguliere arbeidsmobiliteit. Voor derdelanders kan dit betekenen dat zij (achteraf) zonder passende verblijfs- of arbeidsrechtelijke grondslag werkzaam blijken, met verstrekkende migratierechtelijke consequenties.

Internationale detachering is in macro-economisch opzicht beperkt, maar beleidsmatig relevant door de concentratie in specifieke sectoren, de kwetsbare positie van een deel van de werknemers en mogelijke risico’s rond naleving en handhaving. 

Tegen deze achtergrond pleiten Nederland en zes andere lidstaten (België, Denemarken, Duitsland, Italië, Letland en Luxemburg) in een gezamenlijk position paper voor een concreter en beter handhaafbaar EU-kader voor de detachering van derdelanders, juist omdat deze groep een verhoogd risico loopt op oneerlijke en onveilige arbeidsomstandigheden en omdat uiteenlopende nationale interpretaties kunnen leiden tot misbruik en concurrentieverstoring.

In de Kamerbrief van 1 juli 2025 over de verkenning naar de aanpak van onrechtmatige detachering van derdelanderwerknemers wordt dit nationale belang nader uitgewerkt: onrechtmatige en ‘grijze’ detacheringsconstructies zijn onwenselijk vanwege de kwetsbare positie van werknemers, verminderde grip op arbeidsmigratie en oneerlijke concurrentie. Dit benadrukt dat versterking van handhaving, informatie-uitwisseling en (waar nodig) verduidelijking van juridische begrippen niet alleen een toezichtvraagstuk is, maar ook een voorwaarde voor een gelijk speelveld en effectieve bescherming van werknemers.

Conclusie en discussie

Internationale detachering is in macro-economisch opzicht beperkt, maar beleidsmatig relevant door de concentratie in specifieke sectoren, de kwetsbare positie van een deel van de werknemers en mogelijke risico’s rond naleving en handhaving. Goed zicht op de omvang, samenstelling en feitelijke inzet van deze arbeidsstroom is daarom van belang. Ook het door de Europese Commissie ondersteunde POSTING.STAT-project benadrukt dit belang, met als doel de nationale en Europese statistieken over internationale detachering te verbeteren (De Wispelaere, De Smedt & Pacolet, 2022).

Dat zicht blijft echter beperkt door onvolledige en deels niet-openbare databronnen. Vooral het ontbreken van consistente nationale gegevens over het internationale wegtransport vormt een belangrijke blinde vlek. Daarnaast is publiek inzicht in toezicht, geconstateerde overtredingen, sancties en herstelmaatregelen beperkt (De Wispelaere, De Smedt & Gillis, 2024). Meer systematische verslaglegging en betere toegang tot meldgegevens kunnen structurele monitoring versterken en een steviger empirisch fundament voor beleid bieden.

Voetnoten


[1] Hier loopt het aantal meldingen op tot enkele miljoenen per jaar. Dit verschil wijst vermoedelijk op aanzienlijke overmelding, bijvoorbeeld doordat volledige personeelsbestanden van chauffeurs voorafgaand worden aangemeld voor mogelijke ritten in meerdere lidstaten. De cijfers uit het Europese meldloket zijn daardoor moeilijk te interpreteren en bieden geen betrouwbare maat voor de feitelijke inzet.

Referenties

Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (2020). Geen tweederangsburgers: Aanbevelingen om misstanden bij arbeidsmigranten in Nederland tegen te gaan.

Adviesraad Migratie (2024). Geen derderangsburgers: De risico’s voor gedetacheerde arbeidsmigranten en de Nederlandse samenleving. Den Haag: Adviesraad Migratie.

Bussink, H., Rutten, A. & Heyma, A. (2025). Posted workers to and from the Netherlands. Facts and figures. SEO Amsterdam Economics. POSTING.STAT 2.0.

De Smedt, L., Bussink, H., De Wispelaere, F. & Heyma, A. (2025). Posting of workers in the road freight transport sector. SEO Amsterdam Economics & HIVA-KU Leuven. POSTING.STAT 2.0.

De Wispelaere, F., De Smedt, L. & Gillis, D. (2024). Enhancing the collection and reporting of inspection statistics on the enforcement of the posting rules. POSTING.STAT 2.0.

De Wispelaere F., De Smedt L. & Pacolet, J. (2022). Posted workers in the European Union. Facts and figures. Leuven: POSTING.STAT project VS/2020/0499.

Houwerzijl, M. & Van Gardingen, I. (2025). Strengthening the rights of posted third-country nationals in their EU Member State of residence and employment. Transfer, 31(1), 89–103.

Inspectie SZW (2019). Staat van eerlijk werk 2019: Risico’s aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Den Haag: Inspectie SZW.

Kramer, D., Van Gardingen, I. & Boonstra, K. (2022). De Europese detachering van derdelanders. Nederlands Juristenblad, 2022(18), 1442–1450.

Ministerie van Asiel en Migratie (2025). De Staat van Migratie 2024. Den Haag.

Ministerie van Justitie en Veiligheid (2024). De Staat van Migratie 2023. Den Haag.

Ministerie van Justitie en Veiligheid (2023). De Staat van Migratie 2022. Den Haag.

Ministerie van Justitie en Veiligheid (2022). De Staat van Migratie 2021. Den Haag.

Ministerie van Justitie en Veiligheid (2021). De Staat van Migratie 2020. Den Haag.

Ruit, R., Heyma, A. & Bussink, H. (2026). Aantal arbeidsmigranten beweegt mee met arbeidsvraag. Economisch Statistische Berichten, 20 maart 2026.

Van Gardingen, I. & Kramer, D. (2024). Een verblijfsvergunning voor gedetacheerde derdelanders: Het arrest SN (zaak C-540/22). Nederlands tijdschrift voor Europees Recht, 2024(7-8), 125–133.

Te citeren als

Henri Bussink, Albert Rutten, “Internationale detachering groeit, maar kwetsbare werknemers blijven deels buiten beeld”, Me Judice, 9 juli 2026.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
Door 'Marien van Os'

Ontvang updates via e-mail