Inleiding
Het coalitieakkoord zet in op een strengere aanpak van arbeidsmigratie. In hoofdlijnen betekent dit dat het nieuwe beleid misstanden tegengaat. Arbeidsmigratie wordt slechts gefaciliteerd als dit bijdraagt aan een verbetering van de welvaart in brede zin. Het nieuwe kabinet volgt daarmee de aanbevelingen uit een aantal rapporten die een evenwichtig en genuanceerd beeld schetsen van alle voor- en nadelen van arbeidsmigratie (Adviesraad Migratie, 2023; SER, 2025).
Niettemin dreigt een aantal essentiële aspecten in de vele nuanceringen verloren te gaan. Zo hebben de rapporten het in het bijzonder over het creëren van waarde zonder duidelijk te maken wat dat precies inhoudt. Het onvoldoende rekenschap geven van deze aspecten in het nieuwe beleid kan uiteindelijk leiden tot een aantal vertekende uitkomsten en verkeerde beleidsaanbevelingen.
In het vervolg van dit artikel komen deze verschillende aspecten aan bod. De beschrijving van een paar eenvoudige casussen maakt duidelijk wat de gevolgen zijn van het onvoldoende rekenschap geven hiervan.
Dit artikel richt zich uitsluitend op de directe effecten voor de welvaart in enge zin. Externe effecten, die ook onderdeel zijn van de welvaart in brede zin, komen hier niet aan bod. In het bijzonder blijven tweede-orde-effecten, zoals de invloed op de loonvorming en het arbeidsaanbod, buiten beschouwing. Deze effecten zijn op zichzelf al lastig genoeg om te kwantificeren en voor veel discussie vatbaar. Hier gaat het dus alleen om de vraag wat het effect is van het hanteren van een ander perspectief op de uitkomst van de welvaart in enge zin.
Theorie
De welvaart in enge zin beperkt zich tot de geleverde productie in een land, meestal uitgedrukt in het bruto binnenlands product (BBP). Het begrip land heeft hier een geografische betekenis. Het BBP heeft namelijk betrekking op alle economische activiteit binnen de landgrenzen. Het begrip brede welvaart verwijst echter vooral naar de sociale effecten voor de bevolking. Dan ligt het hanteren van het inkomen van de bestaande bevolking, bruto nationaal inkomen (BNI), veel meer voor de hand.
Zonder al te veel op allerlei technische details van definities in te gaan, bevat het BNI niet de inkomens van arbeidsmigranten met een verblijf van korter dan één jaar. Dit begrip sluit daarom beter aan bij een afbakening op basis van de huidige ingezetenen, tenzij de maatschappij waarde toekent aan het verblijf an sich van een migrant (politieke vluchteling) of aan het verbeteren van zijn levensstandaard (economische vluchteling).
Winstinkomen die ten goede komen aan buitenlandse aandeelhouders maken onderdeel uit van het BBP maar niet van het BNI. De binnenlandse welvaart verbetert niet doordat buitenlandse aandeelhouders een deel van de winst opstrijken.
Dit is een maatschappelijke vraag, die veel explicieter op de politieke agenda zou moeten staan. De definitie met betrekking tot een niet-ingezetene is ook tamelijk willekeurig gekozen. Dit is ook op te trekken tot twee of vijf jaar, zodat ook veel expats hieronder vallen.
Het onderscheid tussen BBP en BNI speelt ook een rol in de omgang met winstinkomen. Winstinkomen die ten goede komen aan buitenlandse aandeelhouders maken onderdeel uit van het BBP maar niet van het BNI. De binnenlandse welvaart verbetert niet doordat buitenlandse aandeelhouders een deel van de winst opstrijken. Dit pleit ervoor om buitenlandse aandeelhouders eenzelfde positie in de beoordeling te geven als de tijdelijke arbeidsmigranten. De ingehouden winstbelastingen komen wel ten goede aan de samenleving en rekent men dus wel tot het BNI.
Hoewel bijvoorbeeld de Adviesraad Migratie in haar rapport de rol van kapitaal benadrukt, blijft er in de discussie een hardnekkig misverstand bestaan over de toerekening van de toegevoegde waarde van de factor arbeid. Deze discussies richten zich dikwijls op het effect van arbeidsmigratie op de arbeidsproductiviteit, terwijl deze variabele niet relevant is. Arbeid draagt maar ten dele bij aan de toegevoegde waarde. De factor kapitaal creëert vanzelfsprekend ook een (belangrijk) deel van de toegevoegde waarde. De marginale factorproductiviteit van arbeid is dan een betere benadering. Omdat deze empirisch lastig is af te leiden, rekenen economen daarom meestal met het product van het loon en 1 + winstmarge. Op deze manier krijgen arbeid en kapitaal ieder naar rato van hun belang in het productieproces een deel van de winst toegerekend.
In kapitaalintensieve sectoren draagt de factor arbeid dus maar ten dele bij aan de toegevoegde waarde. Veel belangrijker dan de kapitaalintensiteit is de winstmarge van een bedrijf. Als de winstmarges hoog zijn, dan levert de factor arbeid in absolute termen automatisch ook een hoge bijdrage aan de winst. Een deel van de winst komt ten goede aan de aandeelhouders, een ander deel aan de gemeenschap via de belastingen op winstinkomen.
Rekenmodel en uitkomsten
De bovenstaande theoretische overwegingen zijn goed samen te vatten in een paar eenvoudige rekenregels, waarmee een indicatie is te geven van de effecten van arbeidsmigratie op het welvaartsniveau in enge zin.
De kern van de rekenregels is dat er sprake is van toegevoegde waarde van een werknemer als deze bijdraagt aan de welvaart van de huidige bevolking. Deze bijdrage bestaat uit:
- Het loon in het geval van een ingezetene;
- De netto afgedragen belastingen in het geval van een arbeidsmigrant;
- De bijdrage aan het winstinkomen van ingezetene aandeelhouders;
- De bijdrage aan de door buitenlandse aandeelhouders afgedragen winstbelasting.
Op basis van die rekenregels is voor honderd cases een doorrekening gemaakt. Deze cases variëren op basis van type werknemer (ingezetene, arbeidsmigrant en expat), het inkomen van een werknemer (40K€ en 80K€), de winstmarges van het bedrijf en het aandeel buitenlandse aandeelhouders. Een uitgebreide toelichting op deze exercitie is hier te vinden.
Een ingezetene van Nederland geldt als referentiepunt. De netto belastingdruk op loon reflecteert de belastingdruk die een niet-ingezetene heeft ten opzichte van een ingezetene. Voor een arbeidsmigrant met kort verblijf geldt dat hij of zij geen of nauwelijks gebruik maakt van de sociale zekerheid. Tegenover de door de arbeidsmigrant betaalde sociale premies staat zelden het profijt van de sociale zekerheid. Per saldo levert dit een welvaartsvoordeel op. Dat wordt hier geschat op tien procent. Het tegenovergestelde geldt voor de expat die door zijn langdurige verblijf wel van deze regelingen gebruik maakt, maar veel minder belasting afdraagt dan een ingezetene met hetzelfde loon vanwege de 30-procentvrijstelling. Ten opzichte van het gehele loon impliceert dit een reductie van ongeveer twaalf procent.
Tegenover de door de arbeidsmigrant betaalde sociale premies staat zelden het profijt van de sociale zekerheid. Per saldo levert dit een welvaartsvoordeel op.
De netto belastingdruk voor een ingezetene is dan per definitie gelijk aan nul (aangezien deze het referentiepunt is, red.). Deze aanpak voorkomt dat er ook rekening moet worden gehouden met bijvoorbeeld betaalde btw. Die is voor ingezetenen en niet-ingezetenen immers hetzelfde.
Tabel 1 bevat de uitkomsten van een aantal verschillende casussen, onderscheiden naar type werknemer, inkomen, winstmarge en aandeel buitenlandse aandeelhouders. Dit is een selectie van de 100 onderscheiden cases in (Blank, 2026). Benadrukt moet worden dat het hier gaat om een eenvoudige rekenexercitie die alleen bedoeld is om het patroon van bovenstaande redenering zichtbaar te maken.
Tabel 1. Toegevoegde waarde (x 1.000 euro) naar type werknemer en type bedrijf.

Tabel 1 maakt duidelijk hoe hoog de toegevoegde waarde van een ingezetene is ten opzichte van een tijdelijke migrant en een expat. Dit is dus rechtstreeks het gevolg van het uitgangspunt om het netto inkomen van een migrant/expat niet toe te rekenen aan de toegevoegde waarde.
De berekeningen maken ook de beperkte toegevoegde waarde van werknemers in bedrijven met een hoog buitenlands aandeelhouderschap zichtbaar. Ook hier geldt dat de keuze om uitsluitend die delen van de winst, die aan ingezetenen en de overheid toekomen, mee te nemen in de maatschappelijke waarde een grote impact heeft.
De resultaten laten verder zien hoe laag de toegevoegde waarde van expats is. Slechts in het geval dat zij werken in bedrijven met hoge winstmarges en grotendeels in handen van ingezetenen, voegen zij waarde toe. Zodra bedrijven grotendeels of helemaal in handen zijn van niet-ingezetenen is de bijdrage van een expat zelfs negatief. De hoge belastingvrijstelling voor dit type werknemer is hier debet aan. Dit betekent dat de ratio voor de instroom van arbeidsmigranten en expats alleen is te vinden in hoge positieve externe en tweede orde effecten.
Conclusies en beschouwingen
De laatste jaren toont het beleid meer aandacht voor een rationele beoordeling van de wenselijkheid van de inzet van arbeidsmigranten. Naast de economische waarde zou er ook meer aandacht moeten zijn voor alle externe en indirecte effecten.
Verder is de huidige beleidsstelling dat allerlei misstanden ten aanzien van arbeidsmigratie moeten worden bestreden en dat de inzet van arbeidsmigratie zich vooral moet richten op technologisch hoogwaardige arbeid in kennisintensieve bedrijven.
De directe toegevoegde waarde voor de Nederlandse samenleving van een expat werkzaam bij ASML is beperkt, zo niet negatief, mede vanwege de hoge belastingvrijstellingen.
Het laatste deel van de vorige stelling komt vooral voort uit hoe beleidsmakers het begrip toegevoegde waarde definiëren. Zij hanteren een concept dat sterk verwant is aan het bruto binnenlands product in de Nationale rekeningen, dat een geografische afbakening heeft. Aangezien brede welvaart een sterke sociale dimensie heeft ligt het meer voor de hand om ook in dit deel van de beoordeling – welvaart in enge zin - de huidige ingezetenen als vertrekpunt te hanteren. Dit sluit eerder aan bij het begrip bruto nationaal inkomen (BNI).
Een andere breed gedragen misvatting is dat de welvaart gediend is met een hoge arbeidsproductiviteit. Dit is een partieel productiviteitscijfer wat in deze context weinig relevantie heeft. Een operator in een volledig geautomatiseerd bedrijf heeft een hoge arbeidsproductiviteit, terwijl zijn bijdrage aan de welvaart heel beperkt is. Het is veel relevanter om naar een begrip als totale factor productiviteit (TFP) te kijken.
Verder is het opvallend dat het beleid nauwelijks oog heeft voor de herkomst van het eigendom van de productiefactor kapitaal. Ook daarvoor geldt immers dat buitenlandse aandeelhouders de facto beslag leggen op binnenlandse infrastructuur, beroepsbevolking, publieke voorzieningen en fysieke ruimte, terwijl de toegevoegde waarde aan het BNI beperkt is. Voor deze groep aandeelhouders geldt bovendien dat zij door allerlei regelingen en verdragen ook nog eens minder belasting afdragen dan ingezetenen.
Er is al helemaal sprake van een beperkte waardecreatie als buitenlands aandeelhouderschap en arbeidsmigranten samenkomen in één bedrijf. ASML is zo’n voorbeeld. Volgens SOMO (Leth, 2024) komt 40 procent van de werknemers van ASML in Nederland uit het buitenland. Volgens dezelfde bron is 98,2 procent van de aandelen van ASML in buitenlandse handen. De netto belastingopbrengst van een expat is negatief en gegeven het hoge aandeel buitenlandse aandeelhouders lekken de winsten van het bedrijf ook weg. De inzet van niet-ingezetenen voor ASML in Nederland is dus alleen te rechtvaardigen als er sprake is van enorme spin-offs van het bedrijf. De directe toegevoegde waarde voor de Nederlandse samenleving van een expat werkzaam bij ASML is beperkt, zo niet negatief, mede vanwege de hoge belastingvrijstellingen.
Nederland is een dichtbevolkt land en heeft het, op een paar ministaatjes na, de hoogste economische druk per km2 ter wereld (=BBP/oppervlakte). Waar misschien in het verleden nog sprake was van economies of density zijn die nu omgeslagen in congestie-inefficiënties. Het stimuleren van de groei van de bevolking en bedrijvigheid ligt dan niet erg voor de hand. Dit geldt zeker als deze groei geen of een geringe toegevoegde waarde heeft. Voor het beoordelen van die toegevoegde waarde zijn grootheden als BBP en arbeidsproductiviteit een artefact.
In een periode waarin er sprake is van werkloosheid, dient arbeidsmigratie de facto helemaal geen doel, tenzij er hier en daar sprake is van kwalitatieve tekorten. Wie nu verwijst naar de huidige krapte op de arbeidsmarkt zou wellicht beter zijn aandacht kunnen richten op de verborgen werkloosheid in de WIA en de ondoelmatige inzet van personeel in grote delen van de publieke dienstverlening en in sommige marktsectoren.
Met dank aan Alex van Heezik voor zijn commentaar op een eerdere versie van dit artikel.
Referenties
Te citeren als
Jos Blank, “Voegt arbeidsmigratie waarde toe? Het is maar hoe je ernaar kijkt”,
Me Judice,
8 april 2026.
Copyright
De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.
Afbeelding
Door ''
Metropolitan Transportation''