Wat zijn efficiëntie-ingenieurs, de ‘hoofdpersonen’ van jouw boek?
Efficiency-ingenieurs zijn ingenieurs die tussen ongeveer 1890-1930 afstudeerden aan de Technische Hogeschool Delft (tegenwoordig: Technische Universiteit Delft) en onder invloed van moderne managementtheorieën, zoals het wetenschappelijk bedrijfsbeheer (scientific management of taylorisme), hun aandacht verlegden van zuiver technische vraagstukken naar vraagstukken van organisatie, efficiëntie en optimaliteit. Door de toepassing van hun rationele denken op deze terreinen ontwikkelden zij zich na de Eerste Wereldoorlog tot de eerste efficiëntie-experts, organisatieadviseurs, projectmanagers, logistieke planners, bedrijfseconomen, kostprijscalculators, planeconomen, stads- en regioplanners en macro-economen.
Veel van deze efficiency-ingenieurs waren links-progressief en sociaal geëngageerd [...] Zij zagen efficiëntieverbetering niet alleen als een manier om bedrijven beter te organiseren maar ook als een vorm van sociale hervorming.
Enkele bekende personen die tot deze beweging van efficiency-ingenieurs gerekend kunnen worden waren: Jan Goudriaan jr. (hoogleraar kostprijsberekening en vicepresident Philips), Ernst Hijmans (medeoprichter eerste organisatieadviesbureau), Vincent Willem van Gogh (neef van de schilder,medeoprichter eerste organisatieadviesbureau), Berend Willem Berenschot (organisatieadviseur), Hein Vos (minister van economische zaken PvdA), Willem Albarda (partijleider SDAP), Theo van der Waerden (kamerlid SDAP) en Theo van Lohuizen (ruimtelijke planner).
Veel van deze efficiency-ingenieurs waren links-progressief en sociaal geëngageerd. Verschillende van hen waren toonaangevende leden van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) of betrokken bij de arbeidersbeweging. Zij zagen efficiëntieverbetering niet alleen als een manier om bedrijven beter te organiseren maar ook als een vorm van sociale hervorming. Door de taart te vergroten kon iedereen een groter deel krijgen en beter af zijn. Efficiëntieverbetering bood een uitweg uit de nul-som-spel-wereld van Karl Marx, waarin arbeid of kapitaal zich alleen ten kostte van elkaar konden verbeteren. Efficiency-ingenieurs stonden zo voor een ‘derde weg’ tussen ongeremde vrije marktkapitalisme en een socialistische planeconomie, die liep via planning en rationalisatie van bedrijven en bedrijfstakken.
Je bespreekt de ingenieurs-methode die rond 1900 aan betekenis toenam. Wat behelst die methode? En is die methode een vorm van bureaucratisering en technocratisering? Hoe verhoudt het zich tot centrale planning en ordoliberalisme?
Efficiency-ingenieurs kregen op de werkvloer te maken met tal van optimalisatie-problemen, zoals de optimale afschrijftermijn van een machine, de optimale voorraad van grondstoffen, de minimalisering van distributiekosten of de planning van optimale productiehoeveelheden. Tegenwoordig worden dit soort vraagstukken op allerlei niveaus onderwezen als bedrijfseconomie of bedrijfskunde, maar aan het begin van de twintigste eeuw bestonden deze vakgebieden en de bijbehorende kennis niet. Ingenieurs moesten voor dit soort vraagstukken zelf oplossingen verzinnen en ontwikkelden daarvoor tal van analytische hulp- of controlemiddelen, zoals (tijds)metingen, arbeidsanalyse, planning, planborden, diagrammen, schematisering, kostprijsberekening, budgetcontrole, normalisatie en optimalisatie. Met deze zelf-ontwikkelde analytische hulpmiddelen probeerden efficiency-ingenieurs op een praktisch-empirische manier, met vallen en opstaan, optimalisatie-problemen in bedrijven op te lossen.
Kostprijsberekening bijvoorbeeld, was voor efficiency-ingenieurs niet alleen een manier om verkoopprijzen te bepalen voor afzetmarkten, maar ook een instrument om inefficiënties in fabrieken en bedrijven mee op te sporen. Door nauwkeurig te ontleden hoe kosten waren opgebouwd, konden zij nagaan waar precies in het productieproces hoge kosten werden gemaakt. Vervolgens kon dan empirisch-experimenteel onderzocht worden of het productieproces daar goedkoper of efficiënter kon, bijvoorbeeld door andere bewerkingen of machines of materialen te gebruiken of onbenutte capaciteit te benutten. De ingenieursmethode is dan: een oplossing verzinnen, empirisch testen, metingen doen en aanpassingen maken (kalibreren) totdat de optimale oplossing is bereikt.
In het boek definieer ik de ingenieursmethode als: ‘het oplossen van optimalisatieproblemen met de best beschikbare heuristieken in een experimenteel, iteratief proces’. Daarmee is de ingenieursmethode sterk verankerd in de empirische traditie van het klassieke positivisme en wijkt het ook sterk af van axiomatische, deductieve redeneringen die economen hanteren.
Maar wat ik in het boek vooral wilde laten zien is hoe ingenieurs de ingenieursmethode en hun ingenieursdenken niet uitsluitend op technische onderwerpen toepasten, maar op een steeds verder uitbreidend domein van sociaaleconomische onderwerpen. Wat begon met controlemiddelen op de fabrieksvloer van bedrijven om individuele arbeiders te controleren en hun productiviteit te verhogen, zoals arbeidsanalyses, breidde zich uit naar controle over bedrijfsafdelingen, hele bedrijven, kantoren, het overheidsapparaat, complete sectoren van de economie, wijken, steden en regio’s en uiteindelijk de hele nationale economie.
In dit opzicht lijken efficiency-ingenieurs sterk op Jan Tinbergen, die ook zo’n ingenieursmentaliteit en maakbaarheidsidee van de economie had en met wiskunde, statistiek en modelbouw de economie wilde controleren. Deze benadering leidde inderdaad tot een technocratisering van besluitvorming.
Ook conjunctuurgolven waren met rationele middelen zoals planning beheersbaar, zo dachten efficiency-ingenieurs. In dit opzicht lijken efficiency-ingenieurs sterk op Jan Tinbergen, die ook zo’n ingenieursmentaliteit en maakbaarheidsidee van de economie had en met wiskunde, statistiek en modelbouw de economie wilde controleren. Deze benadering leidde inderdaad tot een technocratisering van besluitvorming, zowel binnen bedrijven als in het maatschappelijke domein. Het zorgde ervoor dat sociaaleconomische onderwerpen transformeerden tot gedepolitiseerde, technische optimalisatie-vraagstukken die met technische expertise konden worden opgelost, zoals we dat nog altijd terug zien bij de Nederlandse planbureaus.
Ik zie de Nederlandse planbureaus als een uitvloeisel van deze technocratisering van beleidsvorming. En deze technocratisering van beleid heeft inderdaad raakvlakken met centrale planning en ordoliberalisme (een sterke staat die markten creëert en stut). Ook daar zie je dat idee van een maakbare economie terug. Maar dat efficiency-ingenieurs dat maakbaarheidsideaal hadden, is welbegrijpelijk; ingenieurs zijn nu eenmaal professionele ‘makers’ van dingen. Wie de principes van de natuurkunde en mechanica beheerst, beheerst de natuur en kan de wereld ‘maken’ en optimaliseren, zo dachten ze.
Pareto efficiëntie is een constituerende notie in de economische wetenschap – elke econoom kent de definitie. Wat wordt in het boek onder efficiëntiedenken verstaan? En is dat hetzelfde als economisch denken?
Onder Pareto-efficiëntie verstaan economen nagenoeg altijd een vorm van distributieve efficiëntie. Het gaat er dan om middelen optimaal te verdelen zodat niemand zich meer kan verbeteren zonder dat iemand anders er op achteruit gaat. Dat is niet de benadering van efficiency-ingenieurs. Zij benadrukken altijd productieve efficiëntie, de aanwending van middelen zodanig dat een maximale productie tot stand komt. Het idee daarbij is eigenlijk dat‘verspilling’ te allen tijde moet worden geminimaliseerd.
Als je vanuit dat perspectief naar de wereld kijkt, zoals die Delftse efficiency-ingenieurs deden, zie je de wereld ook anders. De concurrentie op het gebied van pakketjesbezorging bijvoorbeeld, waarbij verschillende aanbieders allemaal met hun eigen bezorgauto door dezelfde woonwijk rijden, zouden efficiency-ingenieurs inefficiënt en verspillend vinden. Zij zouden wijzen op de grote maatschappelijk winsten die te behalen zouden zijn in de productie van deze dienstverlening door het benutten van schaalvoordelen en netwerkexternaliteiten.
Tien jaar geleden oefenden de Maagdenhuisbeweging kritiek op het rendementsdenken aan universiteiten – er zou onder ander teveel met afvinklijsten van publicaties en citaties gewerkt worden. Is het rendementsdenken de 21e eeuwse pendant van efficiëntiedenken? En deel jij de kritiek die nog altijd te horen is?
Het rendementsdenken is naar mijn idee terug te voeren op de grondlegger van het wetenschappelijk bedrijfsbeheer, de Amerikaanse ingenieur Frederick Taylor, die met een stopwatch bij een arbeider ging staan om te meten hoelang die erover deed om een gat te boren in een staalplaat. Tegenwoordig heeft efficiëntiedenken een negatieve connotatie gekregen door de kille nadruk op rationele bedrijfsprocessen, waarin voor menselijk contact geen plaats meer lijkt te zijn. In ziekenhuizen, het onderwijs, de bejaardenzorg en de kinderopvang is er geen plaats meer voor de ‘menselijke maat’.
Op tal van plaatsen in de samenleving is deze weerzin tegen het efficiëntiedenken merkbaar. Maar we moeten niet vergeten dat dat efficiëntiedenken ook de bron van onze moderne industriële samenleving is en daarmee de bron van onze welvaart.
De cultuur van obsessief meten, berekenen en efficiëntie najagen is te ver doorgeschoten en heeft kwalijke neveneffecten, zo stelt bijvoorbeeld de Belgische technologiefilosoof Yoni van den Eede. Op tal van plaatsen in de samenleving is deze weerzin tegen het efficiëntiedenken merkbaar. Maar we moeten niet vergeten dat dat efficiëntiedenken ook de bron van onze moderne industriële samenleving is en daarmee de bron van onze welvaart. Ook in het interbellum was er enorm veel weerzin tegen rationalisatie op de werkplek. Maar voor onderwijs en onderzoek vind ik dit efficiëntiedenken wel problematisch omdat het kwaliteit reduceert tot kwantiteit.
Je werkt momenteel aan een Engelse uitgave. Mijn indruk is dat het efficiëntiedenken vooral een Nederlands verschijnsel is. Klopt dat? Hoe presenteer je jouw bevindingen aan een buitenlands publiek?
Ik overweeg inderdaad een Engeltalige editie van mijn boek. In dat boek zou ik boodschap van mijn Nederlandse boek willen benadrukken, namelijk de maatschappelijke opmars van het ingenieursdenken en hoe planning zich ontwikkelde van een microniveau (bedrijfsniveau) naar een macroniveau. Dat was, denk ik, niet exclusief Nederlands. Het taylorisme, wat een belangrijke inspiratiebron was voor Delftse ingenieurs, werd na de Eerste Wereldoorlog in een groot aantal westerse landen hartelijk verwelkomt door zeer uiteenlopende groepen van mensen, van politiek links tot rechts en van progressief tot conservatief. De Nederlandse planbureau-traditie zie ik wel als iets typisch Nederlands.
Te citeren als
David Hollanders, “Interview: ‘Efficiëntieverbetering bood een uitweg uit de nul-som-spel-wereld van Karl Marx’”,
Me Judice,
27 januari 2026.
Copyright
De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.
Afbeelding
(c) Peter Rodenburg