Longread: Speciale Economische Zone Rotterdam voorkomt klimaatvertraging en bbp-verlies

Longread: Speciale Economische Zone Rotterdam voorkomt klimaatvertraging en bbp-verlies image
Rotterdamse Havens, door Marianne de Wit.

De energietransitie loopt steeds vaker vast in de uitvoering. Netten en aanlanding lopen vertraging op, terwijl industriële verduurzamingsprojecten wachten op netruimte, vergunningen en heldere spelregels. Dat roept de vraag op hoe Nederland de huidige realisatiefase uitvoerbaar houdt. Generieke beleidsaanpassingen lossen de blokkades niet op. Een tijdelijke Speciale Economische Zone rond Rotterdam draagt bij aan het voorkomen van bbp-verliezen die kunnen oplopen tot wel 5%.

1. Rotterdam op het kantelpunt

Het Rotterdamse haven- en industriecluster vervult een centrale rol in zowel de Europese industrie als het Noordwest-Europese energiesysteem. De concentratie van energie-intensieve productie, strategische infrastructuur en grensoverschrijdende waardeketens maakt deze regio bepalend voor het slagen of falen van de industriële energietransitie.

De kern van dit stuk is uitvoerbaarheid: waar kunnen randvoorwaarden het eerst op orde komen en waar is de systeemimpact per euro het grootst? Rotterdam is daarvoor de logische eerste casus, omdat infrastructuur, vergunningen, stikstofruimte en investeringsbeslissingen er samenkomen. Een Speciale Economische Zone kan die blokkades doorbreken.

Basisindustrie en strategische waardeketens

De Rotterdamse havenregio behoort tot de grootste chemie- en energieclusters van Europa. In een compact gebied komen raffinage, chemie, energieproductie, waterstofketens en brandstoffenlogistiek samen, met directe pijplijnverbindingen naar België en Noordrijn-Westfalen (CE Delft et al., 2021). Vanuit dit cluster worden veel bouwstenen geleverd voor kunststoffen en andere materialen die onmisbaar zijn voor de Europese maakindustrie, bouw en isolatie, elektronica, medische toepassingen en de voedingsindustrie (Systemiq, 2022).

Rotterdam is daarvoor de logische eerste casus, omdat infrastructuur, vergunningen, stikstofruimte en investeringsbeslissingen er samenkomen. 

Daarmee is Rotterdam ook een nationaal knooppunt in het energiesysteem: hier komen grootschalige aanlanding van wind op zee, de waterstofbackbone en de CO₂-transport- en opslaginfrastructuur samen. Het is dus niet alleen een regio die last heeft van de energietransitie, maar ook een logische plek om investeringen, banen en ketenactiviteiten te concentreren en bedrijvigheid te stimuleren in de achterliggende waardeketen tot in Moerdijk (TNO, 2025b; CE Delft et al., 2021; Systemiq, 2022).

Vraag verdwijnt niet, productie kan wél verplaatsen

De vraag naar de producten uit het Rotterdamse cluster verdwijnt de komende decennia niet, en de behoefte aan vervangende duurzame energie, grondstoffen en halffabricaten groeit in verschillende gevallen juist met de energietransitie. Scenario’s laten een toenemende behoefte zien aan materialen, moleculen en infrastructuur die deze omslag mogelijk maken (TNO, 2025a; ISPT, 2025). De kernvraag is daarom niet of deze activiteiten plaatsvinden, maar waar en onder welke randvoorwaarden.

Als de productie niet in Rotterdam plaatsvindt, wijkt zij uit naar regio’s met minder strenge klimaatregels en minder efficiënte installaties. Mondiaal kunnen emissies hoger uitvallen dan wanneer dezelfde productie binnen een streng Europees kader en in een bestaand cluster als Rotterdam wordt verduurzaamd (TNO, 2025b).

Het potentieel van Rotterdam

De regio rond de Rotterdamse haven heeft de komende jaren een grote potentie voor nationale emissiereductie en voor het ontsluiten van mitigatieopties voor het achterland. Hoewel kostenvoordelen in gasvoorziening zijn verdwenen, beschikt Rotterdam over structurele voordelen in windenergie op zee, CO₂‑opslag en bioraffinage. Daardoor kunnen randvoorwaarden hier eerder en meer geïntegreerd landen dan in andere clusters. In de planvorming vormt het gebied het knooppunt voor de aanlanding van wind op zee, de waterstofbackbone en het CO₂-transport en -opslagsysteem, waaronder Porthos en Aramis (TNO, 2025b; CE Delft et al., 2021; TNO, 2021).

Rotterdam heeft daarnaast een hubfunctie voor import en doorvoer van groene energiedragers en duurzame grondstoffen. In combinatie met de Noordzee als bron voor wind op zee, waterstof en CO₂-opslag versterkt dit de systeemrol richting het achterland en spreidt het de aanvoer over leveranciers en routes (Bollen et al., 2025a).

Rotterdam als eerste uitvoeringslocatie in het Klimaatplan

Rotterdam ontsluit offshore-energie en moleculen voor het hele achterland via elektriciteits- en waterstofinfrastructuur richting België en Noordrijn-Westfalen, met directe aansluiting op grootschalige CO₂-opslag. Daardoor is de systeemimpact per geïnvesteerde euro hier groot en kunnen emissiereducties relatief vroeg in de uitvoeringsfase worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij het Klimaatplan, dat richting 2040 inzet op grootschalige CO₂-opslag naast 30–40 gigawatt wind op zee (TNO, 2025b; Ministerie van Klimaat en Groene Groei, 2025), waarbij vroege reducties in het Rotterdamse cluster de basis leggen voor opschaling elders in Nederland.

Juist op deze plek, waar de systeemeffecten en kostenefficiëntie het grootst zijn, zien we dat cruciale investeringen in CCS, waterstof, bioraffinage en elektrificatie nu vastlopen [...] Generieke beleidsaanpassingen lossen deze blokkades niet op.

Het gaat om maatregelen met relatief lage marginale kosten van de huidige transitie, grofweg 150-250 euro per ton CO₂, terwijl in veel scenario’s circa 500 euro per ton CO₂ nodig is om de laatste CO₂ eruit te drukken (TNO, 2025b). De gunstige kostenperspectieven in deze eerste fasen van industriële transformatie zullen ook positief uitstralen op de rest van Nederland en een springkussen vormen voor een op termijn grootschaliger defossiele industrie (zie kader 1 voor het bredere perspectief).

Kader 1. Waarom op termijn een defossiele industrie ook economisch kan renderen.

Het realiseren van een klimaatneutrale energie- en industriestructuur vraagt grote investeringen, maar impliceert niet dat energie en industriële productie structureel duurder worden. Integrale techno-economische analyses en energiesysteemmodellering laten zien dat een duurzame energievoorziening, in vergelijking met een systeem dat grotendeels op fossiele brandstoffen blijft draaien, op termijn zelfs goedkoper kan zijn (Scheepers et al., 2019). In recente EU-analyses over concurrentievermogen en energiekosten zorgt hernieuwbare energie voor structurele kosten- en stabiliteitsvoordelen ten opzichte van fossiel (Draghi, 2024) door dalende technologiekosten, slimme procescombinaties, flexibiliteit in energie- en koolstofdragers en meer circulariteit.

Voor de industrie geldt dat combinaties van elektrificatie, biobased routes, circulaire productie, waterstof en CCUS zicht bieden op kosteneffectieve verduurzaming. Kostenanalyses voor o.a. basischemicaliën laten zien dat duurzame productieroutes bij verdere opschaling concurrerend kunnen worden (Toribio-Ramirez et al., 2025). Met name bij biobased processen ontstaan ‘Bio-energie met CCS’ (BECCS)-opties waarbij schone, vaak geconcentreerde biogene CO₂ vrijkomt, wat afvang en opslag mogelijk maakt tegen kosten van enkele tientjes per ton CO₂, afhankelijk van toepassing en randvoorwaarden. Deze negatieve emissies kunnen de totale kosten van het halen van klimaatdoelen aanzienlijk verlagen en versterken daarmee het economische perspectief van een defossiele industrie.
 

Juist op deze plek, waar de systeemeffecten en kostenefficiëntie het grootst zijn, zien we dat cruciale investeringen in CCS, waterstof, bioraffinage en elektrificatie nu vastlopen op ontbrekende randvoorwaarden: netcongestie, onzekerheid over CO₂-opslag, trage vergunningverlening en beperkingen in stikstofruimte. Generieke beleidsaanpassingen lossen deze blokkades niet op, omdat zij de samenloop van infrastructuur, vergunningen, stikstofruimte en budget niet op één plek en in één tempo kunnen organiseren. Die spanning, een kansrijke locatie met een vastlopend transitiepad, vormt de directe aanleiding om in de volgende sectie een Speciale Economische Zone voor het Rotterdamse cluster uit te werken.

2. Ons voorstel: een Speciale Economische Zone (SEZ) als uitvoeringskader

De kern van de voorgestelde systeemingreep is uitvoeringszekerheid in Rotterdam: randvoorwaarden op orde, één mandaat, één tempo. Dit creëert stabiliteit en voorspelbaarheid in een energiesysteem dat ingrijpend verandert (kader 2), en helpt tegelijk kosten te beheersen en concurrentievermogen en ketenwaarde te beschermen.

SEZ: Eén gebied, één interdepartementaal mandaat

In de huidige situatie zijn verantwoordelijkheden voor klimaat, infrastructuur, stikstof en budget verspreid over verschillende ministeries. Elk departement optimaliseert zijn eigen deel, terwijl het succes van het Klimaatplan, gegeven de onzekerheden, juist te allen tijde afhangt van integrale (bij)sturing (Ministerie van Klimaat en Groene Groei, 2025; Raad van State, 2025).

Met een SEZ Rotterdam bedoelen we een tijdelijk, gebiedsgericht uitvoeringskader waarin:

  • de Rijksoverheid één interdepartementaal mandaat vastlegt om integraal te sturen op klimaatdoelen, infrastructuur, stikstofruimte en budget in het cluster;
  • een afgebakende set ketens, CCS, BECCS, industriële elektrificatie, koolstofarme waterstof en groene moleculen, onder één publiek-privaat risicoregime valt;
  • bestaande instrumenten gebundeld en versneld worden ingezet binnen de EU-regels. Denk hierbij aan Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++), het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), Important Projects of Common European Interest (IPCEI), netcodes en staatssteunkaders;
  • de zone ruimtelijk functioneel wordt afgebakend tot het Rotterdamse cluster en Moerdijk als kerngebied, inclusief de direct gekoppelde energie‑infrastructuurcorridors, en temporeel tot circa 2040, als gebiedsgerichte uitvoeringsaanpak binnen bestaande nationale en Europese kaders (TNO, 2025b; Ministerie van Klimaat en Groene Groei, 2025; Bollen, Faaij, et al., 2025).

Een SEZ is een projectruimte voor een gebied: doelen blijven gelijk, maar sturing, budget en spelregels worden in één cluster op elkaar gelegd. De ketens zijn grensoverschrijdend, maar het mandaat moet binnen één rechtsorde uitvoerbaar zijn. Daarom kiezen we voor een functionele afbakening rond Rotterdam met expliciete interfaces naar internationale corridors.

De SEZ is geen uitzonderingspositie voor individuele bedrijven, maar een institutionele oplossing voor een cluster dat systeemkritisch is voor het nationale klimaatpad, Europese concurrentiepositie en het Nederlandse investeringsklimaat. Door infrastructuurzekerheid en beleidscoördinatie te vergroten, wordt Rotterdam ook aantrekkelijker voor buitenlandse investeerders die locatiekeuzes heroverwegen (TNO, 2025b; CE Delft et al., 2021; Europese Commissie, 2022).

SEZ: Van gebiedsgerichte uitvoering naar nationaal beleid

De SEZ is een overgangsinstrument tot ongeveer 2040, de horizon van het huidige Klimaatplan (Ministerie van Klimaat en Groene Groei, 2025). Het doel is om in één gebied versneld randvoorwaarden op orde te brengen, zodat nationaal beleid daarna op een stabiel fundament kan landen.

Kader 2. Naar stabielere energiekosten: wat is ervoor nodig?

Een voordeel van een duurzaam energiesysteem is niet alleen het kostenniveau, maar ook stabielere kosten. Hernieuwbaar is doorgaans minder gevoelig voor geopolitieke prijsschokken dan olie en gas, doordat brandstofkosten lager zijn en de aanvoer over meer bronnen kan worden gespreid. Flexibele industriële processen, opslag en vraagsturing dempen prijsfluctuaties (Martinez-Gordon et al., 2025; Diéguez et al., 2021).

Dit vraagt: (1) technologie-agnostische sturing, zodat meerdere opties kunnen bijdragen en het systeem niet in dure delen van de kostencurve terechtkomt; (2) innovatie via onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en uitrol (research, development, demonstration and deployment, RDDD), zodat leercurves kunnen worden doorlopen; en (3) consistent beleid en gecoördineerde infrastructuurontwikkeling, zodat flexibiliteit en schaalvoordelen daadwerkelijk worden benut (Scheepers et al., 2019; Martinez-Gordon et al., 2025; Diéguez et al., 2021).
 

Rotterdam als eerste casus betekent niet dat andere industrieclusters kunnen wachten, maar dat de volgordelijkheid in het nationale transitiepad wordt gerespecteerd: hier komen de grootste concentratie van industriële emissiebronnen, directe nabijheid van CO₂-opslag, vroege aansluiting op de waterstofbackbone en grootschalige aanlanding van wind op zee samen. Daardoor liggen de marginale systeemkosten van verduurzaming hier lager dan in andere clusters.

Parallel is het van belang dat lessen uit Rotterdam snel toepasbaar zijn in andere clusters, zoals het Noordzeekanaalgebied, Zeeuws-Vlaanderen, Chemelot en Eems-Delfzijl. Die verschillen in ligging en infrastructuur en komen daardoor later of tegen hogere marginale systeemkosten aan bod. Rotterdam kan als eerste schaalstap dienen: een investeringsanker dat governance-ervaring en infrastructuurvolgordelijkheid oplevert voor opschaling.

De SEZ zelf is technologie- en sectorneutraal: zij legt het speelveld en de randvoorwaarden vast, maar kiest niet vooraf al voor één winnende technologie of sector.

SEZ: Budgettaire borging, stopknoppen en eindigheid

Een SEZ is alleen verdedigbaar als zij budgettair begrensd is. De kern is versnellen en bundelen, zonder open einde in publieke verplichtingen.

Daarom hoort de SEZ expliciet te werken met:

  • een plafond op publieke blootstelling: infrastructuur (net, waterstof, CO₂), risicodeling (bijvoorbeeld inzake CCS- en BECCS-ketens) en compensaties tot buurlandniveau (zoals IKC ETS)
  • heldere toewijzingsregels via transparante openstellingen en standaardcontracten, zodat steun geen maatwerk voor één partij wordt (Europese Commissie, 2022);
  • mijlpalen en stop-knoppen, bijvoorbeeld geen nieuwe verplichtingen als essentiële infrastructuurmijlpalen niet haalbaar blijken of als Europese staatssteunkaders substantieel wijzigen;
  • een expliciete einddatum, met evaluatie rond 2030 en besluit over afbouw of overdracht rond 2035, passend bij de Klimaatplan-horizon (Ministerie van Klimaat en Groene Groei, 2025; Raad van State, 2025).

Deze borging is geen administratieve bijzaak, maar een randvoorwaarde om tempo te maken zonder budgettaire ontsporing.

3. Beleidspijlers SEZ voor Rotterdam

Macro-economische analyse van TNO laat zien dat aanhoudende vertraging in elektrificatie en infrastructuur, bij oplopende EU-ETS-kosten, rond 2040 kan samenhangen met een bbp dat 2–2,5% lager ligt dan bij tijdige randvoorwaarden. In ongunstigere gevallen, als dynamische doorwerkingseffecten, zoals innovatie-impulsen en spill-overs via handel tussen sectoren en landen, sterker uitpakken, kan het verlies zo maar oplopen tot circa 5% (TNO, 2025b; Bollen et al., 2016). Dit zijn scenario-uitkomsten, geen voorspellingen.

Een succesvolle Rotterdamse SEZ is daarmee opmaat en noodzakelijke bouwsteen van het nationale klimaatpad. 

Deze macro-risico’s zijn te beperken door de investeringsinitiatieven die al klaarliggen tijdig uit te voeren. In het Rotterdamse cluster gaat het daarbij vooral om CCS, waterstof, elektrificatie en groene moleculen, op het knooppunt van wind op zee, CO₂-opslag en waterstofinfrastructuur richting België en Noordrijn-Westfalen. Omdat dit deel van het Klimaatplan relatief lage marginale kosten kent, kan hier snel en met een beperkt beslag op publieke middelen emissiereductie worden gerealiseerd en het risico op bredere macro-economische schade worden verkleind.

Een succesvolle Rotterdamse SEZ is daarmee opmaat en noodzakelijke bouwsteen van het nationale klimaatpad. De SEZ is geen technologieprogramma, maar een uitvoeringskader dat randvoorwaarden bundelt zodat lopende projecten kunnen worden gerealiseerd. Hieronder laten we zien waar projecten vastlopen, welke investeringsrisico’s dat creëert en welke oplossingen binnen de SEZ logisch zijn.

CCS en negatieve emissies: basis onder het klimaatplan

BECCS houdt in dat bij de verbranding van duurzame biomassa CO₂ vrijkomt, die vervolgens wordt afgevangen en opgeslagen. Omdat de biomassa tijdens de groei CO₂ uit de lucht heeft opgenomen, ontstaat per saldo een negatieve emissie. Macro-analyses laten zien dat in 2040 ongeveer 20 tot 25 megaton negatieve emissies nodig is om grote kostenstijgingen en druk op het bbp te voorkomen (TNO, 2025b; CPB, 2017).

Binnen de SEZ gaat het niet om generieke BECCS-subsidie, maar om het expliciet waarderen van twee functies: leveringszekerheid (beschikbaarheid) en de klimaatdienst (negatieve emissies). Daarmee wordt duidelijk waarvoor publieke middelen worden ingezet en wat daarvoor terugkomt.

Een Carbon Take Back Obligation (CTBO) kan als nationaal vangnet dienen zolang het EU-ETS negatieve emissies nog niet beloont. Producenten en importeurs van fossiele brandstoffen krijgen dan een verplichting om een oplopend deel van de koolstof die zij op de markt brengen te laten opslaan. BECCS kan hiervoor certificaten leveren. De overheid borgt vooral de opslagintegriteit en volumelevering (Margriet Kuijper Consultancy et al., 2021a; Margriet Kuijper Consultancy et al., 2021b; Penrose, 2021; Bollen, Kuijper, & van Soest, 2025; Jenkins et al., 2021)..

Systeemstudies laten zien dat een groot deel van het BECCS- en CCS-potentieel rond Zuid-Holland ligt (CE Delft et al., 2021). BECCS in Rotterdam past daarmee bij het halen van nationale klimaatdoelen en bij het accommoderen van strengere doelen (TNO, 2025b; CE Delft et al., 2021; CPB, 2017).

Waterstof en syngas: een eerlijk speelveld in het cluster

Plannen voor klimaatvriendelijke waterstof in Rotterdam, zoals H-Vision, lopen vast op het belastingstelsel. Als een fabriek in de haven waterstof levert aan een andere fabriek in hetzelfde gebied, wordt dat nu behandeld alsof de waterstof van buiten komt, met opnieuw energiebelasting (ISPT et al., 2024; Port of Rotterdam, 2022). Dat maakt centrale productie van waterstof uit restgassen met CO₂-afvang minder aantrekkelijk.

Binnen de SEZ kan tijdelijke belastingneutraliteit gelden voor waterstof die binnen het cluster wordt uitgewisseld. Zolang bedrijven aantoonbaar CO₂-uitstoot verminderen en toegang openblijft voor meerdere partijen, betalen zij geen extra belasting enkel door interne uitwisseling. Daarmee wordt het beleids- en prijsrisico kleiner en worden investeringsbeslissingen robuuster (TNO, 2025b; ISPT et al., 2024).

HyChain laat zien hoe een geïntegreerd park voor waterstof en syngas in Rotterdam kan functioneren, met elektrolysers, blauwe waterstof en afnemers in brandstoffen en basischemicaliën (ISPT et al., 2024; TNO, 2021).[1] In scenario’s met snelle emissiereductie en beperkte netuitbreiding helpt juist de combinatie van lokale elektrolyse, waterstof- en CO₂-infrastructuur en grote industriële afnemers om systeemkosten te beheersen en wind op zee te benutten (TNO, 2025b; CE Delft et al., 2021; ISPT et al., 2024).

Elektrificatie: Tijdelijke inzet vluchtstrook en vereffening van het speelveld

Het net is ontworpen op hoge leveringszekerheid, ook bij uitval van één component, het N-1-criterium (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, 2020). Voor flexibele afnemers zoals e-boilers en elektrolysers kan tijdelijk een lichter contractregime volstaan.

In de SEZ wordt daarom een tijdelijke vluchtstrook gecreëerd: flexibele grootverbruikers krijgen sneller toegang tot netcapaciteit, in ruil voor vooraf afgesproken afschakeling bij krapte. Zo kan elektrificatie eerder plaatsvinden zonder te wachten op volledige netverzwaring. Tijdelijk lagere nettarieven voor flexibele gebruikers kunnen dit versnellen en helpen ongebruikte SDE++-beschikkingen te verzilveren (TNO, 2025b; Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, 2020; TNO, 2022; TNO, 2023b; TNO, 2023a; Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, 2024).

Naast fysieke netruimte is het kostenverschil met omliggende landen een directe investeringsbarrière. Daarom kan binnen de SEZ het speelveld vereffend worden met buurlanden, onder meer via (i) IKC op een vergelijkbaar niveau en (ii) vergelijkbare tarief- en contractvormen en bijvoorbeeld tijdelijke uitzonderings- of pilotregimes, zoals de ontheffing voor flexibele elektrolyse in Duitsland (Bollen et al., 2024).

Het doel is niet generiek subsidiëren, maar het wegnemen van een nationale handicap ten opzichte van de meest concurrerende regelingen in buurlanden.

Bioraffinage en groene moleculen: naar een robuuste keten

De eerste ronde bioraffinageprojecten in Rotterdam mislukte niet door techniek, maar door gebrek aan stabiele vraag. Binnen de SEZ kan vraagzekerheid worden geborgd via langjarige afnamecontracten en vraagzijdebeleid dat duurzame producten en brandstoffen structureel markt maakt (Deloitte, 2025). Analyses laten zien dat de effecten op consumentenuitgaven en ticketprijzen in veel scenario’s beperkt kunnen blijven, terwijl de systeemvoordelen groot zijn (Deloitte, 2025; Usmani, 2021).

Scenariowerk toont aan dat Rotterdam fossiele doorvoer kan afbouwen en tegelijk nieuwe ketens voor biogrondstoffen, recycling en synthetische moleculen kan opbouwen binnen beperkt extra ruimtebeslag (TNO, 2025a; ISPT, 2025). Macro-analyses bevestigen dat groene moleculen, bioraffinage en circulaire koolstofstromen noodzakelijk zijn om de industrie- en energiesysteemtransitie haalbaar te houden (TNO, 2025b; TNO, 2025a; Expertteam Energiesysteem 2050, 2023).

Adaptief sturen met doorlopende herijking

De maatschappelijke kosten hangen sterk af van tempo, samenhang en leervermogen. Dat vraagt om doorlopende techno-economische systeemanalyses, uitvoeringsplanning en expliciete herijkingsmomenten: periodiek toetsen wat knelt, waar kosten dalen en welke infrastructuurvolgorde het meeste effect heeft (TNO, 2025b; Expertteam Energiesysteem 2050, 2023; TNO, 2022; TNO, 2023b; TNO, 2023a).

Daarom is het logisch de SEZ te organiseren als een adaptieve uitvoeringscyclus: monitoren op een vaste set indicatoren (netcongestie, gerealiseerde CO₂-opslag, beschikbaarheid van waterstof, benutting van flexibiliteit) en het instrumentenpakket periodiek bijstellen binnen dezelfde integrale governance. Zo blijft de koers gericht op klimaatdoelen, terwijl uitvoering kan meebewegen met techniek en markt.

4. Prijsprikkels en randvoorwaarden in de SEZ: EU-ETS als sturend instrument

EU-ETS werkt alleen als randvoorwaarden investeringen mogelijk maken. In de SEZ moeten prijsprikkels en randvoorwaarden daarom in samenhang worden ingezet: EU-ETS als sturend instrument, en ETS-inkomsten voor randvoorwaarden en vereffening van het speelveld.

ETS als sturend instrument, niet als boete

Zonder adequate infrastructurele en beleidsmatige randvoorwaarden kunnen bedrijven niet op milieubeprijzing reageren met investeringen in verduurzaming. In dat geval resteert verplaatsing als het dominante aanpassingspad, en verwordt milieubeprijzing tot een heffing zonder emissiereductie of transitie-effect. De prijs fungeert dan niet als verduurzamingsprikkel, maar als boete die het level playing field verstoort en weglek versterkt (Bollen et al., 2024).

Zonder adequate infrastructurele en beleidsmatige randvoorwaarden kunnen bedrijven niet op milieubeprijzing reageren met investeringen in verduurzaming.

In de SEZ-logica is het EU-ETS daarom het aangewezen sturingsinstrument, mits bedrijven daadwerkelijk kunnen overschakelen doordat randvoorwaarden zoals netcapaciteit, waterstofvoorziening en CO₂-transport en -opslag tijdig beschikbaar komen (Europese Unie, 2023). Het stapelen van extra nationale prijsinstrumenten, zoals een aanvullende CO₂-heffing bovenop het EU-ETS, past daar niet bij zolang het systeem fysiek nog niet klaar is voor de transitie.

ETS-inkomsten en gelijk speelveld

ETS-inkomsten vormen een logische en noodzakelijke financieringsbron voor het realiseren van de randvoorwaarden waarop de transitie in de SEZ rust. Het gaat daarbij om investeringen in infrastructuur voor elektriciteit, waterstof en CO₂-transport en -opslag, om risicodeling in CCS- en BECCS-ketens, en om indirecte kosten zodanig te corrigeren dat het speelveld met omliggende landen wordt vereffend.

Gerichte compensatie past binnen de logica van vereffening van het speelveld zoals door Draghi geschetst: bedrijven met vergelijkbare technologie en efficiëntie mogen niet door louter een nationale beleidswig structureel op achterstand worden gezet (Draghi, 2024). Indirecte kostencompensatie voor energie-intensieve bedrijven op vergelijkbaar niveau is daarbij geen ongerichte subsidie aan bestaande fossiele productie, maar een instrument om weglek te beperken en investeringen in elektrificatie en ketentransitie daadwerkelijk mogelijk te maken (Beetsma & Van Wijnbergen, 2025; Bollen et al., 2024). De budgettaire kosten hiervan zijn lager dan de welvaartsverliezen van de-industrialisatie, terwijl een deel van de lasten terugvloeit via belastinginkomsten (Bollen et al., 2024).

5. Governance en juridische randvoorwaarden: één uitvoeringskader

De uitvoering van klimaat- en industriebeleid in het Rotterdamse cluster wordt niet primair begrensd door gebrek aan beleidsambitie, maar door governance, stikstofjurisprudentie en versnipperde besluitvorming. Zonder één samenhangend uitvoeringskader leiden juridische onzekerheid, verkokering en lange vergunningstrajecten tot structurele vertraging van netuitbreiding, CCS en BECCS. Een SEZ-aanpak is daarom geen extra beleidslaag, maar een noodzakelijke bestuurlijke ingreep om bestaande doelen realiseerbaar te maken.

Eén uitvoeringskader voor klimaat, stikstof en ruimte

Clustergerichte steun en gebiedsgerichte uitvoering zijn toegestaan binnen de Europese staatssteunkaders voor klimaat, energie en milieu (CEEAG) en het Clean Industrial State Aid Framework, mits steun transparant is, openstaat voor meerdere partijen en direct is gericht op aantoonbare CO₂-reductie. Deze kaders bieden expliciet ruimte om publieke middelen in te zetten voor infrastructuur, risicodeling en versnelde uitrol van sleuteltechnologieën, zolang doel, proportionaliteit en uitvoering helder zijn geborgd.

Ook nationaal is versnelling mogelijk. De Energiewet en netcodes bieden ruimte voor proefgebieden en non-firm aansluitingen. Tegelijk laat de Porthos-uitspraak zien dat tijdelijke emissies in de bouwfase juridisch houdbaar moeten worden ingepast. Zonder expliciete borging van bouwemissies en stikstofruimte lopen net- en (BE)CCS-projecten risico op vertraging.

Het Klimaatplan onderstreept dat klimaatbeleid, stikstofaanpak en ruimtelijke ordening één investeringslogica moeten vormen. De SEZ kan dit concretiseren door klimaatdoelen, stikstofruimte en ruimtelijke inpassing te organiseren binnen één juridisch houdbaar uitvoeringskader, zodat versnelling mogelijk wordt zonder afbreuk aan rechtszekerheid en Europese verplichtingen.

SEZ-wet als crisis- en versnellingswet

Een SEZ-wet kan als crisis- en versnellingswet werken voor net-, CCS- en BECCS-projecten. Projecten worden aangewezen als zwaarwegend openbaar belang, procedures worden gebundeld en termijnen verkort, met geconcentreerd beroep bij één rechter (Raad van State, 2022; Raad van State, 2025). Zo wordt versnelling mogelijk binnen bestaande milieunormen en EU-verplichtingen.

Eén interdepartementaal mandaat voor integrale sturing

In de huidige praktijk ontbreekt een duidelijke eigenaar van het totale transitiepad voor het Rotterdamse cluster. Veel instrumenten raken meerdere ministeries tegelijk (Ministerie van Klimaat en Groene Groei, 2025; Raad van State, 2025; Rebel, 2025). Zonder expliciet interdepartementaal mandaat blijven besluiten versnipperd over afzonderlijke dossiers en begrotingen, waardoor tempo en samenhang verloren gaan.

De SEZ vraagt daarom één interdepartementaal mandaat dat integraal stuurt op klimaatdoelen, infrastructuur, stikstofruimte en budget. Dit mandaat wordt gekoppeld aan het Klimaatplan en aan publieke middelen zoals ETS-inkomsten, en sluit aan bij staatssteunkaders, zodat doel, instrument en uitvoering in één lijn komen (TNO, 2025b; Ministerie van Klimaat en Groene Groei, 2025; Europese Commissie, 2022; Raad van State, 2025 ; Rebel, 2025).

6. Rotterdam als low-regret: bij uitstel dreigt afstel

De kernvraag is of randvoorwaarden tijdig worden ingevuld om klimaatdoelen te halen zonder structureel economisch verlies. Zonder integrale uitvoering dreigen de-industrialisatie, toenemend weglek en blijvende schade aan het verdienvermogen, terwijl mondiale emissiereductie beperkt blijft.

De bouwstenen liggen er. Wat nu nodig is, is uitvoeringstempo met een interdepartementaal bestuurlijk mandaat.

De SEZ is bedoeld om dit te voorkomen door randvoorwaarden te realiseren op de plek waar elektriciteit-, waterstof- en CO₂-infrastructuur samenkomen met een strategisch industriecluster. Rotterdam fungeert daarbij als systeemanker: hier komt de combinatie van aanlanding van wind op zee, CO₂-opslag en waterstofinfrastructuur samen met waardeketens richting België en Noordrijn-Westfalen (CE Delft et al., 2021; TNO, 2021; TenneT, 2025; Systemiq, 2022; Van den Berghe et al., 2025). Als het hier lukt, profiteert het hele systeem; als het hier vastloopt, werkt dat door in de rest van Nederland.

Besluiten die nu nodig zijn

De bouwstenen zijn beschikbaar: systeemanalyses, instrumenten en financieringsbronnen zijn bekend. Drie besluiten zijn daarbij cruciaal en no-regret:

  1. Richt binnen een jaar een SEZ Rotterdam in met één integraal mandaat

    Wijs het Rotterdamse cluster aan als tijdelijke SEZ en leg één interdepartementaal mandaat vast dat integraal stuurt op klimaatdoelen, infrastructuur, stikstofruimte en budget, inclusief juridische versnelling, budgettaire borging en expliciete evaluatie- en stopmomenten.

  2. Programmeer en versnel de fysieke randvoorwaarden in de komende vijf jaar

    Prioriteer binnen de SEZ de tijdige beschikbaarheid van netcapaciteit, flexibele aansluitregimes (non-firm/vluchtstrook), CO₂-transport en -opslag en waar nodig waterstofinfrastructuur. Leg expliciet vast welke infrastructuur wanneer wordt gerealiseerd en welke ketenprojecten daarop kunnen aansluiten, en beperk volloop- en vertragingrisico’s via gerichte beleidsgedreven vraagsturing en zonodig aanvullende rijksgaranties.

  3. Herijk binnen twee jaar de beleidsmatige randvoorwaarden die investeringen in elektrificatie, waterstof en CCS momenteel blokkeren, zodat geplande private en publieke industriële investeringen daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd.

Zorg voor een onderling consistente beleidsmix waarin:

  • systeemdiensten expliciet worden gewaardeerd (beschikbaarheid van leveringscapaciteit en afschakelbaarheid in elektriciteit, CO₂-opslag en negatieve emissies),
  • het speelveld wordt vereffend (IKC, nettarieven en het vermijden van nationale prijsstapelingen zolang handelingsruimte ontbreekt),
  • ·vraagzekerheid voor nieuwe ketens wordt georganiseerd, met name bioraffinage en biobased/circulaire routes,
  • en beleid adaptief kan worden herijkt op basis van voortgang en kostenontwikkeling.
  • stikstofemissies tijdens de bouwfase expliciet worden geadresseerd met juridische uitvoeringsruimte, zoals vereist onder de Porthos-jurisprudentie (Raad van State, 2022).

Gebruik daarbij ETS-inkomsten en andere publieke middelen om randvoorwaarden te realiseren (net, waterstof en CO₂-infrastructuur), risicodeling vorm te geven en het speelveld met omliggende landen te vereffenen.

Adaptief sturen binnen Europese kaders

De SEZ borgt technologie-neutraliteit zoals hierboven uitgewerkt. De SEZ organiseert een speelveld waarin kabinet, netbeheerders en bedrijven, gevoed door doorlopende systeem- en macro-economische analyse, kunnen bijsturen richting de mix die de meeste CO₂-reductie oplevert tegen de laagste welvaartsverliezen. Dit vraagt expliciete evaluatiemomenten en stop-/bijsturingsknoppen, zodat de SEZ begrensd blijft in budget en tijd, maar wél tempo kan maken.

Daarmee sluit de aanpak aan bij de Europese inzet op versnelling, schaal en concurrentievermogen, conform Draghi’s aanbevelingen en recente bevindingen zoals gerapporteerd door Wennink (Draghi, 2024; Wennink, 2025; Bollen, Faaij, et al., 2025). De bouwstenen liggen er. Wat nu nodig is, is uitvoeringstempo met een interdepartementaal bestuurlijk mandaat.

Voetnoten


[1] Syngas is een gasmengsel van waterstof en koolmonoxide waaruit je met chemische stappen verschillende brandstoffen en chemicaliën kunt maken.

Referenties

Beetsma, R., & Van Wijnbergen, S. (2025). Subsidies voor Tata Steel: miljarden belastinggeld in een zwart gat. Me Judice.

Bollen J.C., Meijerink, G.W. en Romagosa, H.A. (2016). Brexit costs for the Netherlands Arise from Reduced Trade. CPB Policy Brief 2016/07. Beschikbaar op CPB.pdf.

Bollen, J., Hers, S., Nagy, R., & Van Kempen, J. (2024). Energiekostencompensatie nodig voor concurrentievermogen industrie. ESB, 109, 300–303.

Bollen, J., Faaij, A., De Graaff, M., Hers, S., & Kramer, G. J. (2025). Haalbaarheid van de Clean Industrial Deal. Den Haag: TNO.

Bollen, J., Kuijper, M., en van Soest, J. P. (2025). Verplichte CO2-terugname voor fossiele aanbieders. ESB.

CE Delft, TNO, & Quintel. (2021). Systeemstudie energie-infrastructuur 2020–2030–2050 Zuid-Holland. Delft: CE Delft.

CPB (2017). Biomassa met CO₂-opslag direct inzetten (CPB Policy Brief 2017/02). Den Haag: CPB.

Deloitte. (2025). Mobiliseren van de vraag van de consument naar duurzame investeringen: Mogelijke rol van beleid aan de vraagzijde om investeringen in duurzamere producten te stimuleren en de Europese zware industrie te versterken. Deloitte.

Diéguez, M. S., Fattahi, A., Sijm, J., España, G. M., & Faaij, A. (2021). Modelling of decarbonisation transition in national integrated energy system with hourly operational resolution. Advances in Applied Energy, 3, 100043.

Draghi, M. (2024). The future of European competitiveness. Europese Commissie Rapport, september 2024.

Europese Commissie. (2022). Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 (CEEAG) (2022/C 80/01). Publicatieblad van de EU, C 80, 1–55.

Europese Unie. (2023). Richtlijn (EU) 2023/959 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (hervorming EU-ETS). Publicatieblad van de EU, L 130, 134–198.

Expertteam Energiesysteem 2050. (2023). Energie door perspectief: rechtvaardig, robuust en duurzaam naar 2050. Utrecht: RVO.

ISPT. (2025). Koolstof grondstoftransitie van de petrochemische industrie binnen beperkte ruimte (Tekenkamer van de Industrie). Amersfoort: ISPT.

ISPT, TNO, & QuoMare. (2024). HyChain 4: Integral Hydrogen-Based Supply Chain Development. Amersfoort: ISPT.

Jenkins, S., Mitchell-Larson, E., Ives, M. C., Haszeldine, R. S., & Allen, M. R. (2021). Upstream decarbonization through a carbon takeback obligation: An affordable backstop climate policy. Joule, 5(11), 2777–2796.

Margriet Kuijper Consultancy, Royal HaskoningDHV, en De Gemeynt. (2021a). Carbon Takeback Obligation: A Producers Responsibility Scheme on the Way to a Climate Neutral Energy System. Vries: Margriet Kuijper Consultancy.

Margriet Kuijper Consultancy, Royal HaskoningDHV, en De Gemeynt. (2021b). A Carbon Takeback Obligation for Fossil Fuels – Feasibility Study Phase 2. Vries: Margriet Kuijper Consultancy.

Martinez-Gordon, R., Gusatu, L. F., Santhakumar, S., Sijm, J., & Faaij, A. (2025). Decarbonisation pathways towards a net-zero North Sea energy system by 2050. Renewable Energy, 250, 123286.

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. (2020). Besluit vrijstellingen en ontheffing enkelvoudige storingsreserve (N-1 norm) (Stb. 2020, 512). Den Haag: EZK.

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. (2024). Schakelen naar de toekomst: IBO bekostiging elektriciteitsinfrastructuur. Den Haag: Rijksoverheid.

Ministerie van Klimaat en Groene Groei. (2025). Klimaatplan 2025–2035. Den Haag: Rijksoverheid.

Penrose. (2021). Legal showstopper advice implementation CTBO in the Netherlands based on EPR regulation/principles. Amsterdam: Penrose.

Port of Rotterdam. (2022). Projectinformatie Aramis, H-Vision en Porthos. Rotterdam: Havenbedrijf Rotterdam.

Raad van State. (2022, 2 november). Uitspraak 202107079/1/R4 (Porthos en stikstof). Den Haag: Raad van State.

Raad van State. (2025, 4 maart). Advies over het Ontwerp-Klimaatplan 2025–2035 (W19.24.00360/IV). Den Haag: Raad van State.

Rebel. (2025). Beleidsinstrumentarium vraag-aanbod-infrastructuur (NPVI). Rotterdam: Rebel.

Scheepers, M., Faaij, A., & van den Brink, R. (2019). Scenario’s voor klimaatneutraal energiesysteem: slimme combinaties van energie-opties leiden tot duurzame energiehuishouding. TNO White Paper, maart 2019. Beschikbaar op link.

Systemiq. (2022). ReShaping Plastics: Pathways to a Circular, Climate Neutral Plastics System in Europe. Brussel: Plastics Europe.

TenneT. (2025). Congestieonderzoek Haven van Rotterdam. Arnhem: TenneT.

TNO. (2021). Transition to e-fuels: A strategy for the Harbour Industrial Cluster Rotterdam. Rotterdam: SmartPort/TNO.

TNO. (2022). Extra opgave elektriciteitsvoorziening 2030 (TNO 2022 M10695). Den Haag: TNO.

TNO. (2023a). Naar een CO₂-vrije elektriciteitsvoorziening in 2040: Een verkenning (TNO 2021 P12683). Amsterdam: TNO.

TNO. (2023b). Flexibiliteit in het energienetwerk: opties voor het Nederlandse energiesysteem. Den Haag: TNO.

TNO. (2025a). Circulaire koolstof in systeemperspectief: achtergrondrapportage. Den Haag: TNO.

TNO. (2025b). Macro-economische effecten klimaatbeleid 2040. Den Haag: TNO.

Toribio-Ramirez, D. A., Detz, R. J., Faaij, A., & van der Zwaan, B. (2025). Cost reduction analysis for sustainable ethylene production technologies. Sustainable Energy Technologies and Assessments, 77, 104306.

Usmani, O. (2021). Invloed van hernieuwbare kerosine op prijzen vliegtickets (TNO-rapport TNO 2020 M12345). Den Haag: TNO.

Berghe, K. van den, T. de Vil, K. Eggermont en G. Noels. (2025). Investerende Antwerpse chemie afhankelijk van Nederlandse basisindustrie. ESB, 110, 311–313.

Wennink, P. (2025). De route naar toekomstige welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa. Ministerie van Economische Zaken, 12 december 2025. Beschikbaar op link.

Te citeren als

Johannes Bollen, André Faaij , Sebastiaan Hers, “Longread: Speciale Economische Zone Rotterdam voorkomt klimaatvertraging en bbp-verlies”, Me Judice, 16 januari 2026.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
Rotterdamse Havens, door Marianne de Wit.

Ontvang updates via e-mail