De kosten van migratie voor de overheid
Het rapport Grenzeloze Verzorgingsstaat (GV) kwam tot een hoge raming van de kosten van migratie voor de schatkist: 400 miljard voor de periode 1995-2019. Het bedrag trok veel aandacht en het speelde al kort na verschijning in 2021 een belangrijke rol in een verkiezingsdebat.[1] De conclusie dat migratie de Nederlandse verzorgingsstaat onbetaalbaar maakt, heeft tot veel commentaar geleid, maar inhoudelijk is er nog nauwelijks op de raming gereageerd.[2] Dat is jammer.
Eerder reageerden wijzelf in het FD op het rapport (17 okt. 2025), waarna Hartog – een van de auteurs van GV - weer reageerde op dit artikel in Me Judice. In de discussie speelt het aan migratie toe te rekenen beslag op collectieve voorzieningen een belangrijke rol. Er is serieus meningsverschil mogelijk over de vraag welke collectieve voorzieningen puur zijn, zodat migratie niet tot extra kosten hoeft te leiden, en aan welke voorzieningen vanwege congestie meer wordt uitgegeven als de bevolking door migratie groeit. Maar ook los daarvan: de in het rapport getrokken conclusie volgt niet uit feiten.
Rapport beantwoordt de verkeerde vraag
Het rapport gebruikte CBS-microgegevens voor alle bewoners van Nederland en berekende daarmee zorgvuldig de fiscale gevolgen van immigratie in 2016: de belasting die immigranten en hun families in dat jaar betaalden, de uitkeringen die zij ontvingen en de overheidsuitgaven die zij rechtstreeks veroorzaakten, zoals hogere kosten voor het onderwijs, de IND en de opvang van asielzoekers. Ook de extra kosten als gevolg van migratie voor veiligheid, een collectief goed, werden berekend. Het effect van al die posten voor de schatkist was positief: 3,4 miljard aan netto extra opbrengsten voor de overheid.
Al het zorgvuldige rekenwerk met de microgegevens was in feite irrelevant: die ene, enorme kostenpost van 20,7 miljard bepaalde de conclusie van het rapport.
Maar dat was nog zonder rekening te houden met de overige collectieve goederen, waaraan dat jaar 94,1 miljard werd besteed.[3] Daarvan rekende het rapport 22%, het aandeel van migranten en hun families in de bevolking, dus 20,7 miljard, toe aan migratie.[4] In feite werd de 94,1 miljard hoofdelijk omgeslagen over alle inwoners. Dat was de cruciale stap in de berekening, want daarmee sloeg het netto effect van migratie voor de schatkist om van 3,4 miljard aan opbrengsten naar 17,3 miljard aan jaarlijkse kosten (20,7-3,4 miljard).[5] Al het zorgvuldige rekenwerk met de microgegevens was in feite irrelevant: die ene, enorme kostenpost van 20,7 miljard bepaalde de conclusie van het rapport.
Het rapport legt in één zin uit waarop het bedrag van 20,7 miljard is gebaseerd: ‘In de huidige studie is verondersteld dat alle burgers in gelijke mate profijt hebben van de overheidsuitgaven voor publieke goederen en dat de kosten in gelijke mate aan alle burgers zijn toe te schrijven.’[6] Kennelijk is de redenering dat als iedereen evenveel profiteert van collectieve goederen, het redelijk is dat iedereen ook evenveel bijdraagt.
Daarop valt veel af te dingen. Ten eerste: het is niet zo dat iedereen evenveel profiteert, brave burgers waarderen de veiligheid die de politie biedt, anders dan criminelen. Ten tweede: de redenering is normatief, maar in de berekening van het rapport telt alleen hoeveel migranten feitelijk betalen en dat wordt bepaald door ons belastingstelsel. Dat stelsel is progressief en levert dus een andere uitkomst op dan het hoofdelijk omslaan van de kosten van collectieve goederen. Ten slotte: wat migranten aan belasting zouden moeten betalen, is geen antwoord op de vraag waarom het gaat - in hoeverre de 94,1 miljard besteed aan collectieve goederen het gevolg was van migratie. Het rapport heeft de verkeerde vraag beantwoord.
Deze onjuiste rechtvaardiging voor de post van 20,7 miljard werd letterlijk herhaald in de herziene versie van het rapport (GV 2023, p. 176), ondanks eerdere communicatie hierover. Maar de auteurs hanteerden toen ook een andere redenering. Zij schreven dat de uitgaven aan collectieve goederen de omvang van de bevolking volgen (GV 2023, p. 127):
De resterende uitgaven [de posten waaraan in 2016 de 94,1 miljard werd besteed] volgen waarschijnlijk in vrij grote mate de ontwikkeling van de bevolking. Te denken valt aan personeelskosten voor ambtenaren die werkzaam zijn in allerlei uitvoerende diensten zoals de belastingdienst. De kosten voor ambtenarensalarissen zullen naar verwachting grotendeels gelijke tred houden met de bevolkingsomvang. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor investeringen in de overheidsgebouwen waarin deze ambtenaren zijn gehuisvest. Er zijn echter ook kosten die hoogstwaarschijnlijk meer dan evenredig toenemen met de bevolkingsgroei. Dat is relevant omdat de groei van de Nederlandse bevolking feitelijk volledig migratie-gerelateerd is […]. De kosten voor infrastructuur zouden in een dichtbevolkt land als Nederland door congestieverschijnselen bijvoorbeeld wel eens meer dan evenredig kunnen samenhangen met bevolkingsomvang. […] Ook kosten voor (flankerend) natuur-, milieu- en energiebeleid nemen mogelijk onevenredig toe met de bevolkingsomvang, naarmate ruimte schaarser wordt en de bevolkingsdichtheid toeneemt. […] Ook de literatuur suggereert dat er bij de toerekening van de kosten voor publieke goederen aan personen naast schaalvoordelen – een daling van deze kosten per hoofd van de bevolking bij bevolkingsgroei – ook sprake kan zijn van een onevenredige toename van deze kosten bij bevolkingsgroei.
Kortom: als de bevolking groeit, stijgen de kosten van sommige collectieve voorzieningen minder dan proportioneel, maar de kosten van andere voorzieningen juist meer. Dat een (gemiddeld gezien) proportioneel verband in die situatie een goede benadering is, staat niet in het rapport en is ook niet evident, maar is kennelijk wel verondersteld. Zo kon de oorspronkelijke uitkomst van 20,7 miljard blijven staan. Daarmee ontstond de vreemde situatie dat het rapport twee verschillende redeneringen gebruikte, met dezelfde uitkomst.
Congestie kan optreden, maar is moeilijk te kwantificeren
Hartog, een van de auteurs van het rapport, veronderstelde in zijn recente Me Judice artikel wel expliciet proportionaliteit.[7] Maar hij gebruikte weer een ander, normatief argument: ‘Omslaan per hoofd kan worden gebaseerd op de veronderstelling dat bij groeiend inwonertal additionele uitgaven aan de publieke voorziening noodzakelijk zijn om het kwaliteitsniveau van die voorziening te handhaven.’ Hoe die veronderstelling tot de noodzakelijke proportionaliteit leidt, werd niet duidelijk. Bovendien gaat het rapport over de feitelijke kosten voor de overheid en die kunnen hoger of lager zijn dan deze norm. Wij zijn het met Hartog eens dat er congestie kan optreden, maar de mate waarin dit een rol speelt is moeilijk zo niet onmogelijk te kwantificeren, ook zonder migratie. In ieder geval is er in het rapport hiervoor geen kwantitatieve onderbouwing gegeven.
De twee redeneringen in het rapport waren niet empirisch onderbouwd, maar in Me Judice presenteerde Hartog een ‘aanzet tot empirie’. Hij merkte op dat in de periode 1995-2015, die voorafging aan het jaar waarvoor de fiscale effecten werden berekend, de bevolking van Nederland met 9% groeide en het prijsniveau met 49% steeg. De nominale uitgaven aan een groep van collectieve voorzieningen die hij had uitgekozen, namen met 27% toe. In reële termen daalden die uitgaven in die twintig jaar dus met 15%.[8] Dat is niet te rijmen met de eerder veronderstelde proportionaliteit: de uitgaven hadden dan juist moeten stijgen met 9%. Zo werd met deze berekening onbedoeld de kern van het rapport onderuit gehaald.
Dat de overheid niet genoeg uitgaf om de kwaliteit van collectieve voorzieningen constant te houden is plausibel, maar daaruit volgt niet dat de overheidsuitgaven veroorzaakt door migratie werden onderschat.
Hartog trok een andere conclusie, namelijk dat die daling aangeeft dat het rapport de werkelijke kosten mogelijk heeft onderschat: ‘.. a priori is het zeker denkbaar dat de uitgaven aan publieke voorzieningen in 2015 onvoldoende waren om de kwaliteit van 1995 te handhaven. Dat kan tot een onderschatting leiden van het effect van bevolkingsomvang op de kosten van publieke voorzieningen: de kosten van bevolkingsgroei kunnen ook de gedaante aannemen van kwaliteitsdaling in de publieke voorzieningen.’ Inderdaad, maar dan bestaan de kosten van bevolkingsgroei uit een welvaartsverlies voor particulieren - en die kosten tellen niet mee in een rapport dat zich beperkt tot de overheidsfinanciën. Dat de overheid niet genoeg uitgaf om de kwaliteit van collectieve voorzieningen constant te houden is plausibel, maar daaruit volgt niet dat de overheidsuitgaven veroorzaakt door migratie werden onderschat.
Samenvattend, de conclusie dat migratie de overheid in 2016 netto 17,3 miljard kostte, staat of valt met de stelling dat de uitgaven voor collectieve voorzieningen met 20,7 miljard stegen als gevolg van migratie. Die stelling berustte in eerste instantie op verwarring in hoeverre de uitgaven aan migratie zijn toe te rekenen en hoe daar via belastingen voor moet worden betaald. Later werd proportionaliteit verondersteld zodat de oorspronkelijke uitkomst kon blijven staan. Maar een empirische onderbouwing voor die veronderstelling ontbrak.
Zoals Hartog elders opmerkt: ‘We weten ook nauwelijks iets van het verband tussen aanbod van publieke voorzieningen en omvang en heterogeniteit van de bevolking.’ Dat is juist. Het onderzoek naar de consequenties van migratie voor de overheidsfinanciën is niet afgerond; het moet in feite nog beginnen. De stelligheid waarmee het bedrag van 400 miljard door de auteurs naar buiten is gebracht, blijft in onze ogen dan ook misplaatst. Het rapport is in veel opzichten indrukwekkend en er zijn heel veel gegevens voor gebruikt, maar de conclusie die zo veel aandacht trok, volgt niet uit feiten.
‘’Dynamische migranten’’
Naast de discussie over de uitgaven en inkomsten voor de overheid gerelateerd aan migratie, valt er meer op te merken. Het rapport poogt om het effect op de Nederlandse schatkist van een migrant over de gehele levensloop te berekenen. De kosten bestaan onder meer uit kosten voor scholing, gezondheidszorg, huursubsidies en uitkeringen; de baten voor de schatkist bestaan voornamelijk uit belastingopbrengsten. De omvang van deze kosten en baten zijn informatief voor beleid, bijvoorbeeld omdat meer scholing kan helpen om de andere kosten in de toekomst te drukken en de netto bijdrage aan de staatskas te verhogen. In deze zin zijn de berekeningen in het rapport nuttig voor het migratie- en integratiebeleid van de overheid.
De levensloop data vergen wel een juiste interpretatie omdat het transversale data betreft. De levensloop gegevens in het rapport zijn geconstrueerd uit een dwarsdoorsnede van alle migranten in 2016. De netto bijdrage van een migrant die 60 was in 2016, wordt gebruikt als indicatie voor hoeveel een nu 20-jarige migrant over 40 jaar zal bijdragen. Deze statische aanpak is begrijpelijk uit het oogpunt van beschikbare data, maar miskent dat die 20-jarige migrant van nu over 40 jaar niet vergelijkbaar is met een migrant die nu 60 is. Longitudinaal kan het plaatje er anders uitzien, doordat jonge migranten zich ontwikkelen en zich aanpassen aan de samenleving. Eerder had Verbon dit probleem al uitgebreid besproken aan de hand van de prestaties van de tweede generatie migranten (Verbon, 2022).[9]
Los van ontwikkelingen over de tijd, valt er ook wat te zeggen over de effecten van diversiteit op de werkvloer. Er zijn er tenminste twee. Diversiteit op de werkvloer qua culturele achtergrond kan initieel de productiviteit negatief beïnvloeden, bijvoorbeeld doordat communicatie vanwege verschillen in moedertaal moeilijker verloopt. De spreekwoordelijke Babylonische spraakverwarring kan een goede samenwerking hinderen (Wang et al., 2022). Ook kan vertrouwen tussen mensen met verschillende achtergrond minder zijn (Alesina et al., 2002; Alesina & Ferrara, 2005). Maar diversiteit op de werkvloer kan ook positief uitpakken, bijvoorbeeld omdat het de mate van innovatie vergroot. Voor Nederland laten Ozgen, Nijkamp en Poot (2013) voor Nederlandse bedrijven zien dat diversiteit positief bijdraagt aan innovatie in het algemeen en product innovatie in het bijzonder. Diversiteit is dus niet noodzakelijk slecht.
Het land van herkomst en de wijze van presenteren
Gegeven de beperkt beschikbare data is het begrijpelijk dat de levensloop op basis van een dwarsdoorsnede wordt geconstrueerd. Uit het onderzoek in GV 2023 komt naar voren dat hoe hoger de opleiding van de migrant is, hoe hoger de netto bijdrage is. Dit geldt ook voor het opleidingsniveau van hier geboren en getogen Nederlanders. Zowel voor immigranten en als van origine Nederlanders spoort weinig opleiding bijna één op één met hoge netto kosten voor de overheid, terwijl hoger opgeleiden juist netto positief bijdragen.
Het rapport Grenzeloze Verzorgingsstaat is in veel opzichten indrukwekkend en er zijn heel veel gegevens voor gebruikt, maar de conclusie die zo veel aandacht trok, berust niet op feiten.
Het is daarom jammer dat bij de presentatie de netto levensloopbijdrage, in het geval van de meeste migranten negatief, per herkomstland wordt gepresenteerd. Omdat Nederland ooit sterk heeft geselecteerd op een laag opleidingsniveau van migranten, stigmatiseert die presentatie onnodig. Beter was het geweest om alleen de netto bijdrage per opleidingsniveau te presenteren, en in een andere tabel het opleidingsniveau per herkomstland weer te geven. Van origine Nederlanders laten immers een zelfde verband tussen opleidingsniveau en netto bijdrage zien.
Indirecte bijdragen soms niet meegenomen
Er is nog wel meer op te merken. Voor bedrijven waren er bijvoorbeeld positieve externe effecten vanwege het feit dat zij konden blijven bestaan vanwege de komst van goedkope arbeid. Mede hierdoor kon de beloning voor kapitaal in Nederland meer dan proportioneel stijgen - en is de opbrengst van de vennootschapsbelasting waarschijnlijk meer dan proportioneel toe te rekenen aan migranten. Deze indirecte bijdragen zijn moeilijker te kwantificeren, maar dragen wel bij aan de levensvatbaarheid van Nederland. Om de netto bijdrage van iemand aan de samenleving gelijk te stellen aan de bijdrage aan de staatskas, mist hoe migranten bijdragen aan de samenleving in bredere zin.
In hetzelfde kader is van belang om te wijzen op de bijna 1 miljoen arbeidsmigranten van binnen de EU die in Nederland werkzaam zijn en bijvoorbeeld de bouw gaande houden. Overigens verdwijnt die situatie op termijn vanzelf door de vergrijzing en de aantrekkelijke ontwikkeling van Oost-Europese economieën, waardoor er steeds minder Europese arbeidsmigranten naar Nederland zullen komen (WRR, 2025).
Een laatste punt is dat de toekomstige baten en lasten over de levensloop naar het heden worden verdisconteerd tegen een rente. De hoogte van deze discontovoet maakt dan veel uit voor de omvang van de geconstateerde baten en kosten in huidige prijzen. Naast de gehanteerde 2.5% wordt er ook een variant met een discontovoet van 1.5% doorgerekend. Inmiddels liggen de rentestanden veel hoger en waarom dan ook niet een variant doorrekenen met 3.5%? Een verdubbeling van 1.5% naar bijvoorbeeld 3% zou de netto contante waarde van de kosten ongeveer halveren.
Tot slot
Het is jammer dat op basis van de gepresenteerde cijfers in het rapport geen conclusies over te voeren beleid zijn gepresenteerd. Omdat zo duidelijk blijkt dat opleiding cruciaal is voor de netto bijdrage van de migrant over de levensloop, ligt het voor de hand om vooral in te zetten op scholing en bijscholing van de huidige migranten populatie.
Een ander alternatief is het slechten van handelsbelemmeringen waardoor producten gemakkelijker elders gemaakt kunnen worden en de vraag naar arbeidsmigranten daalt. Meer in het algemeen is de discussie over het beste migratiebeleid alleen zinnig te voeren vanuit een opvatting over de gewenste toekomst van de Nederlandse economie (Rapport Staatscommissie Van Zwol), zodat bezien kan worden of de al dan niet gemakkelijk of moeilijk meetbare kosten van migratie voldoende worden gecompenseerd.
Voetnoten
[1] Dat was na de verschijning van de eerste versie van het rapport; Jan H. van de Beek, Joop Hartog, Hans Roodenburg en Gerrit W. Kreffer,
Grenzeloze Verzorgingsstaat: De Gevolgen van Immigratie voor de Overheidsfinanciën, Universiteit van Amsterdam, 2021 (hierna: GV 2021). Het bedrag staat in Tabel 0.1, p. 12; in de tweede, herziene versie uit 2023 (hierna: GV 2023) op p. 17.
[2] Een uitzondering is Verbon, ‘De verzorgingsstaat kent zijn grenzen’,
TPEdigitaal, 2022, 12-27.
[3] Technische Appendix bij GV 2023, Tabel 2.3, p. 30. De uitsplitsing is openbaar bestuur (exclusief de kosten voor veiligheidszorg die al waren meegenomen) 54,9; fundamenteel onderzoek 3,7; defensie 6,9; overdrachten buitenland 10,5; investeringen in gebouwen 8,5 en infrastructuur 10,1 miljard.
[4] GV 2023, Tabel 7.1, p. 132: 3,8 van de 17,2 miljoen inwoners van Nederland is 22%.
[5] Tabel 7.1 geeft 17,3 miljard. Het bedrag van 3,4 miljard staat niet in het rapport, maar is het verschil tussen 20,7 en 17,3 miljard, de twee bedragen die wel in het rapport staan.
[6] GV 2021, p. 152. Publieke goederen is een anglicisme. De Nederlandse term is collectieve goederen of collectieve voorzieningen.
[7] Joop Hartog, ‘Moeten we door bevolkingsgroei meer investeren in publieke goederen?’,
Me Judice, 11 december 2025: ‘Het aantal zuiver publieke voorzieningen, met ongelimiteerde non-rivaliteit (marginale kosten nul bij elke bevolkingsomvang), is beperkt. Daarom poneer ik dat benadering van de kosten van publieke voorzieningen op basis van proportionaliteit met bevolkingsomvang voorlopig een betere (maar niet perfecte) benadering is dan negeren van die voorzieningen.’ Dat komt neer op de stelling dat als een elasticiteit positief is, hij beter door 1 dan door 0 kan worden benaderd, een
non sequitur.
[8] Zelf schrijft hij dat de daling 22% bedroeg; kennelijk bedoelt hij dan de reële uitgaven per capita: 1,27 / (1,09 * 1,49) = 0,78. Overigens geeft het CBS andere cijfers: een stijging van de bevolking met 9,6%, van de geselecteerde overheidsuitgaven met 33,8% en van de prijzen met 47,5%. De reële daling is dan 9,3% (per capita 17,2%).
[9] Kinderen van eerste generatie migranten doen het bijvoorbeeld aanzienlijk beter op de arbeidsmarkt dan hun ouders. Het beroep op de bijstand door de tweede generatie is aanzienlijk lager. Wel zijn er grote verschillen tussen de mate van integratie van tweede generatie migranten afhankelijk van het herkomstland van de ouders. Migranten passen zich in de loop van de tijd aan en dat leidt tot convergentie met autochtonen. De schoolprestaties verbeteren over de generaties heen. Uit de recente kernindicatoren van het CBS blijkt dat de opleidingsniveaus van nakomelingen van ouders met een Turkse migratie achtergrond steeds hoger worden. Deze dynamiek blijft in het dwarsdoorsnede onderzoek onbelicht. Gegevens in het rapport over tweede generatie migranten bevatten dus ook nuttige informatie. Maar hier wordt weinig mee gedaan bij de beantwoording van de vraag waar beleid zich op zou kunnen richten.
Referenties
Alesina, A., & La Ferrara, E. (2002). Who trusts others? Journal of Public Economics, 85(2), 207–234.
Alesina, A., & La Ferrara, E. (2005). Ethnic diversity and economic performance. Journal of Economic Literature, 43(3), 762–800.
Hartog, J. (2025, 11 december). Moeten we door bevolkingsgroei meer investeren in publieke goederen? Me Judice.
Grenzeloze verzorgingsstaat: De gevolgen van immigratie voor de overheidsfinanciën. (2021). Universiteit van Amsterdam.
Grenzeloze verzorgingsstaat: De gevolgen van immigratie voor de overheidsfinanciën (2e herz. dr.). (2023). Universiteit van Amsterdam.
Ozgen, C., Nijkamp, P., & Poot, J., (2013). The impact of cultural diversity on firm innovation: evidence from Dutch micro-data. IZA Journal of Migration, 2(1), 1-24.
Verbon, H. (2022). De verzorgingsstaat kent zijn grenzen. TPEdigitaal, 16(3), 12–27.
Wang, C., Wu, J., Ruan, J., & Liu, X. (2022). Language differences, cultural identity, and innovation. Growth and Change, 53(4), 1716–1736.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. (2025). Met de mondiale demografie mee: Anticiperen op krimpend arbeidsaanbod in het buitenland (WRR-rapport 114).