Fiscale lasten van immigratie en druk op de welvaartsstaat

Fiscale lasten van immigratie en druk op de welvaartsstaat image
via Rawpixel.

De nettobijdrage van immigranten aan de schatkist, gerekend over de gehele verblijfsduur in Nederland, varieert sterk naar opleidingsniveau, leeftijd bij aankomst, herkomstregio en motief. Groepen met een zwakkere economische positie hebben een lagere vertrekkans uit Nederland: het wijst op een “omgekeerde welvaartsmagneet”. In hoeverre de lasten van immigratie neerslaan bij de lagere sociaaleconomische klassen zou volgens Jan van de Beek, Joop Hartog, Gerrit Kreffer en Hans Roodenburg gekwantificeerd moeten worden.

Netto fiscale bijdragen van immigranten

De bevolkingsgroei in Nederland is tegenwoordig geheel afkomstig van de bevolking met migratieachtergrond. Van 2010 tot 2019 bleef de autochtone bevolking constant, terwijl de populatie met westerse immigratie achtergrond toenam met 2,0 procent en die met niet-westerse achtergrond met 2,6 procent. Daarmee liep het totale inwonertal op van 16,6 miljoen naar 17,4 miljoen. Anno 2023 staat de teller op bijna 18 miljoen. CBS prognoses voorzien dat ook in de komende decennia bevolkingsgroei bepaald zal blijven door immigratie.

In het rapport Grenzeloze Verzorgingsstaat (Van de Beek et al., 2023), worden de nettobijdragen van immigranten aan het overheidsbudget berekend: bijdragen min ontvangsten, gedisconteerd opgeteld over hun hele verblijfsduur. Nettobijdragen variëren sterk met kenmerken van de immigranten, maar zijn merendeels negatief. In het algemeen, ook voor ingezetenen, zijn jaarlijkse bijdragen aan de schatkist negatief gedurende de jeugd (onderwijs), positief in de jaren van werkzaamheid, negatief in de pensioen- en zorgjaren. Fiscaal gezien is de voordeligste leeftijd van binnenkomst van een immigrant de aanvang van de werkzame periode: dan is de opleiding voltooid en zijn er nog veel jaren dat men kan werken en belasting en premies kan betalen.

Nederland is de facto een immigratieland met een dynamisch migratiepatroon: veel immigratie, maar ook veel remigratie. Er ‘stromen’ als het ware veel mensen ‘door Nederland heen’.

Uitgesplitst naar herkomstregio zijn de gemiddelde bijdragen per immigrant negatief voor niet-westerse landen en positief voor westerse herkomstlanden. Naar opleidingsniveau zijn de nettobijdragen alleen positief voor tertiair onderwijs (hbo, bachelor, master). Naar motief leveren alleen arbeidsmigranten een positieve bijdrage, voor de motieven studie, gezin en asiel zijn de bijdragen negatief, in sterke mate oplopend in deze volgorde. De nettobaten blijken ook sterk samen te hangen met culturele afstand tot Nederland. Wij benutten de resultaten van de World Values Survey, een grootschalig en langlopend onderzoek naar waarden en normen in een groot aantal landen: hoe groter de afstand, hoe lager de netto bijdrage.[1]

Figuur 1 laat zien dat het negatieve resultaat voor immigranten wordt veroorzaakt door de ongunstige samenstelling van de immigrantenpopulatie. Hadden immigranten gemiddeld de kenmerken van een autochtone Nederlander – we spreken in dat geval van een ‘referentie-autochtoon’ – dan zouden ze een positieve bijdrage aan de schatkist leveren als ze bij aankomst minimaal 10 jaar oud zijn.

Figuur 1. Nettobijdrage in 2016 naar entreeleeftijd voor eerste generatie immigranten, totaal en uitgesplitst naar westers en niet-westers en voor denkbeeldige immigranten met de karakteristieken van de gemiddelde autochtoon.

Bron: Overgenomen uit Grenzeloze Verzorgingsstaat p. 89, Figuur 4.3.

Duidelijk is dat westerse immigranten voor elke immigratieleeftijd gemiddeld een hogere nettobijdrage leveren dan niet-westerse immigranten. Verder presteren zowel westerse als niet-westerse immigranten gemiddeld minder goed dan referentie-autochtonen – denkbeeldige immigranten met de kenmerken van autochtonen, die alleen qua pensioenrechten en verblijfsduur in Nederland verschillen van autochtonen. In alle gevallen ligt de maximale bijdrage rond een entreeleeftijd (leeftijd bij immigratie) iets onder de 30 jaar. Er zijn dan geen kosten voor scholing meer, terwijl er nog wel een lange periode is dat er belastingen en premies afgedragen kunnen worden.[2]

Figuur 1 laat zien dat de gemiddelde niet-westerse immigrant voor geen enkele entreeleeftijd een positieve nettobijdrage levert. In het minst ongunstige geval – als de gemiddelde niet-westerse immigrant rond het dertigste levensjaar immigreert – bedragen de nettokosten ongeveer € 125.000. De gemiddelde westerse immigrant levert bij entreeleeftijden van ruwweg 15 tot 50 jaar een positieve nettobijdrage met een piek op circa € 85.000. De referentie-autochtonen doen het nog beter met een piek die met circa € 155.000 bijna tweemaal zo hoog is. De gemiddelde immigrant in Nederland – dus westers én niet-westers samen, in Figuur 1 aangegeven als ‘eerste generatie totaal’ – levert bij geen enkele entreeleeftijd een positieve nettobijdrage; de minst negatieve bijdrage bedraagt circa –€ 40.000.

Een omgekeerde welvaartsmagneet

Niet alle immigranten vestigen zich permanent in Nederland. Figuur 2 laat zien dat de kans dat een immigrant na verloop van tijd nog aanwezig is (aangegeven op de verticale assen) sterk dalend verloopt. De daling is aanzienlijk sterker voor EFTA/EU-immigranten dan voor immigranten van buiten EFTA en EU. Voor eerstgenoemde is die kans na 10 jaar minder dan 30%, voor laatstgenoemden is het bijna 60%. Vooral de motieven Gezin en Asiel hebben hoge blijfkansen. Voor Arbeid, Studie en Overig is permanente vestiging meer uitzondering dan regel.

Figuur 2. Cumulatieve blijfkans (verticale as) naar verblijfsduur in jaren voor immigranten die in de periode 1999-2004 naar Nederland kwamen, naar herkomst en migratiemotief.

Bron: Overgenomen uit Grenzeloze Verzorgingsstaat p. 66, Figuur 2.8.

Bij cohorten[3] uit niet-EU/EFTA-landen, waarvan weinig immigranten na twee jaar een uitkering hebben, is de neiging om binnen 10 jaar Nederland weer te verlaten groot (Figuur 3A). Van cohorten met minder dan 5% uitkeringsontvangers is meestal 30 tot 90% van de immigranten na 10 jaar weer vertrokken. Binnen deze groep zijn twee subgroepen te onderscheiden. Van immigranten uit Japan, Zuid-Korea, India, Zuid-Afrika, Australië, Canada en de VS is 60% tot 90% binnen 10 jaar weer huiswaarts gekeerd (groene stippen in Figuur 3A). Onder immigranten uit Rusland, Oekraïne, China, Brazilië, Indonesië en de Filipijnen (blauwe stippen in Figuur 3A) is de vertrekkans met 30 tot 60% een stuk kleiner.

Figuur 3A. Het percentage van een bepaald cohort dat na 10 verblijfsjaren is vertrokken uit Nederland afgezet tegen het percentage van het betreffende cohort dat na twee verblijfsjaren een uitkering als hoofdbron van inkomsten had, voor 224 cohorten die immigreerden gedurende de periode 1999-2009, naar nationaliteit, voor 21 niet-EU/EFTA-landen.

  

Figuur 3B. De kans dat een immigrant na 10 jaar een uitkering heeft afgezet tegen de kans dat een immigrant na 10 jaar is vertrokken uit Nederland voor een indeling van de wereld in 42 landen en regio’s, cohorten 1999-2009.

Bron: Overgenomen uit Grenzeloze Verzorgingsstaat p. 67, Figuur 2.9.

Voor de hier getoonde cohorten geldt omgekeerd ook: hoe hoger de uitkeringsafhankelijkheid na twee jaar, hoe minder immigranten geneigd zijn binnen 10 jaar weer uit Nederland te vertrekken. Voor immigranten uit de klassieke herkomstlanden Turkije, Marokko en Suriname (grijze stippen in Figuur 3-boven) is de uitkeringskans na 2 verblijfsjaren met 5 tot 12% flink groter en de vertrekkans met 15 tot 40% navenant kleiner. Dit geldt sterker voor landen waar veel asielmigranten vandaan komen. Van de immigranten uit Afghanistan, Irak en Syrië (oranje stippen in Figuur 3A) kwam ruim de helft als asielmigrant - de meeste anderen als gezinsmigrant. Van hen had tot 10 tot 50% na twee jaar een uitkering en verbleef doorgaans 70 tot 90% na 10 jaar nog in Nederland. Bij Iran en Eritrea (samen met Somalië de gele stippen in Figuur 3A) ging het om bij elkaar twee derde asiel- en gezinsmigranten is de uitkeringsafhankelijkheid lager en de vertrekkans groter. Grote uitzondering vormen Somaliërs: gemiddeld 60% asielmigratie en de rest vrijwel alleen gezinsmigratie, maar toch ook veel emigratie naar onder andere het Verenigd Koninkrijk.

In Figuur 3B is een vergelijkbare analyse uitgevoerd voor een indeling van de wereld in 42 landen[4] en regio’s.[5] Hierbij is de gemiddelde kans dat een immigrant na 10 jaar uit Nederland is vertrokken afgezet tegen de gemiddelde kans dat een immigrant na 10 jaar een uitkering heeft. Verder zijn in deze analyse ook de EU/EFTA landen toegevoegd (gele stippen in Figuur 3-onder). Ondanks een vrijer migratieregime vertonen ook deze landen een vergelijkbare samenhang[6] tussen remigratiekans en uitkeringsafhankelijkheid.[7]

In de literatuur wordt gesproken van een welvaartsmagneet wanneer immigranten worden aangetrokken door een hoog niveau van sociale voorzieningen. De magneet kan werken bij de beslissing om te migreren en bij de keuze van het land van bestemming (zie de discussie in Grenzeloze Verzorgingsstaat, paragraaf 2.4). In plaats van aantrekken kan de magneet ook vasthouden.

De grijze trendlijnen in Figuur 3 hebben een significant dalend verloop en het is duidelijk dat uitkeringsafhankelijkheid geassocieerd is met lagere remigratiekansen, al moet naar de causale mechanismen nader onderzoek verricht worden. Als immigranten met een uitkering minder vaak remigreren dan mensen zonder uitkering treedt er negatieve zelfselectie op bij de remigratie. Nader onderzoek moet uitwijzen of die selectie al optreedt bij de immigratie, met nadruk op immigranten met een grote uitkeringsafhankelijkheid en een lage vertrekneiging, of dat bij immigrantgroepen met een hoge uitkeringsafhankelijkheid in de eerste verblijfsjaren de vertrekneiging wordt gereduceerd. De mate waarin de ‘welvaartsmagneet’ immigranten van grote afstand naar Nederland trekt kunnen we met dit onderzoek niet bepalen, maar de welvaartsmagneet is kennelijk sterk genoeg om uitkeringsafhankelijke immigranten relatief vaak in de Nederlandse verzorgingsstaat te houden.

Als immigranten met een uitkering minder vaak remigreren dan mensen zonder uitkering treedt er negatieve zelfselectie op bij de remigratie.

Zelfselectie op uitkeringsafhankelijkheid bij remigratie kan de druk die laaggeschoolde immigratie nu reeds op de verzorgingsstaat legt verder vergroten. Nederland is de facto een immigratieland met een dynamisch migratiepatroon: veel immigratie, maar ook veel remigratie. Er ‘stromen’ als het ware veel mensen ‘door Nederland heen’. Het heeft er alle schijn dat vooral uitkeringsafhankelijke immigranten zich relatief vaak langdurig dan wel blijvend in Nederland vestigen. Nu reeds wijkt de samenstelling van de bevolking in de bijstand sterk af van de bevolking als geheel. Personen met een niet-westerse migratieachtergrond vormden in juni 2023 bijvoorbeeld 17% van de bevolking van 20 tot 65 jaar en 55% van de bijstandontvangers tot de AOW-leeftijd. Van hen ontving 12% bijstand, tegen 2% van de autochtonen. Dat is een oververtegenwoordiging t.o.v. autochtonen met ruim een factor 6.[8] Het hier geobserveerde zelfselectiemechanisme kan deze overmatige uitkeringsafhankelijkheid onder immigranten bestendigen of vergroten, waardoor de druk van immigratie op de welvaartstaat verder toeneemt.

Onderzoek door Bijwaard et al. naar vertrek van immigranten ondersteunt het beeld van de omgekeerde welvaartsmagneet. Wie werkloos wordt heeft in het algemeen een hogere kans om te vertrekken, vooral terug naar het herkomstland, maar bij hogere inkomens is die reactie sterker. Migranten met een laag inkomen en met een hoog inkomen hebben beide een lagere kans om een baan te behouden, waarbij de lagere inkomens relatief vaak non-participant worden en de hoge inkomens snel vertrekken. Herhaalde werkloosheid reduceert retourmigratie voor immigranten afkomstig uit EU15, nieuwe EU toetreders en ontwikkelingslanden, maar verhoogt die migratie voor immigranten uit ontwikkelde landen (zij het niet statistisch significant). Het duureffect van eerdere werkloosheid is positief voor immigranten uit ontwikkelde landen, negatief voor immigranten uit EU15, nieuwe EU toetreders en ontwikkelingslanden. Nader onderzoek naar de inverse welvaarthypothese op causaliteit en selectiviteit is zeker de moeite waard.

Druk op de welvaartsstaat

De essentie van de welvaartsstaat is herverdeling van hogere naar lagere primaire inkomens. De stelling dat een welvaartsstaat niet houdbaar is met open grenzen, lang geleden door Milton Friedman uitgedragen, wordt inmiddels door velen onderschreven. Algemeen toegankelijke sociale voorzieningen zouden onder druk komen te staan door de toestroom van immigranten en zo zou de bescherming van de sociaal zwakkeren worden uitgehold. Een hoge retentie van groepen met een zwakke sociaaleconomische positie en negatieve bijdrage aan het overheidsbudget zal die druk verhogen.

Een centraal resultaat uit de literatuur over effecten van immigratie op de reeds aanwezige inwoners is dat herverdelingseffecten belangrijker zijn dan effecten op het gemiddeld inkomen per hoofd (Hartog, 2023). De gangbare conclusie is dat effecten op gemiddeld inkomen per hoofd voor ingezetenen gering zijn en dat herverdelingseffecten (zoals tussen arbeid en kapitaal, of tussen hoog en laag geschoolde arbeid) belangrijker zijn, maar eveneens kwantitatief gering. Invloed van immigratie op de secundaire verdeling kan optreden wanneer publieke uitgaven door de toestroom van immigranten worden opgedreven en weerstand tegen hoge collectieve lasten leidt tot verschraling van voorzieningen om de kosten te drukken. Zo kunnen sociale uitgaven als bijstand of uitkering bij arbeidsongeschiktheid andere categorieën, zoals bij voorbeeld salarissen in onderwijs en zorg, verdringen of het sociale vangnet kan zelf rechtstreeks worden aangetast.

Invloed van immigratie op de secundaire verdeling kan optreden wanneer publieke uitgaven door de toestroom van immigranten worden opgedreven en weerstand tegen hoge collectieve lasten leidt tot verschraling van voorzieningen om de kosten te drukken.

De invloed op de tertiaire inkomensverdeling is analoog: het verschil is voornamelijk uitbreiding van de gemeten effecten tot categorieën directe consumptie (zoals gratis of gesubsidieerd onderwijs en zuiver collectieve goederen). Ook hier kunnen verhoogde collectieve lasten door immigranten leiden tot verschraling en uitholling van voorzieningen aangeboden via de publieke sector. Externe effecten van bevolkingsomvang van immigratie zijn in Nederland in de discussie ingebracht door de Commissie Muntendam in 1977. “Brede welvaart” staat inmiddels in de volle aandacht van CBS en PBL, inclusief aandacht voor de samenhang met bevolkingsomvang Immigratie kan verdelingseffecten hebben door verandering in relatieve primaire inkomens door marktkrachten, op secundaire en tertiaire inkomens door krachten in het politieke proces, en op verdeling van brede welvaart door gebreken in de markteconomie en de aard van politieke reacties (of passiviteit). Het is denkbaar dat de lagere klassen, met lage inkomens, duidelijke nadelen ervaren van bevolkingsgroei door verschraling van sociale voorzieningen van de welvaartsstaat als reactie op stijgende lasten en door maatregelen tegen negatieve externe effecten die voor die klasse gering gewicht hebben (zoals minder ruimte voor woningbouw om druk op de natuur te reduceren). Het zou goed zijn om al deze verdelingseffecten goed in kaart te brengen. 

Voetnoten


 [1] De World Values Survey is gebaseerd op eenzelfde enquête naar overtuigingen en waarden onder nationaal representatieve steekproeven van alle inwoners, in bijna 100 landen, zo’n 90% van de wereldbevolking omvattend, met een totaal van 400 000 respondenten. Zie www.worldvaluessurvey.org. De waarden worden samengevat in twee variabelen. Bij ‘seculier-rationele waarden’ wordt gemeten in hoeverre men zogenaamde 'seculier-rationele’, dan wel ‘traditionele’ waarden koestert, bij ‘emancipatoire waarden’ wordt gemeten in hoeverre men gericht is op ‘zelfexpressie’, dan wel ‘overleving’. Culturele afstand wordt gemeten als de euclidische afstand van deze twee waarden in een land tot de waarden die gelden voor Nederland.

[2] Ook liggen de kosten voor de oude dag op die leeftijd nog ver in de toekomst, waardoor ze vanwege het contant maken niet zo zwaar tellen als voor immigranten die op hogere leeftijd naar Nederland komen. Vooral de motieven Gezin en Asiel hebben hoge blijfkansen.

[3] Een cohort is hier een combinatie van immigratiejaar en nationaliteit. De nationaliteiten Somalisch en Eritrees zijn geclusterd en verder zijn steeds twee opeenvolgende jaren samengenomen voor nationaliteit Syrisch (v.a. 2002) en cluster Somalisch/Eritrees (v.a. 2004) om vertekening door kleine groepen te vermijden. Kleine groepen zorgen voor vertekening omdat de waarden in deze CBS-statline tabellen zijn afgerond op veelvouden van 5.

[4] Dit is gedaan per nationaliteit, waarbij met het oog op het voorkomen van te kleine aantallen Letland en Litouwen zijn samengevoegd tot één categorie.

[5] Om het aantal waarnemingen te maximaliseren zijn ook de categorieën Overig Amerika, Overig Afrika, Overig Azië, Overig Oceanië en Overig EU meegenomen in de analyse.

[6] Ook afzonderlijk, voor de 18 EU/EFTA landen en regio’s geldt: Spearmans r = .93, N = 18, p < .001.

[7] Dit resultaat is robuust onder verschillende operationaliseringen. Voor een schatting op basis van vergelijkbare data per continent (45 jaarlijkse cohorten en voor Oceanië 5 tweejaarlijkse cohorten) verklaart een logaritmisch model (ŷ = -0,222ln(x) – 0,1981) bijv. 84,4% van de variantie.

[8] Van de bevolking 20 tot 65 jaar ontvangt bij autochtonen 1,9% een bijstandsuitkering, bij westerse migratieachtergrond is dat 2,6% en bij niet-westerse migratieachtergrond is dat 12,3%. Eigen berekening op basis van CBS-StatLine, Personen met bijstand; persoonskenmerken, opgehaald 4-10-2023 van CBS en Bevolking op 1e van de maand; geslacht, leeftijd, migratieachtergrond, opgehaald 4-10-2023 van CBS.

Referenties

Beek, J. van de, H. Roodenburg, J. Hartog en G. Kreffer (2023), Grenzeloze Verzorgingsstaat, De gevolgen van immigratie voor de overheidsfinanciën, 2e herziene druk, Zeist: demo-demo uitgever

Bijwaard , G. (2009), Labour Market Status and Migration Dynamics, IZA Discussion Paper 4530

Bijwaard, G. en J. Wahba (2023), Return Versus onward Migration: Go Back or Move On?, Review of Income and Wealth, 69 (3), 640-667

Hartog, J. (2023), The Political Economy of Immigration in The Netherlands, London: Routledge

SCP (1981): Profijt van de Overheid in 1977, Den Haag, Staatsuitgeverij

SCP (1989): Ruitenberg, L., F. de Kam, E. Pommer, Voorzieningen verdeeld, Profijt van de overheid in 1983. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau

SCP (2017): Olsthoorn, M., E. Pommer, M. Ras, A. van der Torre en J. M. Wildeboer Schut, Voorzieningen verdeeld, Profijt van de overheid, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau              

Te citeren als

Jan Van de Beek, Joop Hartog, Gerrit Kreffer, Hans Roodenburg, “Fiscale lasten van immigratie en druk op de welvaartsstaat”, Me Judice, 21 november 2023.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
via Rawpixel.

Ontvang updates via e-mail