Inleiding
Normaliter worden in de loon- en inkomstenbelasting de belastingschijven en heffingskortingen in de Inkomstenbelasting (IB) aangepast aan het gestegen prijsniveau. Dit gebeurt met behulp van de tabelcorrectiefactor, waarmee de Belastingdienst elk jaar de bedragen, schijven en heffingskortingen in de IB aanpast aan de inflatie. Onder normale omstandigheden is de tabelcorrectiefactor (tcf) gelijk aan 1 + de (geraamde) consumentenprijsindex (cpi). Een lagere tcf betekent een lastenverhoging voor burgers en het uithollen van de koopkracht. Het niet volledig corrigeren voor inflatie springt daarnaast minder in het oog dan bijvoorbeeld het verhogen van het belastingtarief zelf.
Eijsink en Mastrogiacomo (2026) geven aan dat de tcf een benadering is van de inflatie. Omdat de tabelcorrectiefactor één keer per jaar wordt toegepast en lonen op verschillende momenten in het jaar kunnen stijgen is de indexatie niet volledig. Voor de periode 2019-2023 laten zij zien dat de compensatie slechts circa zeventig procent is. Dit pleit ervoor om de tcf zo volledig mogelijk toe te passen.
De toepassing van de tabelcorrectiefactor
Echter, vooral in het afgelopen decennium zijn kabinetten met regelmaat afgeweken van het streven om de tcf zo volledig mogelijk toe te passen, vooral door budgettaire nood. In 2024 werd door het kabinet Rutte IV bijna 5 procent van deze inflatiecorrectie niet toegepast. In 2026 werd door het kabinet Schoof 43 procent van een inflatiecorrectie van 2,9 procent achtergehouden om daarmee de btw-verhoging van boekencultuur, media en sport van 9 procent naar 21 procent uit het hoofdlijnenakkoord terug te draaien.
In 2026 werd door het kabinet Schoof 43 procent van een inflatiecorrectie van 2,9 procent achtergehouden [...] Het kabinet Jetten gaat met betrekking tot het inhouden van de tabelcorrectiefactor nog een stap verder.
Het kabinet Jetten gaat met betrekking tot het inhouden van de tabelcorrectiefactor nog een stap verder. In het op Prinsjesdag gepresenteerde Belastingplan wordt voorgesteld om in 2027 de tcf voor 52 procent en voor 88 procent in 2028 te gebruiken ter financiering van de vrijheidsbijdrage (Ministerie van Financiën, 2026). Daarbovenop wordt het aanvangspunt van het toptarief (schijf 3) zelfs bevroren op het niveau van 2026, waardoor er helemaal geen inflatiecorrectie plaatsvindt bij deze inkomensgrens. Ondanks de gestegen inflatie blijft dus de inkomensgrens voor het toptarief in 2027 78.426 euro. Deze maatregel levert 749 miljoen euro op en wordt gebruikt om de arbeidskorting iets te verhogen.
Het coalitieakkoord
In het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA (2026) is afgesproken dat de zogenoemde vrijheidsbijdrage voor burgers gedekt zou worden door ‘in 2027 en 2028 de gebruikelijke inflatiecorrectie in de loon- en inkomstenbelasting beperkt toe te passen’. De dekkingsopgave bedraagt 1,5 miljard in 2027 en 3,4 miljard euro vanaf 2028 structureel.
Ook bedrijven leveren een zogenoemde vrijheidsbijdrage. Het kabinet vult deze bijdrage in via een verhoging van de premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Dit moet 1,5 miljard opleveren in 2027 en vanaf 2028 structureel 1,7 miljard euro. Het CPB verwacht dat in 2027 de Aof-premie omhooggaat van 7,4 procent naar 7,8 procent van het premieplichtig inkomen. Echter het “misbruik” van de Aof-premie voor dit soort doeleinden heeft de discussie weer doen oplaaien over de reservevorming in het arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsfonds.
Ontwikkeling aanvangspunt toptarief en maximumpremieloon 2020-2030
Door het niet volledig (of helemaal niet) toepassen van de tcf stijgt het aanvangspunt van het toptarief minder dan de inflatie. Dit terwijl het maximumpremieloon – waar over premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet worden afgedragen – meestijgt met de ontwikkeling van het bruto wettelijk minimumloon. Het bruto wettelijk minimumloon wordt twee keer per jaar (op 1 januari en 1 juli) automatisch geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de gemiddelde cao-lonen. In 2023 vond een bijzondere verhoging van het bruto wettelijk minimumloon met 8,05 procent plaats. Ook de jaren daarna was de stijging van het daaraan gekoppelde maximumpremieloon hoger dan de inflatie.
In figuur 1 is het aanvangspunt van het toptarief en het maximumpremieloon tussen 2020 en 2030 weergegeven. Voor 2028, 2029 en 2030 nemen we de door het CPB in de MEV geraamde cpi en cao-loonstijging voor 2027. Ook is een alternatief scenario opgenomen waarbij het aanvangspunt van het toptarief wordt gefixeerd op niveau van 2026.
Figuur 1. Ontwikkeling aanvangspunt toptarief en maximumpremieloon 2020-2030.

Bovenstaande laat zien dat bij de start van het tweeschijvenstelsel in 2020 het maximumpremieloon ruim tienduizend euro lager is dan het aanvangspunt van het toptarief. In 2030 is dit tienduizend euro hoger, in plaats van lager. Mocht er geen indexatie van het aanvangspunt plaatsvinden dan is dit verschil bijna 14.000 euro.
Steeds meer werknemers vallen onder toptarief
Het modaal inkomen is in 2020 36.500 euro, in 2026 48.000 euro en naar verwachting 55.000 euro in 2030. In 2020 lag het aanvangspunt voor het toptarief op net onder twee keer modaal, in 2030 zal dit slechts anderhalf keer modaal zijn (bij het hervatten van de inflatiecorrectie in 2029). Dit betekent dat steeds meer werknemers onder het toptarief zullen vallen. Ook docenten, specialistische verpleegkundigen, politiefunctionarissen, bouwuitvoerders of technici kunnen deze grens naderen of passeren.
Ook in vergelijking met het buitenland is het aanvangspunt van het toptarief relatief laag. Zo kent Duitsland een zogenaamde Reichensteuer die aanvangt bij een inkomen van 277.826 euro en slechts voor een groep van circa 200.000 belastingplichtigen geldt. Ook Frankrijk kent een progressief belastingstelsel met een aanvangspunt van 182.000 euro. Alleen het aanvangspunt (en het toptarief) in België is vergelijkbaar met dat van Nederland.
In 2020 lag het aanvangspunt voor het toptarief op net onder twee keer modaal, in 2030 zal dit slechts anderhalf keer modaal zijn.
Het Franse en Duitse toptarief is 45 procent, terwijl dit in Nederland 49,5 procent is. Bovendien worden Nederlandse belastingplichtigen (tussen 46.000 en133.000 euro) geconfronteerd met extra marginale druk als gevolg van de afbouw van de arbeidskorting. Relevant daarbij is dat werknemers met een oplopende werkgeverswig onder meer als gevolg van stijgende werkgeverslasten onder meer door een hogere Aof-premie in de vorm van een vrijheidsbijdrage. Hierdoor loopt de marginale druk van een inkomen tussen het aanvangspunt van het toptarief en het maximumpremieloon op naar 60 à 80 procent. Voor ouders met kinderen op de kinderopvang kan dit richting honderd procent gaan. Voor deze werknemers zal dus meer werken niet lonen.
Slot
Het is zeer onwenselijk om de vrijheidsbijdrage alleen op de factor arbeid te laten rusten. In combinatie met het bevriezen van het aanvangspunt van het toptarief wordt (extra) werken voor een steeds grotere groep belastingplichtigen rond 1,5 modaal niet meer of amper lonend. Een kabinet dat wil dat ‘werk meer gaat lonen’ zou de vrijheidsbijdrage ook moeten laten drukken op de factor kapitaal (Beetsma en Gradus, 2026). In het koopkrachtpakket zou bevriezing van de bovenste schijfgrens achterwege moeten blijven ook omdat breed gedragen alternatieven in de sfeer van het eigen huis voorhanden zijn (zie ook Gradus, 2026).
De auteur dankt Jan-Maarten van Sonsbeek en Pierre Koning voor opmerkingen bij een eerdere versie.
Referenties
Beetsma, R. en R. Gradus (2026). Laat de vrijheidsbijdrage betaald worden naar draagkracht. NRC, 24 februari.
Coalitieakkoord 2026-2030 (2026). Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. (D66, VVD en CDA) (inclusief financiële bijlage).
Gradus, R (2026), “Kabinet-Jetten dreigt hypotheekrenteaftrek voor hogere inkomens verder te verhogen”, esb.nu/blog, 12 maart (met als naschrift een duiding van de motie Stultiens).
Eijsink, G. en M. Mastrogiacomo (2026). Niet indexeren van belastingschijven raakt lagere inkomens het hardst. ESB, 110 (4850), 463-465.
Ministerie van Financiën (2026). Ramingstoelichtingen: Toelichtingen op de ramingen van de budgettaire effecten van de wetsvoorstellen uit het pakket Belastingplan 2027. Ministerie van Financiën: Den Haag.
Te citeren als
Raymond Gradus, “Bevriezen aanvangspunt toptarief laat werken nóg minder lonen”,
Me Judice,
28 september 2026.
Copyright
De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.
Afbeelding
Belastingdienst. Door
Mystic Mabel.