Financialisering van de economie staat te laag op de politieke agenda
Zowel de investeringen als de productiviteitsgroei waren in de afgelopen decennia in de meeste westerse economieën laag. Een belangrijk beleidsantwoord hierop werd geformuleerd door het Draghi-rapport voor de Europese Unie. Daarin wordt het stimuleren van private investeringen beoogd via betere coördinatie, deregulering, belastingvoordelen, transformatie van kapitaalmarkt, en het versterken van publiek-private partnerschappen. Soortgelijke standpunten worden ingenomen in het Wennink-rapport voor Nederland.
Het financiële vermogen [is] in Nederland gegroeid van ruim 10 keer het BBP in 1995 naar ruim 18 keer het BBP in 2025. Dit terwijl de kapitaalgoederenvoorraad (inclusief R&D), samen met woningen, constant bleef op een niveau van 4 keer het BBP.
De onderliggende analyse in beide rapporten staat in schril contrast met de post-Keynesiaanse visie dat de financialisering van de economie zowel de productiviteitsgroei als de economische groei heeft belemmerd. Financialisering duidt op de ongebreidelde groei van financiële instellingen, financiële markten en de invloed van financiële actoren. Zo is het financiële vermogen in Nederland gegroeid van ruim 10 keer het BBP in 1995 naar ruim 18 keer het BBP in 2025. Dit terwijl de kapitaalgoederenvoorraad (inclusief R&D), samen met woningen, constant bleef op een niveau van 4 keer het BBP.
Financialisering betreft dus het aanwenden van financiële vermogens voor niet-productieve doeleinden en gaat veelal gepaard met toenemende ongelijkheid van inkomens en vermogens en met financiële instabiliteit, zoals wij betogen in Meijers en Muysken (2026). Dit alles is een belangrijke oorzaak van de stagnatie van economische groei en productiviteit. Immers, besparingen worden niet productief benut, inkomens en vermogensongelijkheid leidt tot minder consumptie en daardoor minder groei en instabiliteit remt de investeringslust.
Verschuiving van investeringen naar buitenlandse financiële activa
Naar ons idee zitten pensioenfondsen, banken en bedrijven in Nederland gevangen in een tunnelvisie om speculatieve winsten te behalen. Als gevolg hiervan is de investeringsstroom verschoven van productieve binnenlandse bestedingen naar financiële investeringen in buitenlandse financiële activa – en voor banken ook in binnenlandse hypotheken. Dit wordt in Nederland nauwelijks erkend – uitzonderingen zijn Bezemer (2025), Bollen (2025) en Hobma en Stegeman (2025).
Deze auteurs benadrukken hoe de globalisering van de financiële sector en de enorme vlucht van vermogensinflatie – mede gevoed door aandeleninkoop van grote bedrijven, securitisaties en andere hefboom praktijken in de financiële sector – hebben geleid tot deze niet-productive investeringen in het buitenland. Dit proces wordt versterkt door korte termijn prioriteiten en druk van aandeelhouders en vermogensbeheerders.
Naar ons idee zitten pensioenfondsen, banken en bedrijven in Nederland gevangen in een tunnelvisie om speculatieve winsten te behalen. Als gevolg hiervan is de investeringsstroom verschoven van productieve binnenlandse bestedingen naar financiële investeringen in buitenlandse financiële activa.
Om een alternatieve kijk te bieden, hebben wij in Meijers en Muysken (2026) een open economie post-Keynesiaans model ontwikkeld, met een uitgebreide financiële sector. Het model omvat kwartaalgegevens voor de Nederlandse economie over de periode 2007 tot en met 2022 en bevat typisch Nederlandse kenmerken.[1] Voor elke sector in de economie worden de financiële stromen die leiden tot vermogensveranderingen geanalyseerd, waarbij zowel vermogenseffecten als transmissiekanalen voor de invloed van het monetaire beleid een belangrijke rol spelen.
Bovendien onderkent ons model dat overheidsinvesteringen productief zijn. Dit maakt een actievere rol voor de overheid mogelijk om de economie te stimuleren. Aansluitend aan de actualiteit kan daarbij bijvoorbeeld worden gedacht aan het opzetten van een Nationale Investeringsbank en het aanvullen van de tekorten van de woningcorporaties.
Wat als instellingen meer zouden investeren in binnenlandse activa?
Met het model simuleren we wat er zou gebeuren als pensioenfondsen, banken en bedrijven een deel (wij nemen als voorbeeld 2 procent van het BBP) van hun investeringen in buitenlandse activa zouden herbestemmen naar productieve investeringen in binnenlandse activa. Dit betreft fysiek kapitaal (inclusief R&D) van bedrijven, overheidsinvesteringen of – in het geval van pensioenfondsen – woningen.
Het resultaat is dat in alle gevallen de economische groei een forse impuls krijgt. Dit toont aan dat financialisering de economische groei inderdaad belemmert: Immers als het geld productief wordt besteed door binnenlandse investeringen leidt dit ook tot extra binnenlandse vraag en neemt de economische groei toe.
Daarnaast laten onze simulaties zien dat het herbestemmen van investeringen de winstgevendheid van pensioenfondsen, banken en bedrijven niet schaadt. Het effect op het rendement van investeringen is positief, maar klein. De invloed van vermogenswinsten door koersveranderingen verandert dit resultaat nauwelijks, hoewel er bij publieke investeringen kleine vermogensverliezen optreden. Wanneer pensioenfondsen hun investeringen heroriënteren naar huizen, tegen relatief lage huurprijzen, blijft het rendement gelijk, maar treedt er vermogenswinst op.
Een voor de hand liggende vraag is tot slot waarom nu niet binnenlands wordt geïnvesteerd, als het rendement positief wordt verbeterd. Het antwoord is simpel, investeerders onderkennen niet wat de macro-economische effecten zijn van binnenlandse investeringen.
Ook blijkt dat de overheidsschuld daalt wanneer investeringen worden geheroriënteerd naar zowel private als publieke investeringen. In het geval van publieke investeringen genereren verhoogde overheidsinvesteringen voldoende extra belastingopbrengsten via het toegenomen vraageffect om de extra investeringen te compenseren.
Tot slot vinden wij dat het heroriënteren van investeringen een inflatoire impuls geeft: de toegenomen vraag leidt tot prijs- en loonstijgingen, die groter zijn in het geval van publieke investeringen. Dit inflatoire proces is om twee redenen problematisch. Ten eerste, als inflatie wordt bestreden door een renteverhoging door de centrale bank, zou dit leiden tot een ongewenste daling van de binnenlandse vraag – waardoor de beoogde investeringsstimulans teniet wordt gedaan. Ten tweede leiden de loonstijgingen tot hogere toekomstige pensioenuitkeringen en dus tot een lagere dekkingsgraad van pensioenfondsen. Dit leidt op zijn beurt tot hogere pensioenpremies en verdere loonstijgingen. Ook hier zou een verhoging van de rente door de centrale bank een verzachtend effect hebben op de inflatie, omdat dit de dekkingsgraad zou verlagen als gevolg van een hogere disconteringsvoet voor toekomstige pensioenaanspraken. Om de inflatie te beteugelen zonder de rente door de centrale bank te verhogen, stellen wij voor om een loon- en prijspolitiek te volgen.
Slot
Samenvattend laten wij zien dat er voldoende geld beschikbaar is om binnenlandse investeringen te stimuleren door een heroriëntatie van pensioenfondsen en banken naar binnenlands beleggen, in plaats van bijna al hun activa in het buitenland te beleggen. Hoe dit precies gestalte moet krijgen valt buiten het blikveld van onze macro-economische analyse, maar het is belangrijk dat onze analyse laat zien dat een dergelijke heroriëntatie een belangrijke impuls voor de economie oplevert, zonder dat dit tot verliezen lijdt voor banken, pensioenfondsen en ondernemingen.
Een voor de hand liggende vraag is tot slot waarom nu niet binnenlands wordt geïnvesteerd, als het rendement positief wordt verbeterd. Het antwoord is simpel, investeerders onderkennen niet wat de macro-economische effecten zijn van binnenlandse investeringen – de bekende Keynesiaanse ‘fallacy-of-composition’. Want de positieve rendementen ontstaan pas als deze investeringen daadwerkelijk worden gedaan, zoals ons model ook laat zien. De hierboven geschetste tunnelvisie waarin pensioenfondsen, banken en bedrijven in Nederland gevangen zitten moet worden doorbroken. Dit inzicht zou deze partijen moeten overhalen om het debat over een heroverweging aan te gaan.
Voetnoten
[1] Zoals (1) huishoudens met spaaroverschotten, aanzienlijke pensioenvorderingen en een enorme hypotheekschuld; (2) bedrijven met forse spaaroverschotten en grote vermogens belegd in het buitenland; (3) een zeer grote financiële sector met pensioenfonds- en bankactiva die voornamelijk in het buitenland en in hypotheken zijn belegd; (4) een groot handelsoverschot; (5) een centrale bank met een beduidende voorraad Nederlandse staatsobligaties; (6) een overheid met bescheiden negatieve spaargelden en een gematigde schuld; en (7) een gecentraliseerd systeem van loononderhandelingen.
Referenties
Bezemer, D., 2025, ‘Finance for Investment? Explaining Macrofinancial Slippage’, University of Groningen, FEBRI Research Reports, vol. 2025008-GEM.
Bollen, T., 2025, Geld genoeg, maar niet voor jou, Follow the Money, Amsterdam.
Hobma E., and H. Stegeman, 2025, ‘A system that serves: Rebuilding finance for the future’, Financial system vision Triodos Bank, December 2025.
Meijers, H. and J. Muysken, 2026, ‘Redirect investment to stimulate the economy’, UNU-MERIT Working Paper series 2026-003.
Te citeren als
Huub Meijers, Joan Muysken, “Er is meer dan genoeg geld voor binnenlandse investeringen”,
Me Judice,
6 maart 2026.
Copyright
De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.
Afbeelding
Foto via
PxHere